AMBTSGEHEIM VAN PREDIKANTEN
Daartegenover werd het dan vaak voorgesteld alsof een predikant van een protestantse kerk geen ambtsgeheim kent. Die vertelt immers alles toch aan zijn vrouw - zo werd gezegd - en dan rolt het geheim meteen door de hele gemeente heen. In verband daarmee wil ik hieronder een gebeurtenis vertellen die we 18 jaar geleden hebben meegemaakt. Ik heb dat relaas toen meteen geschreven, maar heb het niet eerder willen publiceren dan nu, omdat ik niet wilde dat de hoofdpersoon van dit verhaal ook maar enige schade zou ondervinden vanwege deze publikatie. Thans bestaat dat gevaar echter niet meer. Ik schreef:
FANTASTEN EN HUN SLACHTOFFERS
We werden opgebeld uit Saarbrücken. Een Duitse dominee vertelt over een moeilijk geval, een Franse ex-priester die erg gespannen is en hoognodig wat rust moet hebben. Of hij enkele weken op de Wartburg mag komen. Vanzelfsprekend vonden we dat goed.
Daar kwam dan vriend T. Nerveus, druk, sjofel gekleed, grote gaten in het enige paar schoenen dat hij bezat. Een gat in zijn versleten kostuum. We namen hem mee naar een kledingmagazijn. Het werd een heel andere man, een heer.
Maandag was hij gekomen. Hij wist een goed argument te geven waarom hij de R.- K. Kerk verlaten had. „Kijk nu eens Johannes. Die heeft Maria toch goed gekend. Hij is heel oud geworden toen Maria al lang gestorven was. Maar in zijn geschriften spreekt hij op geen enkele wijze over de ten-hemel-opname van Maria, over de noodzaak om haar aan te roepen, enz.".
We dachten: tjonge, jonge. Dat heb je goed geformuleerd. Maar: nerveus vonden ook wij hem. Inderdaad wat overspannen. Zo dachten we de eerste dag, maar de tweede: Nou het is dan toch wel een heel zware overspanning. En de derde: Helemaal betrouwbaar is hij in elk geval ook niet. De vierde dag steeds grotere twijfel: Er waren drie Spaanse ex-priesters in huis. Zij wilden Latijn met hem spreken. Maar het leek wel of hij niets afwist van het Latijn. „O nee, spreken jullie maar Spaans. Dat versta ik wel ongeveer".
De vijfde dag wisten we het zeker. Maar toen kreeg ook hij dóór, dat wij hem dóór hadden. Ik was vast van plan de vreemdelingenpolitie in te schakelen. Maar ik moest die avond weg. Daarom besloot ik het uit te stellen tot de volgende dag. Maar 's avonds ging de vogel ervandoor. Hij zei tegen mijn vrouw: Ik zal die Duitsers eens een lesje lezen.
De beroemde pianist Yasowsky
Nou, dat heeft hij dan ook gedaan. Nauwelijks was hij in Keulen of hij wist zich in te dringen in een theatergezelschap. Hij stelde zich voor als „de bekende pianist Yasowsky van New York". Men vroeg hem: Speel eens wat voor ons. Neen, dat deed hij alleen maar in grote concertzalen. Maar hij had wel een uitvoering van een stuk op de band dat door hem gespeeld was, en dat draaide hij af. En de artiesten van Keulen geloofden het.
Ze zouden dinsdag een toneeluitvoering hebben. In de pauze wordt Yasowsky aan de bezoekers voorgesteld als de grote eregast van Keulen, de beroemde pianist Yasowsky. Het publiek applaudiseert. Onze vriend buigt minzaam. Tot drie keer toe moet hij terugkomen. „Bravo!", het is me ook geen kleinigheid voor de stad Keulen, met zulk een bezoek vereerd te worden.
Yasowsky's grote kunstenaarshart was diep getroffen en in een wijds gebaar nodigde hij het theatergezelschap uit voor een geweldig souper.
