In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

PSALM 119:30 IK VERKOOS DE WEG VAN DE WAARHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PSALM 119:30 IK VERKOOS DE WEG VAN DE WAARHEID

15 minuten leestijd

Getuigenis van MARGARITA ALONSO, kandidate in de filosofie en de letteren.

„Voorwaarts dan, mijn dochter! De hand van God is met u. Jezus heeft u uitverkoren. Ik weet dat Hij u bijzonder lief heeft. Hij zal grote dingen met u doen. Schep moed en wees krachtig".

Deze woorden van een priester drongen diep door in mijn ziel als meisje van 15 jaar. Ik begreep toen nog niet dat hier een profetie in lag, dat God inderdaad grote dingen aan mij zou doen.

Ik woonde in het noorden van Spanje, een streek met veel mijnen en fabrieken. Op godsdienstig gebied was de bevolking over het algemeen koud of volslagen onverschillig. Desondanks of misschien juist daardoor voelde ik in mij een sterke neiging naar het geestelijke. God, dit verre en vreemde wezen waar bijna niemand belangstelling voor had, boeide mij in zijn geheimzinnigheid en steeds weer werd ik getrokken naar Hem toe. Ik kon nooit los komen van de gestalte van Jezus Christus. Machtig was de indruk die Hij altijd weer op mij maakte.

Als bij instinkt zocht ik het gezelschap van mensen die over God konden spreken. Ik sloot mij daarom aan bij een groep meisjes, die een geestelijke elite vormden en die altijd bereid waren om te arbeiden voor geestelijke dingen. Hun leven bewoog zich rond de rooms-katholieke kerk en ook mij trokken zij binnen in hun kring. Toen begon een nieuwe fase in mijn leven. Ik werd een en al toewijding aan de rooms-katholieke kerk. Met mijn volle jonge vuur werkte ik voor haar. Het geloof van deze kerk werd mijn geloof. Haar dogma's mijn volstrekte wet. Ik waagde het niet om ook maar ooit iets aan te merken op haar dekreten en richtlijnen. Haar triomfen en nederlagen werden de mijne. De „heilige moeder de kerk" had totaal bezit van mij genomen. Ik leefde haar leven.

Weldra drong het echter tot mij door dat niet allen die in de rijen van die kerk streden, oprecht waren. Ik kende zeer zeker goede priesters, maar er waren ook berekende opportunisten onder hen en sommigen hadden zelfs alle geloof verloren. Mijn vriendinnen waren over het algemeen bezield door een grote overgave, maar soms zag men plotseling achter al deze missionaire ijver en deze vele aktiviteiten in dienst van de kerk iets anders liggen. Dan zag je daarachter liggen de hang naar verstrooiingen die echter niet binnen haar bereik lagen. Dan wist je dat deze meisjes hun wereldse verlangens slechts gesublimeerd wilden beleven in hun godsdienstige uitingen. Dan was het dus duidelijk dat haar harten niet veranderd waren en dat al deze religieuze bedrijvigheid in wezen een natuurlijke achtergrond hadden, waaruit ze gevoed werd.

Ik leed onder de vele schijn en de middelmatigheid in de kerk. Ook al probeerde ik daar zo weinig mogelijk aan te denken en wilde ik vooral mijn aandacht vestigen op de waarlijk oprechte zielen die ik ontmoette.

Met deze meisjes groeide ik steeds meer in het leven van de rooms-katholieke kerk in. Steeds vaker ging ik biechten, op de duur minstens een keer per week. Ik had een zielsbestuurder en volgde strikt en nauwgezet zijn aanwijzingen.

Met alle intensiteit wierpen wij ons zo op de godsdienstige mogelijkheden binnen de rooms-katholieke kerk en er zat toch ook wel een grappige bekoorlijkheid in deze jonge geestdrift voor zulke hoge idealen.

Wij werden opgevoed in de klassieke ascetische leer, dat heiligheid alleen te bereiken is langs de weg van de afbraak van zichzelf, van de zelfverloochening zonder mate, van altijd maar weer lijden, van strenge lichaams-kastijdingen. Wij mochten geen medelijden hebben met onszelf. Dagelijks droegen wij boetekettingen en geselden ons *). Elke week vastten wij. Wij sliepen op de harde grond en brachten uren in gebed door.

In onze ijver deden wij meer dan van ons gevraagd werd. Onze dagen waren gevuld met arbeid en studie. Wij wilden echter meer tijd hebben voor het gebed. En wij wilden daarvoor onze noodzakelijke nachtrust opofferen. Dikwijls brachten wij de hele nacht door in gebed. En wij baden dan vooral voor de heiliging van de priesters.

