In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DOEM OF DAAD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DOEM OF DAAD

9 minuten leestijd

Die ontkenning loopt door het hele boek heen, maar wordt soms ook uitdrukkelijk geponeerd.

„Achter deze interpretaties van Jezus' dood ligt de theologische gedachte dat God een plaatsvervangend offer wilde. Dit zou Hem genoegdoening geven, en opgrond van deze voldoening zou Hij de zonden van mensen ongestraft kunnen laten en vergeven" (p. 189).

In een eerdere bespreking van een boek van dr. Wiersinga, (nl. in IRS juni 1971) schreef ik o.a.: „Dat is een karikatuur van de toornende God, waarover de Bijbel spreekt. We lezen dan ook nooit dat God of dat Christus „woedend" of „razend" wordt. Als iemand woedend is, dan komt dat omdat hij zich alleen maar persoonlijk gekrenkt voelt. Maar het toornen Gods ontstaat vanuit een schending van Zijn verpersoonlijkte Rechtsorde. Wat ik daarmee bedoel, hoop ik verderop duidelijk te maken" (p. 4).

Wiersinga vervolgt dan in dit nieuwe boek: „Dit lijkt mij zo'n vertekening van het bijbelse Godsbeeld en ook een vertroebeling van Jezus' eigen omgang met zijn Vader, dat ik deze offervoor stelling afwijs als een aantasting van de strekking van het evangelie". Ik herhaal: Wiersinga geeft hier zelf een vertekening van wat de kerk der eeuwen heeft bedoeld met' de belijdenis van het plaatsvervangende lijden en sterven van Christus. En dan is het gemakkelijk die leer te bestrijden.

Ik geef toe dat er heel wat predikers zijn geweest (en helaas nog steeds zijn) die aan de mensen zulk een karikatuur van het bijbelse Godsbeeld voorhouden. Zij stellen God voor als een willekeurige despoot, die plotseling in onberekenbare woede kan uitbarsten, een vader aan wiens grillen en luimen het kind bevend is overgeleverd. Maar nogmaals, dat heeft de kerk der eeuwen nooit geleerd.

Wiersinga heeft nooit begrepen wat de kerk daarmee bedoelde, wanneer ze eerbiedig uitsprak dat Christus, Gods Zoon, onze schuld plaatsvervangend op Zich heeft genomen. En vanuit dat onbegrip komt hij dan opnieuw tot zijn stelling: „Christus neemt de zonde van de wereld weg door zich beschikbaar te stellen tot en met het dodelijke einde. Principieel en voorbeeldig helpt hij (kleine letter van W.) daarmee de zonde uit de wereld" (p. 190).

Ook het wezen van het bijbelse berouw heeft Wiersinga niet begrepen. Dat blijkt opnieuw op p. 46. Hij schreef daar over een vrouw die met veel pleizier naar de diensten ging („het was nog in het begin van de jaren '60"), „maar dat pleizier werd steevast bedorven door die schuldbelijdenis: mijn schuld, mijn schuld, mijn zeer zware schuld". „Je kunt je de ontgoocheling voorstellen, juist als je mooi bent (en dat was ze) enfeestelijk gekleed (dat kon zij zich permitteren)".

En W. kan zich die irritatie goed voorstellen. „Zou Gods genade werkelijk groter worden naarmate mensen maar gekleineerd worden? Zou Hij op zulke ingestudeerde hoogstandjes en zulke nadrukkelijke kniebuigingen gesteld zijn?".

Uit zulke vragen blijkt duidelijk dat W. nimmer het wezen van het religieuze heeft aangevoeld. Ik zou hem de raad geven om eens te lezen „Het heilige" van Rudolf Otto. Misschien helft dat boek hem een eind op weg.

Hier wreekt zich trouwens het sterk rationele element dat het protestantisme van Nederland hier en daar heeft stukgevreten. Zonder „bevinding", ervaring, beleving, geloofsintuïtie of hoe men dat ook maar noemen wil, is de kern van de bijbelse boodschap niet te verstaan. Wie de Bijbel in een rationeel schema meent te kunnen vangen, maakt de inhoud van de Bijbel kapot, haalt het echte leven eruit. In de Bijbel spreekt de Schepper tot Zijn schepsel, de Vader der barmhartigheid tot Zijn schuldig kind. Dat is met de rede niet te vatten.

