In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE HEERE LEIDDE MIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HEERE LEIDDE MIJ

18 minuten leestijd

DE HEERE LEIDDE MIJ

Elk mens, die tot waarachtige bekering komt, zal de eindeloze liefde Gods en de genade van onze Heere Jezus Christus prijzen. Hij zal niet uitgedacht komen over dat wondere geheim van de barmhartigheid Gods, zoals die zich heeft geopenbaard in de kruisdood van Golgotha en in de verzoenende waarde, die dit sterven aanbiedt aan elke zondaar, die in Jezus geloven wil. Hem zij de lof en de dank en de aanbidding!

De grondslag voor de bekering wordt dikwijls gelegd door godvrezende ouders en door een gezonde tucht op school.

Dat voorrecht is ook mij te beurt gevallen. Mijn rooms-katholieke ouders gaven mij een strenge opvoeding en op de zustersschool heerste een voorbeeldige orde. Door deze strakke discipline kreeg ik een open geweten. Ik leerde de waarheid onverbiddelijk liefhebben.

Ik nam het dan ook heel ernstig met de biecht, maar was vaak toch niet gerust over mijn zondebelijdenis: Had ik wel alles gebiecht? Had ik wel voldoende berouw gehad? Deze vragen kwelden mij steeds weer opnieuw.

Toen ik twaalf jaar oud was, mocht ik mij met mijn klasgenoten voorbereiden op de eerste kommunie. Ik hoorde toen veel over Jezus, leerde mooie gebeden en liederen en verlangde toen heel vurig, dat Jezus in mijn hart zou komen. En ik geloofde daar ook kinderlijk in.

ZONDE, DUISTERNIS EN DOOD

Toen ik achttien jaar was, ging ik in betrekking, ver van het ouderlijk huis. Een niets vermoedend, argeloos meisje. Ik leerde nu echter spoedig een ander leven kennen. De geheel andere wereld van de verdwazing lokte mij. Genot en ijdelheid begonnen te tintelen voor mijn ogen. Ik begon nu de band met de kerk los te laten. Ik wilde nu eens vrij zijn, eindelijk vrij, zonder die voortdurende dwang van de godsdienst. In het begin klonk in mij de scherpe aanklacht van mijn geweten, maar de zonde en ongerechtigheid nam steeds meer de overhand en doofde deze stemmen van binnen.

God liet mij echter niet los. Hij zette toch de rem van mijn strenge opvoeding op mijn bandeloosheid. Zodoende bleef ik toch voorzichtig, ja zelfs gereserveerd tegenover een bepaald soort ongerechtigheden. De mist van de boosheid omklemde me soms en maakte mij tot stikkens toe benauwd. Ik kon dan een afkeer krijgen van alles wat ik gezien en gehoord had. En tot het uiterste heb ik het nooit laten komen.

God liet de leegheid van dit voze leven knagen aan mijn ziel. Ik kon er geen vrede mee hebben. Na drie jaar tijd vatte ik weer moed, ging biechten en trachtte een nieuw leven te beginnen.

De eeuwigheid begon nu zwaar op mij te wegen. Sterk besefte ik nu, dat ik een ziel had te verliezen. Maar de satan trachtte dit zaad van God uit te roeien. Hij gebruikte deze eeuwigheidsgedachte om mij in de duisternis te jagen. Hij probeerde mij wijs te maken, dat ik toch verloren ging. En ik voelde me ook inderdaad heel slecht. God leek mij zo ver af. Ik kon niet meer bidden.

In mijn slapeloze nachten verlangde ik dikwijls naar iemand, bij wie ik eens alles kon uitpraten. Inwendig hoorde ik alleen maar de influisteringen van de boze, die mij aanzette tot nieuwe ongerechtigheden en ik voelde mij zo onmachtig tegenover hem. Het ergste was wel, dat hij mij er toe probeerde te brengen, mij het leven te benemen. ,Je gaat immers toch verloren", zo hoorde ik altijd in mij.

Alle fleur week uit mij weg. Elke bloei van mijn jeugd verschraalde. En toen ik weer eens een poos thuis kwam, zei mijn moeder: „Maar kind, wat heb je toch? Heus, ik zie het aan je, je hebt iets."

Ik antwoordde alleen maar: „Ik wilde dat ik nooit geboren was." Meer zei ik niet, maar - o, die gedachten: „ja, waarom ben ik geboren? - Alleen om voor altijd verloren te gaan." Ik begreep niets van het leven. Het was volkomen zinloos voor mij. In die tijd scheurde op een nacht zich een schreeuw uit mijn ziel los, een schreeuw naar de levende God: „O God, waarom ben ik toch zo zondig, waarom doe ik zoveel zonde?" En een diep berouw kwam in mij naar boven.

