DE KERK BLIJFT DE BIJBEL VERTALEN
Dat betekent dat een nieuwe vertaling van (sommige teksten van) de Bijbel steeds tot stand moet komen in een luisteren naar de gemeente; en de gemeente, dat is het geheel van de gelovigen.
De gelovigen; dus niet uitsluitend de wetenschapsmensen, degenen die de Bijbel kunnen lezen in de grondteksten, het Grieks en het Hebreeuws. Zonder geloof kun je de eigenlijke bedoeling van de Bijbel niet verstaan en kun je dus de Bijbel nooit goed vertalen, ook al ben je nog zo'n bolleboos in de grondtalen.
Daarom moeten wij steeds met elkaar in gesprek blijven en elkaar vragen stellen, om zó langzamerhand tot een juister inzicht te komen hoe bepaalde woorden en teksten het best in het Nederlands kunnen worden weergegeven.
In den beginne was de Sprake
Zo heeft dr. E. L. Smelik voorgesteld om Joh. 1 : 1 niet meer te vertalen: „In den beginne was het Woord", maar: „In den beginne was de Sprake". Zijn argumentatie komt hierop neer:
Wanneer wij het Griekse woord „Logos" vertalen met „Woord", dan ligt eenzijdig de nadruk op het resultaat van het spreken van God, datgene wat Hij gezegd heeft en nu schriftelijk voor ons ligt in de Bijbel.
Maar zó wordt het Woord ons in de Bijbel niet voorgesteld. De Bijbel is niet een handboek voor de theologie. De Bijbel is verkondiging. De God van de Bijbel is een levende, altijd weer handelende God. In de Schrift richt God Zich sprekend (tegenwoordige tijd) tot ons. Hij roept ons daarin ter verantwoording en nodigt ons uit om de vertroosting van Zijn vergeving in Jezus Christus deelachtig te worden. De God van de Bijbel is niet de God van de filosofen, de God van de Griekse denkwereld, een God die je min of meer vrijblijvend aan een analyse kunt onderwerpen, een God van Wie je esthetisch langs de weg van de beschouwing, de transcendente meditatie, kunt genieten.
Van de andere kant kun je het woord „Logos" in Joh. 1 : 1 ook niet vertalen met: „In den beginne was het Spreken". Dan ligt eenzijdig de nadruk op de aktie, de handeling van het spreken. De Heere heeft het spreken van Hem ook laten uitgroeien tot een „iets", iets dat vast is, dat we grijpen kunnen en dat niet in een steeds verder schrijdend gebeuren aan onze geestelijke waarneming ontsnapt. Daarom roept Petrus vol vreugde uit: „En wij hebben het profetische woord dat zeer vast is" (2 Petr. 1:19).
Smelik meent dat we die eenzijdigheden kunnen vermijden door te vertalen: „In den beginne was de Sprake". Zo sluit je ook dichter aan bij het Grieks. Het woord „logos" komt van het werkwoord „legein", spreken, zeggen. In het Grieks hebben het zelfstandige naamwoord „logos" en het werkwoord „legein" dezelfde grondconsonanten; en dat zou ook in het Nederlands het geval zijn, wanneer we vertalen: Sprake en spreken.
Het is inderdaad een prachtig voorstel van dr. Smelik en ik ben het geheel met hem eens. Maar… het zal niet mogelijk zijn om deze betere vertaling ingevoerd te krijgen. We zijn zózeer gewend aan de vertaling: „In den beginne was het Woord", dat allerlei kerkmensen enkel daarom de vertaling „Sprake" zouden afwijzen. En dan zijn we nog verder van huis. We hebben niets aan allerlei beroering onder kerkmensen.
Laten we in elk geval beducht zijn op de gevaren, die uit de vertaling „Woord" voortvloeien, d.i. het gevaar dat wij menen dat Woord vóór ons te kunnen hebben als een ongevaarlijk studie-objekt; want de God die Zich openbaart in het Woord, is een verterend vuur. Wie de Bijbel opent, doet een vuurhaard open, waarin de vlammen opspringen tot in de oneindigheid.
