DE VERPLICHTE BIECHT
Een eerste gevolg is geweest dat de biechtpraktijk volkomen is teruggelopen. Momenteel zijn er nog maar weinig rooms-katholieken in Nederland, die geregeld te biecht gaan bij de priester.
Dat is dan tevens een historische ontmaskering van een leugen, waarmee wij, priesters, vroeger opereerden. Om de parochianen er toe te bewegen hun zonden te biechten, zeiden we vaak: „Wij, rooms-katholieken, hebben het grote voorrecht van de biecht. Wij kunnen onze zondelast daar kwijt. De protestanten benijden ons vanwege deze vrede en vreugde van de biecht".
Hoe benijdenswaardig die biecht zou zijn geweest, is nu gebleken. Toen er wat meer vrijheid in de R.-K. Kerk van Nederland kwam, was het de biechtpraktijk, die de rooms-katholieken als eerste lieten vallen. Zo begerenswaardig was blijkbaar dan toch die biecht niet met zijn „vrede en vreugde".
Zeker, ook wij, protestanten, zijn voorstanders van een biecht, maar dan een biecht overeenkomstig de voorschriften van de Bijbel nl. dat wij elkaar onze zonden moeten belijden (Jak. 5:16). Wanneer wij tegenover een ander iets misdreven hebben, dan moeten we dat tegenover hem belijden en hem om vergeving vragen. Doen we dat niet, dan blijft ons geweten ons achtervolgen. En in elk geval zullen we dan de waarachtige vrede met God missen. We worden dan telkens, met name door het Onze Vader, eraan herinnerd dat God ons onze schulden niet wil vergeven, wanneer wij de schuld van een ander niet willen vergeven en nog minder, wanneer wij de schuld die wij aan een ander hebben, niet willen goedmaken. Wanneer wij ons niet met onze naaste willen verzoenen, hoe kunnen we dan ooit de vrede van de verzoening met God genieten?
U weet dat deze paus de verplichte biecht weer wil invoeren. En in Nederland gaat mgr. Gijsen daarin voorop. Maar ook in de zestiger jaren werden daartoe nog pogingen ondernomen door niemand minder dan kard. Alfrink. We plaatsen hieronder opnieuw een artikel uit IRS maart 1968.
Kardinaal Alfrink: (Foto op pag. 11)
De verplichting om de grote zonden te biechten aan een priester móet blijven!
In een brief van 7 december 1967 aan de priesters in het aartsbisdom heeft kard. Alfrink opnieuw herinnerd aan de verplichting om de grote zonden aan een r.k. priester persoonlijk te biechten en met de meeste ernst de hier en daar opkomende gewoonte van een algemene vrijspraak verboden. (Zulk een vrijspraak heeft veel gelijkenis met de in veel protestantse kerken voorkomende schuldbelijdenis en genadeverkondiging.) Hij verwijst naar het „Herderlijk Schrijven van de Ned. Bisschoppen" van 16 maart 1965, dat handelde over boete en vergeving, en verklaart dat dit schrijven onverkort gehandhaafd blijft. Daarin stond o.a. te lezen: „Voorts wijzen wij erop dat in de Kerk van oudsher de verplichting bestaat om zware zonden uitdrukkelijk te belijden in de biecht. Het is goed dat ieder zichzelf onderzoekt om te zien of hij deze werkelijke verplichtingen ontduikt" (Kath. Arch., 16 april 1965, kol. 476).
Kard. Alfrink schrijft dan zelf: „U kunt weten dat ik graag de vrijheid laat waar dat mogelijk is. In dit geval kan dat naar mijn geweten niet. Ook al kan de Kerk (bedoeld is: alleen de R.-K. Kerk H.J.H.) de bediening van de zondevergeving die aan haar is toevertrouwd, anders regelen dan thans geschiedt, deze mogelijkheid behoort niet tot de competentie van de individuele priester of bisschop, ook niet aan een groep priesters of een groep bisschoppen. Ik meen te mogen aannemen dat u bereid zult zijn in deze zeer ernstige zaak loyaal te staan tegenover uw bisschop" (Kath. Arch. 12 jan. 1968, kol. 48).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