In het berouw geef ik mij niet noodgedwongen over aan die hogere, eisende Macht. In het bijbelse berouw erken ik dat deze God ten volle recht heeft om over mij te toornen, niet zozeer omdat Hijzelf gekrenkt is, maar omdat Zijn eeuwige Rechtsorde die in Hem ver-Persoonlijkt is, geschonden werd door mij. Daarom kan die zelfaanklacht in dat bijbelse berouw zo verscheurend zijn. Ze richt tegen mij, tegen mij persoonlijk. „Ik, ik heb gezondigd!".

Maar daarom kun je ook zo hartstochtelijk je vreugde om de vergeving uitschreien aan de boezem van de barmhartige Vader van Jezus Christus. Dat zijn de heerlijke, verlossende tranen van berouw en verzoening, die een mens helemaal oprichten, die hem oneindige, vertroostende perspektieven bieden.

Van de andere kant heeft Wiersinga echter ook zeer waardevolle opmerkingen in zijn boek. Enkele daarvan wil ik hieronder laten volgen.

„In onze westerse traditie ligt het voor de hand om zonde op te vatten als een overtreding van een aantal regels of voorschriften. Vandaar onze onbedwingbare neiging tot moraliseren: d.w.z. de moraal krijgt de voorrang boven personen, de regels gaan vóór de relaties. In deze sfeer zondig je niet tegen mensen, maar tegen „dingen": de norm of de orde. De bijbelse teksten vertonen echter een totaal ander beeld. Zonde is daar een relationeel begrip. Je zondigt tegen personen met wie je in relatie staat" (p. 97).

Zijn opmerking over Gen. 3, 2-3: „Gij zult de boom zelfs niet aanraken" - is psychologisch heel raak. „De overdrijving van het verbod (Eva voegt zelf het aanrakingsverbod eraan toe!) verraadt een afweermechanisme met betrekking tot latente wensen. De dood werd voor haar een reële dreiging. In die angst probeert zij zich de handen te binden. Nu, wie de zonde zo krampachtig uit de weg probeert te gaan, kan die zonde niet meer vermijden" (p. 105).

Zo zou ik nog meer goeds uit dit boek kunnen citeren. Maar dat alles wordt overschaduwd door de dwaling, die hij in dit boek verder doortrekt in de pertinente ontkenning van de leer over de erfzonde.

Het is bijna grof, wanneer hij als redenen waarom de christen-theologen het schuldkarakter van de erfzonde maar moeilijk kunnen laten vallen, aangeeft: „In de eerste plaats bood de erfzonde-theorie een welkome mogelijkheid zichzelf te verontschuldigen. De zonde was er vóór ons: wij kunnen er niets aan doen! Adam en Eva krijgen de schuld; soms ook God die dit zo noodlottig liet gebeuren. De erfzonde wordt zo een eerste klas alibi: wij waren er niet bij toen het misging, daarom is ons ook niets te verwijten als het erop aankomt! Kort gezegd: erfzonde ontslaat ons van onze verantwoordelijkheid voor de gang van zaken. Pas wanneer wij het schuldkarakter van deze „erfzonde" laten vallen, kunnen wij er ons niet meer achter verschuilen en krijgt onze wérkelijke schuld de noodzakelijke aandacht. In de tweede plaats werd door de erfzondetheorie een doem over ons bestaan gelegd. De idee erfzonde „egaliseert" de menselijke zonden tot noodzakelijke uitvloeisels van één grauwe erfmassa. In dit donker zijn alle katten grauw. Onze keus en ons gevecht zijn al apriori zonder werkelijk belang. We zijn immers allemaal en altijd fout, en vanwege het onuitroeibare virus van de erfbesmetting blijft dat ook zo in de toekomstlDe feitelijke geschiedenis van onze daden en nalatigheden verliest haar gewicht, terwijl zonde juist te maken heeft met onze geschiedenis. Met wat er gebeurt en door wie, wat iemand aangedaan wordt en wie het slachtoffer is … Door deze grauwsluier van de erfzonde vervagen de interesse, de inspanning en de verontwaardiging (alles wat onze verlamming zou kunnen doorbreken) tot niets. Wie zonde „naturaliseert" neutraliseert haar tegelijkertijd." (p. 68)