Naar God toe
Zelf wilde ik echter ook nog de mogelijkheid van een andere vertaling van Joh. 1 : 1 voorleggen. Het gaat mij om het voorzetsel „bij" in: „En het Woord was bij God". Ik heb het daar altijd moeilijk mee gehad. De Bijbel spreekt met zoveel ontzag over de heilige God, die niet woont in een met handen gemaakte tempel, dat ik mij steeds afvroeg hoe je dan kunt spreken over het Woord dat bij God was. Immers als je zegt dat iemand bij je is, dan bedoel je dat steeds ruimtelijk. En Salomo bad toch immers: „Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen der hemelen zouden U niet bevatten, hoeveel te minder dit huis dat ik gebouwd heb" (1 Kon. 8:27).
Toen ik enige tijd geleden Joh. 1 : 1 opnieuw vanuit de Griekse tekst bestudeerde, viel het mij op dat er staat: „kai ho logos èn pros ton Theon". Nu heeft „pros" met de accusatief (vierde naamval) in het Grieks steeds de betekenis van ergens naar toe (gaan). Dat woord geeft dan geen rust aan, maar beweging. Daarom lijkt mij dat de vertaling: „En het Woord was bij God" de betekenis van het Grieks niet goed weergeeft. Immers dan stel je je voor alsof het Woord Zich bij God bevindt, maar in het Grieks wordt het Woord voorgesteld als in beweging naar God toe.
Dat het woord „pros" met de accusatief beweging ergens naar toe uitdrukt, kunt u in elk Grieks woordenboek lezen. Ik heb hier „Beknopt Grieks-Nederlands Woordenboek" van dr. F. Muller en dr. J. H. Tiel (hoogleraar aan de universiteit van Utrecht), „Grieks-Nederlands Handwoordenboek op het NT" van dr. D. Harting en Kittel's Th. W. Allen zeggen dat „pros" alleen maar „zich ergens bij bevinden" betekent, wanneer het verbonden is met de datief. Maar zodra het ook maar enigszins een beweging betreft, regeert „pros" de accusatief. Zo bv. „legein pros tina" = tot iemand spreken.
Zo staat er ook in Joh. 1 : 29: .Johannes zag Jezus tot zich komende"
= Erchomenon pros auton. Ook hier dus „pros" met de accusatief,
omdat hier sprake is van een beweging ergens naar toe.
Dichter bij het OT
Op grond daarvan meen ik dat we beter zouden kunnen vertalen: „En het Woord was naar God toe". Dan zijn we m.i. ook dichter bij het spreken van het OT. Ik denk bv. aanjes. 55:10-11, waar het Woord vergeleken wordt met de regen en de sneeuw die van de hemel neerdaalt, dan in de grond dringt en daar werkzaam blijft, zodat het zaad ontkiemt en vrucht draagt. „Alzo zal Mijn Woord dat uit Mijn mond uitgaat, óók zijn, het zal niet ledig tot Mij weerkeren".
Het Woord wordt daarin dus voorgesteld als uitgaande van God en tot Hem weerkerend. En ik meen dat deze gedachte van het OT terug te vinden is in Joh. 1 : 1 en dat we dus moeten vertalen: „Het Woord was naar God toe".
We hebben dan ook meer aansluiting bij Gen. 1. Daar lezen we eerst: „En de Geest Gods zweefde op de wateren". We hebben al eens vaker gezegd dat het Hebreeuwse woord „Ruach" (en het Griekse woord „pneuma") in de eerste plaats „wind, adem" betekent. Ik vraag mij af of we er daarom niet beter aan zouden doen dicht bij die oorspronkelijke betekenis te blijven en of we daarom niet moeten vertalen: „En de Adem Gods zweefde over de wateren".
