Voor het vuurpeloton
Dat is de titel van het derde hoofdstuk van mijn boek: „Oog in oog met jezelf.". Ondertitel: „De geschiedenis van 40 jaar zelfontleding". Ik hoop dit jaar dit boek dat al lang in de grondverf zit, eindelijk te kunnen afmaken.
Het was 7 maart 1940, feest van Thomas van Aquino. De zware kloosterbel heeft zo juist geluid. Uit de kamers stromen de studenten en de paters naar de aula, waar het jaarlijkse intellektuele steekspel zal beginnen.
Maar ik beleefde het helemaal niet als spel. Voor mij was het bloedige ernst. Ik voelde me als een stier, die weldra in de arena zal worden losgelaten. Ik moet een theologische stelling verdedigen en de anderen kunnen mij dan te lijf gaan met de speren van hun „objekties" (= argumenten die zij tegen de door mij te verdedigen stelling, kunnen aanbrengen). Ze zullen mij aanvallen en proberen mij in het nauw te drijven. Zal ik de slagen steeds kunnen pareren? Of zal mijn hoofd vallen onder de genadeslag van een volkomen onverwacht en onweerlegbaar tegenargument? Zal ik straks te schande staan voor het hele klooster en voor de hele Nederlandse provincie van de paters redemptoristen?
Waarom beleefde ik dat zo? Vanwege mijn schrijnende, diepe minderwaardigheidsgevoel, mijn bestaansangst en onzekerheid. Maar daar was in dit geval wel enige aanleiding voor.
Twee keer per jaar werd zulk een intellektueel toernooi georganiseerd. De kloosterregel zegt er dit van: „Ten zeerste wordt aanbevolen dat tijdens het schooljaar theses gehouden worden en dat daarin de Onzen (term, waarmee de kloosterlingen worden aangeduid. H.J.H.) argumenteren. Daarom zal een te houden thesis te voren publiek worden aangeplakt" (nr. 1243).
In deze geest waren ook de 95 stellingen van Luther bedoeld. Luther wilde daarmee niet iets verkondigen, maar iedereen uitnodigen om die stellingen desgewenst met contra-argumenten te bestrijden om zo samen tot de waarheid te geraken.
Het was dan ook een hele eer, wanneer je als eerste van het jaar werd aangewezen om zulk een stelling te verdedigen, want dat betekende dat je door de professoren als de beste van dat cursusjaar werd beschouwd. Die professor gaf dan zelf de stelling op die je verdedigen moest.
Maar je zou van de andere kant een modderfiguur slaan, wanneer ze jou konden vastzetten en hun tegenargumenten niet zou kunnen ontzenuwen.
Ik had dat één keer meegemaakt tijdens het eérste jaar van de filosofie. Frater B. had toen een stelling ter verdediging gekregen (hij behoorde tot het tweede cursusjaar); niet de jaarlijkse openbare verdediging van een stelling, maar tijdens een college-uur.
Maar onze brave frater bracht er werkelijk niets van terecht. De speren van de subtiele opwerpingen drongen diep door in zijn corpulente bestaan. Hij stootte eerst wat dwaas met zijn hoorns van zich af, zo maar in het wilde weg. Maar op den duur bracht hij blijkbaar nog zoveel intelligentie op, dat hij begreep dat hij daardoor de zaak nog erger maakte. Hij ging over tot de taktiek van een volstrekt zwijgen. Hij zei noch boe noch bah en staarde alleen maar wat voor zich uit door het venster. Een akelige vertoning: deze afgemaakte stier temidden van de wrede matadors.
Als een schrikbeeld was die gebeurtenis diep in mijn onderbewustzijn doorgedrongen. Daar was het blijven spoken als een voortdurende waarschuwing: „Pas op dat jou datzelfde ook niet overkomt".
Toen ik zelf tweedejaars-filosofie was geworden, werd ik naar de professor geroepen en kreeg te horen dat ik als eerste van dat jaar de openbare stelling moest verdedigen. Stormen van gevoelens gingen toen door mij heen.
Allereerst een gevoel van diepe voldaanheid. Op de lagere school was ik steeds de beste geweest, op het klein-seminarie zeker een van de besten. Maar hoe zou het zijn tijdens de hogere studies. Was ik alleen maar iemand met een sterk geheugen, een vlot-lopende reproduceermachine? Of beschikte ik ook over een scherp intellekt? Over die spannende vraag schreef ik in „Mijn weg naar het Licht":
„Het is half september 1935. De Mis ter ere van de H. Geest om Gods zegen af te smeken over het nieuwe studiejaar is afgelopen. Wij zitten nu in de collegebanken. Professor Boelaars houdt zijn inaugurale rede. Hij is pas klaar gekomen met zijn studie in Rome. Wij zijn zijn eerste proefkonijnen. Hij houdt een rede over: Philosophie en wereldbeschouwing.