Half elf. Theaterdirekteur Durek en zijn acteurs zitten aan tafel. De kaarsen spelen met hun flikkerlichtjes in de zilveren schalen. Yasowsky had een rijk menu uitgezocht, een Rotschild waardig. De duurste Franse wijnen, neen, geen Duitse, dat is maar bocht, - „als u begrijpt wat ik bedoel". O die geestige Yasowsky! Ja, zegt hij, voor mijn vrienden is het beste nog niet goed genoeg.
Maar Yasowsky zit in de bar en giet wat aperitiefjes naar binnen. Ach ja, die beroemde kunstenaars hebben nu eenmaal zulke eigenaardige gewoonten. Zij, artiesten van Keulen hoewel mindere grootheden, kunnen dat zo goed aanvoelen. Intussen worden foto's genomen. Zulk een heerlijke maaltijd moet voor goed worden vastgelegd.
Plotseling is Yasowsky verdwenen. De waardin gaat hem na. Yasowsky zegt: „Och ja, ik heb mijn overjas vergeten. Ik kom zo terug. Ik ga even naar het station bloemen kopen".
Maar de kastelijn, Werner Horbert, vertrouwt het zaakje niet erg meer. „Weet je wat", zegt hij, „ik ga met u mee". Stap, stap, stap. Halverwege zegt Yasowsky: „Och, ik heb eigenlijk geen zin. Het is zonder bloemen al mooi genoeg". Hij zoekt een smoes om van de kastelijn af te komen. Maar deze roept een taxi, stopt de „wereldberoemde pianist" erin en zegt: „We gaan samen bloemen kopen". Chauffeur, rij ons maar naar het politiebureau".
Intussen is de vrolijkheid in het restaurant steeds meer gestegen. De „Chateau neuf du Pape", 15de jaargang, smaakt uitstekend. De avondkleding geeft altijd zo'n feestelijke en voorname sfeer. Het loopt nu al naar half twaalf toe, de gastheer is er nog niet. Maar wat geeft dat.
Maar kijk, daar is dan toch eindelijk de gulle onthaler. Met verdwaasde blikken, haren helemaal door de war, staat hij daar tussen de kastelijn en de politie. De kosten van het souper: 700 Mark… voor rekening van de gasten.
De volgende morgen stond met grote koppen in de „Kölner Stadtanzeiger" (2 sept. 1965):
„Yasowsky bat zum Festmahl. Hochstapler (flessentrekker) inszenierte moderne Komedie".
Ambtsgeheim
Dezelfde avond trok een journalist van de Stern naar Velp. Hij nestelde zich in een restaurant en achterhaalde al spoedig waar hij moest zijn : in de Wartburg.
Op donderdagmorgen werd al om acht uur bij ons gebeld. Hij toonde zijn perskaart en vroeg om een onderhoud. Met alle plezier. Uit zijn mond hoorde ik voor het eerst van de avonturen van vriend T. in Keulen.
Maar de verslaggever wilde natuurlijk heel wat anders van mij weten. „Yasowsky" had het ook klaargespeeld om geld af te troggelen van een verpleegster die hij het hof had gemaakt. Als een heel theatergezelschap erin vliegt, wie kan het dan een eenzaam meisje kwalijk nemen dat ze ging geloven in de hoofse manieren van deze bonvivant.
De verslaggever had wel de klok horen luien, maar wist niet waar de klepel hing. En hij wou maar hebben dat ik hem die klepel aanwees, dat ik nl. de naam en het adres van die verpleegster zou vertellen. Dat zou natuurlijk een heerlijke kluif zijn voor een sensatieblad.
