In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE GAVEN VAN DE GEEST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE GAVEN VAN DE GEEST

7 minuten leestijd

Zo verblijdde het mij zeer dat daarover een gedegen studie verscheen van de hand van drs. J. van Oort in Theologia Reformata (onder redaktie van o.a. prof. Graafland, prof. Van 't Spijker en prof. Velema). Hij toont aan dat, in tegenstelling tot wat velen tot voor kort dachten, het uit het jongste geschiedenisonderzoek duidelijk is geworden dat noch volgens de latere kerkvaders noch volgens iemand als Calvijn de Geestesgaven enkel bestemd waren voor de apostolische tijd. We laten hieronder enkele citaten volgen:

Een bijzonder voorrecht van de kerk in de allereerste tijd?

Tot zover enkele zeer summiere notities over de in het Nieuwe Testament voorkomende charismata in het algemeen en de bijzondere gaven van genezingen, profetie en glossolalie (spreken in tongen) in het bijzonder. Belangrijk is de vraag: Zijn deze Geestesgaven te beschouwen als peculiareprivilegium ecclesiae apostolicae et primitivae? (bijzonder voorrecht van de kerk van de begintijd). De vroeger vrij algemeen verbreide mening dat zo reeds door de latere kerkvaders is gedacht, blijkt in het moderne onderzoek geen stand te houden. En - eeuwen later - was dit ook bij de reformatoren geen communis opinio (algemene opvatting). Werner Krusche bijvoorbeeld meldt dat Calvijn, ondanks uiterste voorzichtigheid ten opzichte van allerlei geestdrijvers, het niet aangedurfd heeft bepaalde bijzondere Geestesgaven alleen maar als historisch interessant te beschouwen. Pinksterbewegingen in vroeger en vooral in onze tijd hebben de „officiële" kerken nieuwe vragen gesteld, ook inzake hun visie op het verleden. Inzonderheid de wereldwijde charismatische beweging binnen de kerken bracht een nieuwe bezinning op gang, waarvan het eindpunt nog niet in zicht is.

Op welke wijze kwamen gedurende de eerste eeuwen de bijzondere Geestesgaven van profetie, genezingen en glossolalie in de christelijke kerk voor en hoe stond men er tegenover? Om hier zicht op te krijgen is het belangrijk allereerst te melden, dat in de tweede eeuw de Montanistische beweging een geweldige opschudding en ten slotte een sterke afweerreaktie veroorzaakt heeft. De eerste kerkelijke synoden zijn in Klein-Azië naar aanleiding van deze „nieuwe profetie" gehouden. Na aanvankelijk zeer met de zaak verlegen te zijn geweest, kwam men ten slotte tot een veroordeling. Maar de vraag kan gesteld worden, of men met het badwater ook het kind niet heeft weggeworpen. Walter Nigg bijvoorbeeld meent, dat de kerk met de Montanisten ook de profetische geest buiten haar muren bande en dat ze, met deze afwijzing, tegelijk haar eigen verleden veroordeelde (pag. 104-105).

Belangrijke getuigenissen geeft weer Irenaeus. Zowel over glossolalie als over profetie en genezingen laat deze eerste grote kerkvader èn theoloog van de Heilige Geest zich veelvuldig uit. We geven hier slechts een tweetal citaten. Er blijkt evenwel voldoende uit, dat de charismata voor deze Gallische bisschop levende realiteiten zijn:

„Daarom ook zegt de apostel: Wij spreken wijsheid onder de volmaakten. Met de volmaakten bedoelt hij hen die de Geest ontvangen hebben en die alle talen spreken door de Geest, zoals hijzelf ze sprak, en zoals wij ook horen dat vele broeders in de kerk profetische charismata hebben en door de Geest allerlei talen spreken en de verborgen dingen van de mensen aan het licht brengen tot (hun) voordeel en de geheimenissen Gods verklaren…".