Een andere keer gaf God mij een uitzicht op Zijn Zoon„Jezus Christus, vooral op Zijn kruisgang naar Golgotha. Maar ik begreep er niets van en ik had deze gedachte: ,Als Jezus nu eens niet gekomen was en Zijn lijdenstocht niet was gegaan, zou alles toch hetzelfde gebleven zijn." Toch bracht dit zien naar de Man van smarten mij enige verlichting.

Niet lang daarna kreeg ik een betrekking aangeboden in Nederland. Ik ging alleen op reis naar een voor mij nog onbekend land, met het verlangen, om daar in de vreemde een nieuw leven te beginnen. Ik dacht er niet aan om God te bidden, dat Hij met mij wilde gaan om mij te behoeden.

Zo zijn wij, mensen, nu eenmaal van nature. In deze wereld levend zonder God en zonder Christus, niet eens wetend, dat we dit alles missen. Blinde schepselen, eenzame zwervers over de grote aarde. Ja, zelfs de christelijk-opgevoede mens leeft, alsof er geen God is. Hij vreest Hem niet en eert en dankt Hem nog veel minder. Geestelijk dood, schenders van het beeld Gods in ons, evenals onze voorouders, Adam en Eva. En als God Zelf ons niet uit deze vervreemding en verlating weer tot Zich riep, zouden wij voor altijd tuimelen in de verwerping.

Het dienstpersoneel at in de keuken en dan werd altijd uit de Bijbel gelezen. In het begin verstond ik er niets van, en toen ik het Nederlands een beetje machtig werd, interesseerde het mij maar weinig.

Maar dat keukenmeisje sprak met de huisknecht telkens over het geloof en ook mij begon ze al spoedig te vertellen uit de Bijbel en over wat ze 's zondags in de preek had gehoord. Ze had allerlei verhalen over mensen, die tot bekering gekomen waren, zelfs over rooms-katholieken, die protestant waren geworden. Ik had daar nooit van gehoord en vond dat heel erg.

Als ik 's zondags uit mijn kerk thuis kwam, vroeg ze mij naar de inhoud van de preek, die ik gehoord had. Ik werd daar verlegen onder, want dikwijls wist ik niets te antwoorden, of bijna niets. Ik nam mij daarom voor om beter te luisteren.

Het meisje bleef echter altijd maar uit de Bijbel vertellen en ze maakte mij erg nieuwsgierig naar dat boek. Ik durfde en wilde haar echter niet vragen om die Bijbel eens in te mogen zien.

HET GEHEIMZINNIGE BOEK

Op zekere avond was ik echter alleen thuis. Nu zag ik mijn kans schoon. Ik ging naar de kast, waar de Bijbel lag en nam hem in mijn bevende handen. Mijn hart klopte: Is dit dezelfde H. Schrift, waarvan ik meende, dat alleen de priesters eruit mochten lezen? Is dit het boek, waar schendende kettershanden naar grijpen om hun verschrikkelijke dwaalleer met een schijn van argumenten te staven? Wat is dit nu voor een boek? Is dit het Woord van God zelf?

Gretig begon ik te lezen in het eerste boek: het scheppingsverhaal. En deze gewijde woorden werden meteen een openbaring Gods voor mij. Zonder dat ik het kon beredeneren, wist ik ineens met volle zekerheid: Ja, dit is het Woord Gods!

Ik las verder. Ik kwam al spoedig bij de zondeval van Adam en Eva. En toen ging er een nieuw licht voor mij op. Toen begreep ik ineens, waarom ik zo zondig was. Ik wist nu, dat ik deelde in een erfschuld, die op heel het menselijk geslacht drukte. Ik begreep, dat langs de weg van de geslachten het verderf voortkruipt door de eeuwen heen en ons aantast tot in de laatste vezels van onze ziel en van ons lichaam. Er kwam een eerste rust over mij. De vloek over mijn leven leek mij nu niet meer zo zinloos, nu ik er de oorzaak van zag.

Ik las steeds maar verder in het Oude Testament. Ik ontmoette daarin de rechtvaardige en heilige God, die alle zonden tijdelijk en eeuwig straffen moet; die vanwege zijn heiligheid geen gemeenschap meer met de zondaar kan hebben. Ik had nog nooit zulke machtige indrukken gehad van de levende God, waardoor mijn hart vervuld werd met vrees en beven.