Nog zie ik voor mij dit clair-obscure beeld: de kerk gehuld in het diepe duister van de nacht, terwijl slechts het flikkeren van de godslamp telkens iets van de zwaarste donkerte wegdrong. En daar, dicht bij het Allerheiligste, twee, drie meisjes - geknield, terwijl je in de verte de muziek van een nachtgelegenheid kon horen en soms een dronkaard lallend aan de kerk voorbij ging.

In gespannen nachtwake hoorden wij dan de uren over ons heentrekken in de slagen van de klok: een, twee, drie uur… totdat de dageraad begon te aarzelen aan de hoge gotische vensters en ons verwittigde dat wij moesten vertrekken.

Ik kende de droevige verzuchting van Jezus Christus: „De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders". En deze woorden waren voor mij een indringende roepstem en een zoete uitnodiging om mijn leven geheel te wijden aan de uitbreiding van Zijn Koninkrijk.

En toch, het kloosterleven dat in mijn kinderjaren een grote betovering voor mij was geweest, kwam toch ook niet tegemoet aan mijn verlangens als meisje. Ik kende nl. ook die andere bede van Jezus Christus: „Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze" Qoh. 17: 15). En daarom kon ik het niet eens zijn met het kloosterleven en verlangde daarom naar een leven van toewijding en apostolaat midden in de wereld. Ik werd daarom lid van een saeculiere religieuze vereniging, die een pater dominicaan bezig was op te richten. En in de beroemde basiliek van Fatima in Portugal heb ik de private geloften afgelegd van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid.

* * *

Zo wisselden studie en apostolaire bedrijvigheid elkander af in mijn leven. Totdat op zekere dag mij een ontzettend bericht bereikte: „Enrique (Nederlands: Henk) wil zijn kap over de haag hangen".

Ik werd er diep door geschokt en besteedde vele nachten aan innig en aanhoudend gebed, waarin ik aan God smeekte hem toch te willen verlichten.En op een morgen besloot ik hem persoonlijk te gaan opzoeken om met alle middelen te proberen hem van zijn voornemen af te brengen.

Henk kwam onder de indruk en nadat wij meerdere keren met elkaar gesproken hadden, beloofde hij mij om zijn priesterambt te blijven uitoefenen. Wij schreven elkaar nog meerdere keren en dan trachtte ik hem steeds op te beuren. Tenslotte wist ik niet anders dan dat Henk weer leefde en werkte als ijverig priester.

De tijd ging verder. Onze levens, die vastgeankerd lagen in volkomen overgave aan de rooms-katholieke kerk, leken hun definitieve richting gevonden te hebben. Maar God had andere bedoelingen met ons. En zonder dat wij er iets van merkten, leidde Hij ons met zachte en tegelijk sterke hand naar de plaats waar Hij ons hebben wilde.

Op zekere dag ontving ik een brief van Henk. Hij schreef mij daarin dat hij de Bijbel was gaan lezen en dat juist dat lezen van de Bijbel hem had doen twijfelen aan de leer van Rome en dat zelfs bij het licht van het Woord Gods meerdere roomskatholieke dogmata zich aftekenden als verschrikkelijke dwalingen.

Ik wilde hem weer gaan opzoeken om hem te overtuigen van zijn foutieve inzichten. Maar hij antwoordde dat hij meerdere protestantse boeken had gelezen die hem alleen maar bevestigden in zijn overtuiging.

Ik huiverde bij de gedachte dat hij protestant zou kunnen worden. Ik wist verder niets van het protestantisme af, dan alleen dat het verbitterde vijanden van het rooms-katholicisme zouden zijn. Maar dat was genoeg voor mij om mij meteen schrap te zetten en om, zonder naar reden te luisteren, fanatiek haar te gaan verdedigen die voor mij was: „de ene, ware, heilige katholieke en apostolische kerk". Ik herinnerde mij levendig de woorden die de pastoor van onze parochie eens gezegd had: „Het is beter dat een priester heel zijn leven doorbrengt in staat van doodzonde en dag in dag uit heiligschennend de Mis opdraagt en de sacramenten bedient, dan dat hij protestant wordt. Want ook na een heel leven van zware zonde kan hij aan het einde nog berouw krijgen en behouden worden. Maar als hij eenmaal bi j het protestantisme terecht is gekomen, dan is er geen hoop meer voor hem".

Arme pastoor! Nu zie ik dat U gelijk had, maar om een andere reden. Als een priester protestant wordt, dan heeft hij de waarheid van het Evangelie gevonden en dan kan hij niet meer terugkeren naar de dwaling. Dan is hij voor altijd met Jezus verbonden als een schaap met zijn Herder. En Jezus heeft beloofd, dat niemand Zijn schapen kan roven uit Zijn hand. (Joh. 10 : 28). Omdat hij dan in de hand van Jezus is, daarom is er dan geen hoop meer dat hij nog ooit terug zal vallen in de handen van Rome.