Ik had mijn schrift voor me, maar kon niet veel aantekeningen maken. Ik zat al te zeer in spanning. Tijdens het klein-seminarie waren allerlei geruchten tot ons doorgedrongen over het moeilijke van de hogere studies. Een van onze leraren vertelde van een student, die op zijn boeken zat te huilen, omdat hij er niets van begreep, en zo dus misschien zijn ideaal van de priesterwijding niet zou kunnen bereiken. Ook andere verhalen waren mij bijgebleven. Van studenten b.v., die uitmuntten in de lagere studies, maar sukkels bleken te zijn in de philosophie en theologie.
De andere studenten waren zeer te spreken over dit eerste college van de nieuwe prof. Dat vermeerderde nog mijn angst: Zie je wel, zelfs de domsten hebben het nog kunnen volgen. Waar moet dat met jou naar toe!
Toch begon de studie mij zo te boeien, dat de angst stilletjes aan wegzakte. Ik wierp mij op de geheimzinnige termen van de Thomistische wijsbegeerte: materialiter, formaliter, fundamentaliter, simpliciter en secundum quid. Met groot ontzag luisterde ik naar de tweedejaars studenten, die een objectie van je wisten te ontzenuwen met de toverformule: Simpliciter heb je gelijk, maar secundum quid ongelijk. Dus gaat ook niet de conclusie op, die jij uit je stelling wilt trekken.
Ik trachtte mij op te werken tot de hoogste graad van abstractie. Alle restjes van de verbeelding probeerde ik weg te werken uit mijn beschouwingen, zodat ik slechts zuivere, geestelijke begrippen zou overhouden. Met voorliefde bestudeerde ik de metaphysica, de leer van het zijnde. Ik speelde met de transcendentale begrippen van waarheid, goedheid, schoonheid.
Professor Boelaars beweerde, dat het hoogste wat de mens in de philosophie kon bereiken, was: de ervaring van het zijn als zodanig. Zonder deze ervaring kon de philosophie gemakkelijk ontaarden in een dor begrippenspel.
Inderdaad is deze ervaring wel iets unieks. Je bezint je dan op het geheimzinnige feit, dat je er bent. „Zijn" is dan voor je niet slechts: niet niet bestaan, maar „zijn" wordt dan de gloed aller dingen. „Zijn" is het enige wat met niets anders te vergelijken is. Ook niet met het niet-zijn. Want het niet-zijnde is immers niet. Daarom heeft deze ervaring ook iets absoluuts." (pag. 63-64)
Daar ikzelf ook was doorgedrongen tot die aanschouwing van het „ens", zelfs als enige van dat cursusjaar, behoorde ik ook tot die zeer selekte groep van de ingewijden, tot de schouwers van het zijn in zichzelf en het zijn zonder meer. Ik kon daaruit konkluderen dat ik een filosofische bolleboos was, koppie, koppie! En die konklusie werd bevestigd, toen ik aangewezen werd voor de verdediging van de eerste openbare thesis van dat jaar.
Van de ene kant streelde deze benoeming dus enorm mijn eerzucht. Ik gloeide er gewoon van. Het was of ik de ogen van alle andere kloosterlingen op mij gevestigd voelde: „Wat een knappe vent is die frater Hegger!" En toen de professor de stelling aanplakte met de naam van de „defendens", de verdediger, frater H. J. Hegger, voelde ik me als een pauw die pronken kon met zijn wetenschappelijke veren, met zijn sterke intellekt.
Maar van de andere kant kon mij de schrik om het lijf slaan, wanneer ik dacht aan de mogelijkheid van een mislukking. Zou ook ik, net als frater B., als een gedode stier uit de arena worden weggesleept door de matadors? Die angst vertroebelde meer en meer mijn denken. Ik verloor het zicht op het geheel van het probleem dat in de mij opgedragen stelling verwoord was. Die spanning vermoeide mij ook uitermate. Toch lukte het mij om op de dag zelf mijn aanvallers behoorlijk van het lijf te houden. Voor mijzelf wist ik echter dat het slechts een formalistische schermutseling was geweest. Het had zoveel mooier gekund. Ik had die stelling breed en diep kunnen ontvouwen. Ik had een prachtig filosofisch bouwwerk kunnen optrekken, waar men vol bewondering naar had kunnen kijken. Maar de angst had mij totaal verlamd.