En toch werd ik telkens weer naar de Bijbel getrokken. Ik kon beslist dat verlangen niet weerstaan, ook al was ik daarna dikwijls terneergedrukt om de toorn Gods, die zich daarin telkens weer openbaart. Meer dan ooit begon ik nu mijn zondigheid en mijn verlorenheid te beseffen. Ook in mijn dagelijks leven werd het voor mij een weg van diepe vernedering. Het was alsof alles tegen mij was en geen mens van mij hield.

Zo kwam ik dan aan het Nieuwe Testament. Hoe wonderbaar ging toen het leven van Jezus Christus voor mij open. Met iedere bladzijde kreeg ik een inniger band met Hem. Ik volgde Hem van de kribbe tot het kruis, een weg van vernedering en lijden. Als ik zag naar de Man van Smarten kreeg ik wel eens de tranen in de ogen en weende als de vrouwen van Jeruzalem. De gedachte, dat Hij dit alles voor mij zou hebben gedragen, kon ik bijna niet verwerken.

Maar op een morgen brak op verrassende wijze de blijdschap van het Evangelie door. Gods Geest verlichtte mij en plotseling lag daar voor mij als een heerlijk lentelandschap het volbrachte verlossingswerk van Jezus Christus. Vol heilsbegeren sloeg ik mijn oog omhoog en in alle ootmoed riep ik uit: „Is dat voor mij? Wilt U zo'n grote genade schenken en dat aan mij?" Het antwoord kwam in een overweldiging door de liefde Gods. Ik zag de volkomen vergeving van God over mijn leven, want Hij zag mij aan in Jezus Christus. Het was alsof de hemel boven mij openstond en mijn hart smolt in tranen van dankbaarheid, aanbiddend de macht van Gods grote liefde.

Een vrede daalde in mij neer, die alle begrip te boven gaat. De blijdschap legde zich als een brede spanning op mij neer. O, het is met geen pen te beschrijven wat ik toen ervoer. De gehele daaropvolgende week mocht ik in bijzondere liefdesgemeenschap met Christus leven en Hij leidde mij telkens dieper in Zijn heilsgeheimen in. Mijn hart was voortdurend in de beweging van een telkens terugkerende, hemelse vreugde. Dan stamelde ik: „Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bereid voor hen, die Hem liefhebben!"

Ik had de Heere zo lief, dat er maar één verlangen in mij was: om ontbonden te worden en voor altijd bij Hem te zijn. En eens bad ik daar ook uitdrukkelijk om: „Neem mij maar weg, want wat doe ik nog hier op de aarde?"

Maar ik kreeg toen duidelijk te zien, dat er nog een taak voor mij was in Gods Koninkrijk. God stortte de Geest der genade en der gebeden overvloedig over mij uit en daardoor kreeg mijn leven rijke inhoud en diepe doeleinden. Ik mocht nu mijn betrekking als dienstmeisje zien als een koninklijke betrekking. Voortaan zou ik in alles de Koning van hemel en aarde mogen dienen. Voortaan zou ik mij aan Hem mogen geven met al mijn tijd, kracht en geld.

Het eerste lied, dat ik uit heel mijn hart mocht zingen, was: „Looft en prijst de Heere, want Hij is goedertieren en Zijn genade duurt tot in eeuwigheid," en ook: „Jezus, U leef ik; Jezus, U sterf ik; Jezus, U ben ik in leven en dood."

Na al deze geestelijke ervaringen dacht ik stellig: Nu hoef ik aan niets meer te twijfelen. Ik bleef daarom trouw naar de r.-k. kerk gaan en luisterde vooral naar de preken.

Toch kon ik niet nalaten in de Bijbel te lezen. Het keukenmeisje mocht het niet weten en niemand mocht het zien. Ze zouden kunnen denken, dat ik protestant wilde worden.

Als ze mij vertelde van de verschillende protestantse kerken, die bestonden, dan was ik al lang weer blij bij de éne rooms-katholieke kerk te behoren.

Ik bleef de Bijbel lezen. Dit boek werd mij zo dierbaar, alles werd daarin zo klaar toegepast aan mijn hart. Ik groeide op in de kennis en de genade van de Heere Jezus. Met verwondering las ik dat rijke en tevens zo eenvoudige Evangelie: de mogelijkheid om zalig te worden, zelfs voor de grootste der zondaren, uit loutere genade; de mogelijkheid om allen, die in Hem geloven, weer te herstellen en weer in levensgemeenschap te brengen met God. De gedurige oproep tot bekering en de herhaalde uitnodiging om tot Jezus te komen, die alleen zonden kan vergeven.

TWIJFEL EN BESLISSING

Maar door het aanhoudende lezen van de Bijbel kwam steeds meer de twijfel in mij op aan de leer van de r.-k. kerk.