Het was een moeilijke beslissing voor mij. Maar hoe zou ik Henk kunnen begrijpen, als ik zelf niet de Bijbel ging lezen. En zo greep ik naar dat oude en eeuwige Woord van God.

Ik las en overdacht vooral het Nieuwe Testament, en dan in het bijzonder die gedeelten, waarover Henk telkens schreef.

En toen… begon ook ik te twijfelen. In deze enorme spanning werd het lezen van het Evangelie voor mij als een koorts, als een obsessie. Ik moest, ik wilde er meer van weten. En daarom zette ik, het zozeer aan Rome toegewijde meisje, alle bedenkingen opzij en ik vroeg aan Henk of hij mij ook de protestantse lektuur wilde zenden. Daarmee liep ik de zware kerkelijke straffen op. Ook ik had daardoor doodzonde gedaan. Ook ik zou in de hel komen als ik deze zonde van het lezen van reformatorische lektuur niet zou willen biechten.

Ik verslond deze boeken en boekjes. En langzaam maakte de angstige spanning plaats voor de rust, voor steeds diepere rust. Zoals de gestadige druppel de rots uitholt, zo drong het Woord Gods langzaam in mijn ziel door en bracht er een diepe verandering tot stand. Het beeld van Jezus Christus rees nu voor mij op in de eenvoud en zuiverheid van het Evangelie. De contouren van zijn gestalte tekenden zich steeds scherper voor mij af. Hij begon mij te trekken met een nieuwe ongekende kracht. Zijn licht begon door mijn gehele wezen heen te stromen.

Ik begon te begrijpen, dat het in wezen niet gaat om roomse of protestantse dogma's, maar om Jezus Christus, om Hem alleen. Deze Jezus, die de apostelen en evangelisten beschrijven; deze Jezus die bij hen geleefd heeft.

Ik bleef nog enige tijd de rooms-katholieke kerk bezoeken. Maar daar ontmoette ik niet die Jezus Christus, die ik in zijn betoverde heerlijkheid ontdekt had bij het lezen van de Bijbel, deze Jezus met zijn nieuwe en verlossende boodschap.

Daar werd over allerlei bijkomstige dingen gesproken, maar de kern van de blijde boodschap vernam ik er niet.

Daarom ging ik op een zondagmiddag naar een protestantse kerk. Daar hoorde ik tot mijn grote verbazing over Christus spreken, precies zoals ik hem had gezien in de lichtende eenvoud van het Evangelie. Daar werd alleen het Woord Gods gepredikt dat bij het lezen van de Bijbel mij reeds zoveel zegeningen geschonken had.

Op deze heel eenvoudige manier brak ik met de rooms-katholieke kerk. Ik had dat niet voor mogelijk geacht. Ik zat immers met al de vezelen van het fanatisme vast aan de rooms-katholieke kerk. Ik had gedacht dat ik daarom zulk een hevige inwendige strijd en zulke ontzettende vertwijfelingen zou moeten doormaken, als ik deze kerk wilde loslaten, dat ik daarbuiten toch nooit de vrede zou kunnen vinden.

En als de boze mijn ziel met angsten wilde overspoelen, dan bad ik aanhoudend de bede van de psalmist: „Zend, Heere, uw licht en waarheid neder", zoals Henk mij had aangeraden.

En de Heere luisterde. Hij zond naar mij Zijn licht en waarheid en kleedde ze in de vorm van vrede en blijdschap. De rooms-katholieke dogma's zeiden mij niets meer. Het waren immers „leringen en geboden van mensen" (Matth. 15 :9).

Christus werd weldra het middelpunt van mijn leven. Hij nam mijn diepste innerlijk in beslag. De was niet langer meer een intellektueel en religieus wezen. Ek werd wedergeboren tot kind van God. Zuiver heb ik deze heerlijke werkelijkheid ervaren in mijn hart.

Nu leef ik als evangelisch christin. Ik heb de volle zekerheid dat ik de weg van de waarheid gekozen heb. Of beter, de Heere heeft mij uitverkoren, want hij heeft ons immers voor Zijn Koninkrijk voorbestemd van voor de grondlegging der wereld. Ik zie nu duidelijk dat de kerk van Rome zich door de eeuwen heen in ernstige mate verwijderd heeft van het zuivere en eenvoudige Evangelie.

Steeds had zij mij voorgehouden dat ik mijzelf verlossen kon door mijn goede werken. Maar dat is niet waar. Het enige dat ons verlost, is het geloof in de Zoon van God. Anders zou immers zijn offer nutteloos zijn geweest. Er is een groot verschil tussen het verrichtten van goede werken, opdat wij daardoor behouden zouden worden, - en het verrichten van goede werken, omdat wij reeds behouden zijn, omdat wij een levensband met Jezus hebben, en aldus vanzelf uit de innerlijke aandrang van Zijn Geest in ons vruchten van levensheiliging voortbrengen. Dit verschil dat sommigen misschien niet belangrijk vinden, heeft voor mij wezenlijke betekenis gekregen. Ik ben daardoor in een volkomen nieuwe houding tegenover God komen te staan.