„Want sommigen (sc. van Christus' ware discipelen) drijven zeker en waarachtig demonen uit, zodat die van de boze geesten gereinigden dikwijls zelf tot geloof komen en zich aansluiten bij de kerk. Anderen hebben kennis van de toekomende dingen, gezichten en profetische woorden. Weer anderen genezen de zieken door de handoplegging en laten ze gezond opstaan. En zelfs, zoals we zeiden, zijn ook doden opgewekt en vele jaren bij ons gebleven. Wat zal ik verder nog zeggen? Het is onmogelijk alle charismata op te sommen die de over de gehele wereld verstrooide kerk ontvangt van God en in de naam van Jezus Christus, de onder Pontius Pilatus gekruisigde, tot welzijn van de volkeren dagelijks aanwendt, zonder iemand te misleiden noch geld aan te nemen…"

Deze twee aanhalingen geven reeds een duidelijke blik op Irenaeus' bekendheid met en houding ten aanzien van bijzondere charismata. Het is bepaald niet gering wat hij hier zegt en een zekere overdrijving is mogelijk in zijn polemiek tegen de gnostici aanwezig. Maar het zou onreformatorisch - men denke aan sommige uitlatingen van de Schrifttheoloog Calvijn en zijn spreken over ons kleingeloof- en zeker niet bijbels zijn - bijvoorbeeld het slot van Markus en Hebreeën 2 : 4 staan óók in de Schrift - om het hier en elders beschrevene als louter overdrijving en daardoor als onwaar aan de kant te schuiven. Niet onbelangrijk is het in dit verband te vermelden, dat Irenaeus zich meer dan eens moet keren tegen hen die deze gaven in de kerk niet willen erkennen. Bijvoorbeeld aan het slot van zijn Demonstratio:

„Anderen accepteren niet de gaven van de Heilige Geest en werpen het profetische charisma verre van zich, waardoor de mens, wanneer hij ermee besproeid is, het leven Gods als vrucht draagt. Dat zijn die mensen waarvan Jesaja gezegd heeft: „Want (die), zegt hij, zullen zijn als een terebint die zijn bladeren verloren heeft en als een tuin die geen water heeft". En dergelijke mensen zijn van geen enkel nut voor God, omdat ze geen enkele vrucht kunnen dragen".

Essentieel is voor Irenaeus, dat de profetie en de andere Geestesgaven in gebed zijn in het leven van de kerk. Het beslissende criterium voor de echtheid der charismata is hun gedragen worden door de liefde, dat wil zeggen wanneer ze in de kerkelijke gemeenschap dienen tot welzijn van het geheel. De ware kerk wordt aan haar charismata herkend (pag. 106-107).

In 381 wordt te Constantinopel een kerkvergadering gehouden, die later als het tweede oecumenische concilie de geschiedenis zal ingaan. Uit de getuigenissen van onder anderen Gregorius van Nazianze weten we, dat het op deze bijeenkomst

1) Irenaeus was bisschop van Lyon en leefde van ongeveer 140-202. (H.J.H.)

veelszins „ongeestelijk" is toegegaan. Toch is hier, ondanks veel verwarring en twist, de belijdenis aanvaard die voluit spreekt over de Heilige Geest. Tijdens dit concilie, zeer waarschijnlijk bij de inwijding van Gregorius van Nazianze tot patriarch van Constantinopel, houdt Gregorius van Nyssa een redevoering: In suam ordinationem. Hij klaagt hierin over de Geesteloosheid van de eigen tijd en het oeverloze gediscussieer, ongetwijfeld ook met betrekking tot de concilievaders. Maar gelukkig, zo merkt hij tot de verzamelde bisschoppen op, zijn er hier nog enkelen aanwezig die vol van de Geest zijn. Hij bedoelt daarmee de mannen uit Mesopotamië. Daar in Syrië zijn de charismata nog levende werkelijkheid; daar wordt het woord der prediking door de Geestesgaven bevestigd:

„Misschien zal iemand zeggen, dat toen voor de apostelen de wonderdaden medewerkten en het woord door de charismata geloofwaardig was. Ook ik meen, dat machtige daden veel overtuigingskracht bezitten. Maar wat moet heden van de toestand gedacht worden? Zie je dan niet dergelijke wonderen van geloof? Want ik houd de opgerichte daden van onze mededienstknechten voor zulke wonderen. Zij getuigen, wandelend in dezelfde Geest, door de kracht van de genezingen voor de waarheid van het woord. Mannen uit den vreemde gekomen, landgenoten van onze vader Abraham, van Mesopotamië opgebroken… Wat hun uiterlijk betreft grijsaards, eerbiedwaardigen om te zien, met blinkend witte haren, de mond tot zwijgen gesloten. Ze weten niet met woorden te vechten, ze leerden niet het disputeren. Maar zij hebben een zo grote macht over de geesten, dat zij alleen door een bevel het juiste bewerken en de demonen verdrijven, niet door de redeneerkunsten, maar door de macht van het geloof…".

1) Irenaeus was bisschop van Lyon en leefde van ongeveer 140-202. (H.J.H.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE GAVEN VAN DE GEEST

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982

In de Rechte Straat | 32 Pagina's