Ik las het bevel van de Heere Jezus aan de discipelen om het Evangelie te verkondigen; de blijde boodschap, dat Jezus gekomen is om zondaars zalig te maken. Maar nergens las ik, dat Maria, de moeder van Christus, als middelares of mede-verlosseres een plaats heeft ingenomen in het werk der verlossing. De leer van het vagevuur kon ik ook niet vinden in de Bijbel.

Wel las ik vele malen van twee soorten mensen: bekeerden of onbekeerden, geestelijk doden of geestelijk levenden, mensen die God vrezen, of die zich van Hem afkeren, mensen, die naar het vlees of mensen, die naar de Geest leven. Ook las ik van twee wegen: de brede weg, die naar het verderf voert, en de smalle weg, die naar het eeuwige leven leidt. Ik las slechts van hemel en hel.

In de Schrift vond ik ook niets, dat op zulk een liturgische dienst lijkt als de mis. Het H. Avondmaal, zoals Jezus dat vierde op de vóóravond van Zijn lijden, sprak mij aan door de eenvoud. Hij, de Redder der wereld, nog eenmaal tezamen met Zijn discipelen, met de Zijnen, voor wie Hij weldra Zijn leven zou geven. Zo zag ik telkens weer, dat de leer van mijn kerk niet in overeenstemming was met de Bijbel. En toch bleef die kerk nog altijd een grote aantrekkingskracht op mij uitoefenen. Ik kon niet loskomen van haar imponerende eenheid, van al die duizenden priesters in hun rangen en standen, van de kloosters en al die prachtige kerkgebouwen.

Ik ging toen met mijn twijfel naar een priester. Hij maakte er zich kort van af en zei: „Wat u niet geloven kunt, hoeft u ook niet te geloven."

Dit antwoord bevredigde mij echter niet en ik ging naar een ander. Die ging er wat meer op in en vroeg, waar mijn twijfels vandaan kwamen. Ik zei hem: „Omdat ik in de protestantse Bijbel lees". Daarop vroeg hij: „Waarom leest u dan niet in de katholieke Bijbel?" Ik was ten zeerste verbaasd, toen ik vernam, dat er ook een katholieke Bijbel bestond. Toen die priester mij een katholieke Bijbel bezorgd had, begon het onderzoek opnieuw. Ik vergeleek de rooms-katholieke uitgave met de protestantse, maar ik kon er geen wezenlijk verschil in ontdekken.

Ik was erg blij met mijn nieuwe Bijbel en verborg mijn vreugde niet voor mijn protestantse kennissen, vooral niet aan het keukenmeisje. Maar ze zei: ,Jij wordt ook nog eens protestant, als jij zo blij met de Bijbel bent." Ik reageerde heftig: „Dat nooit!"

Maar vreemd: zoals eerst de Bijbel mijn nieuwsgierigheid opwekte, zo begon ik nu een sterk verlangen te krijgen om eens een protestantse kerkdienst mee te maken. Het keukenmeisje had mij nooit gevraagd om met haar mee te gaan, maar op een zondagmorgen ging ik toch, en ik hoorde toen een preek over de blind-geborene. En het werd mij duidelijk, dat dit wonder ook aan mij was geschied. Ook ik was blind geweest en ziende geworden.

Ik besloot nu verder te zoeken en ging geruime tijd 's zondagsmorgens naar de mis en 's avonds naar de protestantse dienst.

Maar steeds duidelijker werd het voor mij, dat in de r.-k. kerk geen evangelieboodschap werd verkondigd. Nooit hoorde ik er de blijde boodschap van de vergeving der zonde uit louter genade. Een kille sfeer kwam mij vanuit die preken tegemoet. Uiterlijk was de kerk rijk in haar liturgie en haar mooie gebouwen, maar innerlijk zo bedroevend arm. Ik herinner me nog een van de laatste preken, die handelde over de Heilige Hedwig. We werden aangespoord om haar na te volgen. We moesten ook zo braaf leven als zij.

Hoe heel anders waren de preken in de protestantse kerken! Daar kreeg je echt onderwijs. Daar leerde je altijd iets, waarmee je ziel gevoed werd. Daar werd het brood van Gods Woord altijd weer gebroken en aan de hongerenden aangeboden. Daar werd mijn geloof gesterkt. Daar ging ik steeds getroost vandaan. Daar werd het werk, dat God in mij begonnen was, versterkt.