Allereerst een houding van ootmoed. Al die verstervingen en strenge boetedoeningen wekken immers onbewust het ijdele zelfbehagen op. Zij voeden een geheim gevoel van hoogmoed en koesteren en geraffineerde zelfhandhaving. En dat geldt niet alleen voor mijzelf. Ik heb ook met anderen hierover gesproken die evenals ik deze dingen ernstig namen en zulk een streng leven leidden. Zij hebben mij dezelfde bekentenis gedaan. Dit ijdele gevoel is zeer moeilijk uit te roeien en het is des te gevaarlijker omdat het zo subtiel is en zich vermomt in een fijngeestelijk gewaad.

Maar deze hoogmoed en deze zelfverzekerdheid kon geen stand meer houden toen ik duidelijk zag en aanvaardde de eenvoudige evangelische waarheid: Ik ben een zondares en ik ben niet in staat om het goede te doen. Mijn goede werken kunnen de gunst van de hemel niet verdienen en nog veel minder kunnen zij het kwaad van mijn zonde herstellen en mijn heil verwerven. Het is alleen Jezus Christus die dat voor mij kon doen en… Hij heeft het gedaan! Zijn naam zij geprezen! Alleen het bloed van Jezus Christus kan mij reinigen van mijn zonden. Alleen daardoor kan ik voor eeuwig behouden worden. Tegenover zulk een belijdenis is er alleen maar plaats voor diepe ootmoed.

En vervolgens is mijn liefde tot God toegenomen en heeft een ander karakter gekregen.

Voor de rooms-katholieken is God alleen maar de Heer, de patroon die hun al het goede vergelden moet dat zij gedaan hebben. Volgens hen hebben zij zich kredieten vergaderd bij God en hebben zij recht op de hemelse gunsten. Zo beschouwde ik God ook.

Maar nu ik in het Evangelie leef, nu weet ik dat God mijn Vader is, die mij niet betaalt omdat ik in Zijn dienst werk, maar die mij alles gratis geeft. En omdat Hij mij zo binnen heeft getrokken in deze enige en belangeloze liefde van een Vader, daarom is Zijn Koninkrijk ook mijn Koninkrijk, mijn zaak, mijn liefde en mijn al geworden. Ik doe nu het goede, niet om er „een salaris" mee te verdienen, maar daardoor jegens Hem mijn dankbaarheid te uiten voor mijn redding.

Als men zo leeft volgens deze klare lijn die de Bijbel voor ons trekt, dan hebben wij geen voorschriften en geboden van mensen meer nodig. De liefde en de onmetelijke dankbaarheid die onze ziel dan overstroomt, zullen ons steeds de juiste weg aantonen die wij volgen moeten.

Nu ervaar ik de wonderbare vrijheid der kinderen Gods in die eenvoudige richtlijn van Jezus: „De liefde is de vervulling van de wet".

O, dat velen en in het bijzonder vele rooms-katholieken deze weg mogen vinden. Heere, geef hun Uw licht, opdat zij nimmer meer op hun goede werken vertrouwen, „want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn" (Ps. 143:2).

Vroeger heb ik veel gebeden voor de rooms-katholieke priesters. Ik zal dat blijven doen en met nog meer intensiteit, opdat ook zij verlicht mogen worden door het Woord van God, zoals dat met mij gebeurd is. Ook zij zullen de Heere ontmoeten, als zij Hem zoeken in oprechtheid des harten.

In mijn moeilijkste uren heb ik dikwijls met de psalmist verzucht:

„Maak mij bekend de weg die ik te gaan heb,
want ik hef mijn ziel tot U op".
(Ps. 143 : 8).

En:

„Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten;
zie, of bij mij een schadelijke weg is,
en leid mij op de eeuwige weg"
(Ps. 139 : 2 3, 24).

En God heeft mij verhoord door mij te voeren op de weg van de waarheid. En daarom voel ik mij gedrongen om het aan iedereen te verkondigen en het altijd weer te herhalen:

„Looft de Heere, want Hij is goed,
want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
Dien, Die alleen grote wonderen doet,
want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid"
(Ps. 136: 1,4).

* Het verbaasde mij zeer toen Margarita mij vertelde dat in Spanje deze geseling en dit dragen van boetekettingen ook nog gebeurt bij mensen die niet eens in het klooster leven. Zelf heb ik deze lichaamskastijdingen beschreven in „Mijn weg naar het Licht", blz. 42-4.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

PSALM 119:30 IK VERKOOS DE WEG VAN DE WAARHEID

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 februari 1983

In de Rechte Straat | 32 Pagina's