Vanaf v. 3 lezen we dan: „En God zeide…" en daarmee begint het scheppende spreken van God.
Dan is er deze voortgang in het verhaal van Gen. 1 te bespeuren: Eerst Ademt God; maar dat is nog geen spreken. Ademen is nog vormloos, zoals ook de aarde vóór het scheppend spreken van God nog vormloos „woest en ledig" (tohoe wavohoe) was, want pas in het spreken geven wij vorm aan de ademhaling. Maar dan moet het niet slechts een uiten van klanken zijn, maar een geordende taal (1 Kor. 14:7-11). Vervolgens gaat dat Ademen van God over in een duidelijk spreken: „En God zeide…".
Als dat waar is, dan begrijpen we iets beter, waarom de mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. In God is er dan eerst ook een Ademen (de Heilige Geest) en vervolgens een Spreken (de Zoon, het Woord van God). Er is natuurlijk tevens dit onmetelijke verschil dat dit Ademen en dit Spreken van God afzonderlijke Personen zijn binnen het éne Goddelijke wezen, onderscheiden van Elkaar en van de Vader, én bovendien dat de Adem (de Geest) zowel uit de Vader als uit de Zoon (het Woord) voortkomt.
Para tou Patros = van bij de Vader
Er is nog een ander Grieks voorzetsel, waarmee de verhouding tussen de Drie Goddelijke Personen wordt aangeduid en dat is „para". En ook dat woord wordt dan nooit gebruikt met de datief (in dat geval zou het vertaald moeten worden met „bij"), maar met de genitief en in dat geval duidt het ook een beweging aan, maar dan niet „naar iemand toe", maar „van iemand af, van bij iemand".
Zo staat er in Joh. 1 : 14: „hoos monogenous para patros". De SV heeft daar: „als van de Eniggeborene van de Vader", maar eigenlijk staat er: „als van de Eniggeborene van bij de Vader". Daarmee wil Johannes uitdrukken dat dat geborenworden uit de Vader een eeuwig-voortdurend gebeuren is, geheel anders dus dan bij ons. De geboorte heeft bij ons slechts één keer plaats, maar de Zoon blijft geboren worden uit de Vader.
Ook Joh. 15 : 26 zouden we dan aldus moeten vertalen: „De Trooster die Ik u zenden zal van bij de Vader, (namelijk) de Geest der waarheid die van bij de Vader (para tou patros) uitgaat". En ook: gij hebt geloofd dat ik van bij God ben uitgegaan" (J°h. 16 : 27).
Misschien zegt iemand: Maar dat is geen goed Nederlands. Als dat zo is, dan kunnen we die nuance dus niet in het Nederlands weergeven. Dat is dan jammer, maar laten we dan in elk geval bij ons spreken over dergelijke teksten steeds benadrukken, dat God wel is: „Ik ben die Ik ben", maar dat er in Hem tevens een eeuwige beweging is, nl. de eeuwige voortkomst van de Zoon (het Woord) door geboorte uit de Vader en de eeuwige terugkeer naar de Vader; en eveneens de eeuwige voortkomst van de Heilige Geest uit de Vader en de Zoon door uitademing en de eeuwige wederkeer tot Beiden door inademing.
Nogmaals: de God van de Bijbel is de levende, de handelende God; niet de God die het voorwerp is van de beschouwingen van de filosofen.
Als we dat voor ogen houden, dan begrijpen we ook iets van dat overweldigende geheimenis dat wij door wedergeboorte worden opgenomen in deze verhoudingen van de Drie-enige God. Zie hiervoor vooral Joh. 17 : 20 - 23, 26, alsook Joh. 14:23 en 2 Petr. 1 :4.
In het begin
Bij de bestudering van Gen. 1 : 1 viel mij op dat er in het Hebreeuws staat: „bereesjiet" (= in een begin) en niet „bareesjiet" (= in den beginne). En ik merkte later dat ook in Joh. 1 : 1 staat: „en archei" (= in een begin) en niet „en tèi archei" (= in den beginne).