Ik kon daarom op de duur de twijfel aan mijn kerk onmogelijk langer meer onderdrukken. Gods Woord sprak te sterk tot mij. Wat mij echter lang terug hield in de rooms-katholieke kerk, was de vraag: „Wat is dan de ware kerk van Jezus?" De verscheurdheid van het protestantisme kon ik maar moeilijk verwerken. Het was nog een zware zielestrijd voor mij.

God liet mij echter zien, dat allen, die Jezus volgen en zich in geloof aan Hem overgeven, de ware kerk uitmaken. Ik zag dat in het beeld van de goede Herder en Zijn schapen en verlangde ook een schaapje van de Heere Jezus te worden.

Het keukenmeisje bezorgde mij een boek, dat ik met grote belangstelling heb gelezen. Dat handelde over de martelaren van de reformatie. Zo iets had ik nog nooit gelezen. Men had mij alleen verteld over Luther, dat hij een afvallige monnik was. Maar in dat boek las ik van deze helden, die precies hetzelfde geloof beleden, dat ook mij zo gelukkig maakte. En deze mensen werden daardoor vervolgd door de rooms-katholieke kerk, werden gemarteld en gedood. Ik bewonderde deze martelaars, die stervend bleven getuigen van hun rijke geloof in Jezus alleen. Die ook in het aangezicht van de dood de kerk van Rome aanklaagden vanwege haar verschrikkelijke afdwalingen. Ik herkende in deze mensen mijn broeders en zusters in het geloof, en plotseling kreeg ik een grote genegenheid voor hen, en tegelijk een afschuw van de roomse kerk, aan wier handen het bloed van de kinderen Gods kleefde. Ik kon geen moment langer meer lid van die kerk blijven. Ik haastte mij weg uit deze stad des verderfs. En weldra deed ik belijdenis des geloofs in de Christelijke Gereformeerde Kerk.

Ik had mijn familie steeds over mijn strijd en twijfel geschreven en ook over de blijdschap, die ik in Jezus had gevonden. En vanzelfsprekend schreef ik ook, dat ik gebroken had met de Rooms-Katholieke kerk en katechisatie ging volgen bij een dominee.

Ik leefde zelf in de volle blijdschap des geloofs en daarom had ik niet vermoed, dat mijn bericht zulk een diep leed zou veroorzaken. De brieven, die ik echter als antwoord van thuis ontving, waren verpletterend voor mij. De was er gebroken van, toen ik merkte, hoeveel verdriet ik mijn lieve ouders had aangedaan. Ik was op mijn kamertje en snikte het uit: „O God, dit kan ik niet dragen!" Maar ik mocht heerlijk ervaren: Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht. Weer kreeg ik een intense ontmoeting met de Heere Jezus. Weer opende de hemel zich breed boven mij. Ik zag de goede Herder en wist mij een schaapje van Zijn kudde. Ik wist mij veilig bij Zijn liefde en bij Zijn kracht. En Hij Zelf legde Zijn Woord in mijn mond, zodat ik met geloofskracht kon zeggen:

„Als God voor mij is, wie zal tegen mij zijn? ' Al zouden ze mijn lichaam doden, mijn ziel kunnen ze niet doden, want die zal leven tot in eeuwigheid. Ik zag over dood en graf heen en God deed mij uitroepen: „Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft, door Jezus Christus, onze Heere."

Alle angst voor satan en hel werd uit mijn hart weggenomen. Ik mocht mij geheel geborgen weten, naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid in mijn Heere en Heiland, Die mij gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed. Het was Zijn eeuwige zondaarsliefde, die mij tot Zich trok. Hij verzekerde mij door Zijn Geest, dat ik altijd vrij tot God mocht gaan en Hem mijn Vader in Jezus Christus mocht noemen. En die vriend en Heiland wil allen helpen, die tot Hem gaan.

Met volle overtuiging kon ik zodoende aan mijn familie schrijven, dat ik alles wenste te verlaten, om de Heere Jezus te kunnen volgen, daar de liefdeband aan God1 mij boven alles en allen het hoogste was.

En nu na vele jaren kan en mag ik door Gods genade getuigen, dat de keuze van het smalle pad mij nog nooit berouwd heeft, en dat psalm 23 mijn heerlijke ervaring is gebleven tot nu toe: „De Heere is mijn herder…"

En ik bid en smeek, dat velen door het lezen van de Bijbel zich afkeren van de dwalingen, dat zij door de Heilige Geest mogen verlicht worden en dat het Evangelie hun doet kennen de heerlijkheid van Jezus Christus, welke is het beeld Gods. Bekeert u tot de levende God en tot de liefde van onze goedertieren Heiland en Zaligmaker„Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE HEERE LEIDDE MIJ

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 maart 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's