Ik weigerde ook maar enige inlichting te geven. Ik zei: Over de heer T. kunt u mij alles vragen. Hij is een oplichter. Hij verdient niet meer. Het is nodig dat de mensen gewaarschuwd worden tegen zulke „Hochstaplers". Maar dat meisje, neen, onder geen voorwaarde vertel ik iets over haar. Zij is slachtoffer geworden en ze heeft er verdriet genoeg van. Het zou onmenselijk zijn om haar nog meer verdriet aan te doen door haar prijs te geven aan de onbeschaamde blikken van jan-publiek.
Hij bleef maar aandringen. Ik had intussen gemerkt dat hij r.katholiek was. Ik zei hem: U weet dan toch dat er ambtsgeheim is. Uw kerk kent toch de strenge verplichting van het biechtgeheim. Ja, ja dat was dan wel zo maar toe nou, zou u het toch niet zeggen: Haar voornaam is Ursula. - Dat was inderdaad zo. Wist hij dat of was het maar een gok? In Duitsland lopen er evenveel Ursula's rond als hier Marie's. Tenslotte bood hij mij geld, als ik de naam zou zeggen. Toen werd ik toch een beetje kwaad. Ik zei: Wat denkt u wel, dat ik mijn ambtsgeheim zou verkopen voor geld? Dat ik het verdriet van dat meisje zou omzetten in klinkende munt. Dat ik dure wijn ga drinken van haar tranen?
Hij stond op, nam afscheid en zei: „Ik moet uitdrukking geven aan mijn groot respekt voor u, omdat u zo onverbiddelijk hebt vastgehouden aan uw ambtsgeheim. Ik zal dit niet meer vergeten. Het heeft een onuitwisbare indruk op mij gemaakt".
GEVANGENISBRIE VEN
Zoals elke beroemdheid schreef ook „Yasowsky" (- u hebt natuurlijk allang begrepen dat dat niet zijn eigenlijke naam was. Overigens een uitstekende vondst. Het doet je aan Tsjaikovsky en dat soort grootheden denken) zijn brieven uit de gevangenis.
„Ik wil niet langer leven. Ik zoek de dood. Ik had mijn kop verloren. Ik ben dwaas geweest. Ik heb te zeer geleden in mijn leven, daarom kom ik tot zulke waanzinnigheden. Ik vind het ontzettend jammer dat dit zich heeft voorgedaan. Zodra ik uit de gevangenis ben ontslagen, wil ik hard gaan werken om u te kunnen terug betalen wat u aan mij besteed hebt: de nieuwe kleding, de schoenen enzovoort".
Vriend T. heeft echter later nooit meer geschreven en heeft nooit geld gestuurd. Wie dat wèl heeft gedaan? De Duitse kerk. Ik kreeg een brief, waarin zij schreven hoezeer zij het betreurd dat dit was voorgevallen. - Och, als een heel theatergezelschap er zomaar pardoes invliegt, hoe kun je dat dan die Duitse dominees kwalijk nemen, want T. sprak maar heel weinig Duits en zij hadden moeite met het Frans -. Ze vroegen welke kosten we hadden gemaakt voor de „beroemde pianist", en binnen twee weken kwam hier een chek binnen, waarmee alles vereffend werd.
KOMMENTAAR VANUIT 1982
Uit dit verhaal kunt u opmerken dat ons werk van de opvang van ex-priesters soms niet zonder gevaren was.
Eén keer kregen we een priester hier, die een revolver bij zich had. Hij liet die aan een van onze kinderen zien. Later vertelde hij ook aan ons dat hij van plan was geweest zelfmoord te plegen, wanneer hij de vrede waarnaar hij zocht, niet zou kunnen vinden. Een andere keer kregen we bezoek van iemand van achter het IJzeren Gordijn. Een uitermate nerveus iemand. We hadden allen een beetje schrik van hem. Gelukkig bleef hij slechts één nacht. Maar genoeg hierover. De Heere heeft ons en onze kinderen al die jaren beschermd en onze kinderen hebben er altijd alle begrip voor gehad dat wij deze mensen in nood moesten opnemen, ook in de warmte van het gezinsleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 november 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