Ik meen dat het beter zou zijn geweest om dat ook in de vertaling te laten uitkomen. Wanneer een Bijbelschrijver (en dus de Heilige Geest) niet het bepalende lidwoord „de" of „het", maar het onbepaalde lidwoord „een" gebruikt, dan is daar een reden voor. Die reden kunnen we soms niet achterhalen, maar hier, naar ik meen, wél.
Omdat er staat „in een begin" klinkt alles veel meer aarzelend. Het lijkt mij dat de Heilige Geest daardoor er ons op heeft willen wijzen dat wij met ons beperkte verstand dat oerbegin nooit helemaal zullen kunnen begrijpen. Dat begin van de scheppende daad van God en van het voortkomen van de Zoon, de Sprake, uit het spreken van de Vader, is heel anders dan wanneer wij ergens mee beginnen. Er is wel enige gelijkenis tussen het beginnen van God en het beginnen van ons, maar tevens een groot verschil. Vandaar: „In een begin schiep God" en: „In een begin was het Woord (de Sprake)".
Ho Theos en Theos
Weer iets anders dat mij bij nauwkeurige bestudering van Joh. 1 : 1 opviel, is het volgende.
De eerste keer wordt bij God het lidwoord gebruikt, de tweede keer niet; dus letterlijk: „En het Woord was naar de God toe en God was het Woord".
In het Nederlands kunnen wij dat zó niet zeggen, maar hoe moeten we dan die nuance weergeven?
In het Grieks (evenals in het Hebreeuws) is het blijkbaar mogelijk om „God" ook als een soortnaam te bezien, terwijl de Bijbel dan met het bepalende lidwoord „de" aangeeft dat de enig levende God bedoeld is. Wij gebruiken het woord „god" ook wel eens als soortnaam, maar bedoelen dan steeds een afgod; zo b.v.: de god van het geld, van de drank, van de sex enz.
Om die nuance in het Nederlands enigszins weer te geven, zouden we de tweede keer misschien kunnen vertalen met „godheid"; dus „Godheid was het Woord". Niet de vertaling „goddelijk"; dat zou te zwak zijn. „Goddelijk" zou immers alleen een eigenschap van het Woord zijn, maar Johannes bedoelt méér. Hij wil zeggen dat het Woord dezelfde natuur heeft als de levende God. Daarom zit in deze éne zin reeds een duidelijke heenwijzing naar de leer van de Drieëenheid. Johannes schrijft blijkbaar opzettelijk niet: „God (ho theos), maar godheid (theos) was het Woord". Daardoor laat hij het Woord niet zonder meer opgaan in de éne God. We zouden dus ook kunnen vertalen: „Goddelijke natuur was het Woord".
Als wij deze nuance van het Grieks voor ogen houden, dan hebben we daarmee een argument vóór de leer van de Drieëenheid tegenover hen (zoals de Getuigen van Jehova), die deze leer ontkennen.
Let ook op de volgorde van de woorden. In het Grieks staat niet: „En het Woord was God", maar: „God (godheid, goddelijke natuur) was het Woord". Door die volgorde legt Johannes er de nadruk op dat het Woord werkelijk de goddelijke natuur bezat.
Samenvattend:
Ik meen dat de meest letterlijke vertaling van Joh. 1 : 1 zou moeten luiden: „In een begin was de Sprake en de Sprake was naar God toe en godheid (goddelijke natuur j was de Sprake". Maar laten we om praktische redenen maar vasthouden aan de geijkte vertaling: „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God".
N.B.: Mej. Kleipool heeft in haar getuigenis (zie pag. 5) de vertaling van het NBG gebruikt. We meenden dat het niet nodig zou zijn om al die teksten weer te wijzigen volgens de S.V. U kunt immers zelf in uw Bijbel de S.V.-vertaling erop naslaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