Het is waar dat christen-theologen soms niet voldoende het verschil tussen het schuldkarakter van de erfzonde en van de persoonlijke zonde voor ogen hebben gehouden, maar het is wel een zeer zware aanslag op de integriteit van deze theologen, wanneer W. beweert dat ze aan die erfzondeleer vasthouden als een welkome mogelijkheid om rustig allerlei persoonlijke zonden te kunnen bedrijven. Wat zou hij ervan denken, wanneer wij als motief van zijn ontkenning van de erfzonde zouden aangeven de geldingsdrang van Wiersinga, zijn weigering om in ootmoed te buigen voor een God die ons in onze stamouders mede-aansprakelijk stelt? Dat is toch niet het niveau waarop wij theologisch met elkaar van gedachten moeten wisselen.

En weer wil ik wijzen op een waardevolle opmerking van Wiersinga nl. wanneer hij aantoont dat zonde niet slechts te maken heeft met de direkte omgeving waarin wij leven, maar ook met de grote wereld waarin wij leven. Dat wordt in sommige piëtistische milieu's wel eens vergeten. Daar denkt men soms dat je er niets mee te maken hebt dat er elders in de wereld honderdduizenden, ook kinderen, omkomen van de honger, omdat de strukturen in die landen zelf, maar ook in de gehele wereld, daar oorzaak van is. Zulk een gedachte is in strijd met het gemeenschapsdenken dat de gehele Bijbel beheerst en waarop ook de leer van de erfzonde is gebaseerd. Wiersinga schrijft:

„Met de zonde zijn anderen, medemensen en hele groepen mensen, gemoeid. In het voorgaande hoofdstuk heb ik in eerste instantie aan de relaties op kleine schaal gedacht, aan partners en collega's, vrienden en familieleden. Vaak beperkt men zich tot deze kleine kring van tussenpersoonlijke verhoudingen wanneer men zijn zonden probeert te concretiseren. Was ik gehoorzaam aan mijn ouders? Stond ik broers naar het leven? Werd ik ontrouw aan mijn partner? Stal ik van de buurman? Roddelde ik over derden? Was ik jaloers op het bezit van een ander? En zo voort! Maar het lijkt mij irreëel om alleen de eigen overzichtelijke omgeving bij de invulling van de zonden te betrekken. Wij hebben in onze kleingeworden wereld met veel en veelsoortige ruimere verbanden te maken, of we willen of niet. Namelijk met de „grote" wereld van de politiek.

Gaandeweg beseffen wij hoezeer ons privébestaan in verband staat met de hele samenleving. Wij leven in een uiterst ingewikkeld netwerk van wisselwerkingen tussen ons gedrag en het patroon van onze wereld. Hoe we ons geld verdienen en verdelen, besteden en beleggen; ons woonpatroon en consumptiegedrag, ons vervoer en onze levensstijl; de praktijk van ons beroepswerk en het arbeidsethos daarin; huishoudelijk werk en dagindeling, vrijetijdsgebruik en vakantiebesteding; heel bepaald onze visie op de sociale en economische situatie in eigen bedrijf en plaats, maar ook regionaal, landelijk en internationaal; hoe we denken, praten, stemmen - dit alles en nog veel meer wordt beïnvloed door onze samenleving én beïnvloedt op zijn beurt die samenleving. Ons persoonlijk bestaan, ons eigen doen en laten, is op duizend manieren verweven met de politieke gang van zaken in onze wereld." (p. 109/110).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1982

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DOEM OF DAAD

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 december 1982

In de Rechte Straat | 32 Pagina's