Intussen was het vier jaar later en nu had ik ook de vererende opdracht gekregen om de eerste openbare theologische thesis van dat jaar te verdedigen. „Je bent dus blijkbaar een geweldige knapperd", zo fluisterde mijn ijdelheid mij toe.
Maar veel intenser nog dan tijdens de filosofiecursus knaagde mijn minderwaardigheidsgevoel aan die lonkende vrucht van de lofprijzing door de anderen vanwege mijn knappe verstand. Als een slang kronkelde dat minderwaardigheidsgevoel zich telkens in mij naar omhoog en siste mij toe:
„Heb je werkelijk zulk een sterk intellekt? Is het niet allemaal schijn? Misschien heb je alleen maar een fabelachtig geheugen en ben je helemaal geen oorspronkelijke denker. Misschien word je straks ontmaskerd als de grote os, die ten aanschouwe van iedereen en onder uitbundig hoongelach geslacht wordt".
„Iedereen heeft jouw ijdelheid door. Ze weten heel goed, hoe geweldig jij je vereerd voelt, omdat jij werd uitgekozen om ook als eerste de theologiethesis te verdedigen. Maar juist omdat het je alleen te doen is om je eigen eer, daarom moeten de anderen zich daartegen verzetten. Ze hebben er terecht geen zin in om voor jou neer te knielen en al maar door te roepen: Grote Herman, wij vereren je! En straks zal jij, ijdeltuit, op de pot worden gezet. Dan zul jij, dat eerzuchtige type, die opschepper, naar beneden worden gehaald en op de keien van de nuchtere werkelijkheid worden neergekwakt".
Wat dat minderwaardigheidsgevoel mij toefluisterde was volkomen dwaas, in strijd met de feiten.
In de eerste plaats hadden de rapporten zowel tijdens de filosofie als tijdens de theologie duidelijk uitgewezen dat ik steeds de beste leerling was geweest. Er was dus geen enkele reden om bang te zijn.
Men had mij altijd voorgehouden: „Qui bene distinguit, bene docet = wie goed weet te onderscheiden, weet ook goed onderwijs te geven. Welnu, onderscheiden, dat kon ik. Met het vlijmscherpe ontleedmes van mijn verstand wist ik overal de gaten en gleuven te vinden in de redeneringen van de anderen. Op die zwakke punten richtte ik dan mijn tegenoffensief en dan kwam het snel tot een triomfantelijke doorbraak in de vijandelijke linies, de contra-argumenten, de tegen-stellingen, van mijn aanvallers.
Ja, dat kón ik allemaal weten, wanneer ik de zaak nuchter bekeek. Maar dat kon ik nu juist niet. Het minderwaardigheidsgevoel trok mijn denken naar de diepte, naar de duisternis, naar het negatieve en pijnlijke. Zoals de wind in de herfst de laag hangende wolken kan jagen over een troosteloos landschap, zo joegen de vlagen van angst hun krampen over de verregende vlakte van mijn ziel.
En dan, mijn kijk op de confraters was beslist overtrokken. Dat zou ik toch moeten inzien. Ze stonden heus niet als stierenvechters tegenover mij om mij geestelijk neer te vellen en af te slachten.
Zeker, sommigen zouden er een nauwelijks verholen genoegen aan beleven, wanneer ik de nederlaag zou lijden. Ook in het klooster bevinden zich mensen met menselijke jalouzietjes en kleinzieligheden. (Overigens, hadden ze niet alle reden om het aan te leggen op mijn intellektuele ondergang, vanwege mijn eveneens nauwelijks verholen eerzucht?).
En in elk geval zou het leedvermaak van deze confraters niet zó intens gemeen zijn, als ik mij toen in mijn fantasie voorstelde. Iedere kloosterling probeerde op zijn manier tegen zijn verkeerde neigingen te strijden.
En van de andere kant waren er ook, die echt met mij meeleefden. Frater A. S. bijvoorbeeld; die had mij van te voren gezegd met welke tegen-argumenten hij mij zou „aanvallen", zodat ik mij daar grondig in kon verdiepen en een briljant antwoord zou kunnen opstellen.
Een buitengewoon sympathieke figuur was dat, die frater A. S. Hij leek gespeend van elke eerzucht, nuchter en toch hartelijk. Met z'n tweeën stonden wij vooraan in de klas. Ik meen dat ik filosofisch iets sterker was dan hij. Hij was meer een exacte wetenschapsmens. Hij kon zich verlustigen in het uitzoeken van allerlei historische dokumentatie.
Ook na mijn uittreden ben ik bevriend met hem gebleven, ook al hebben we elkaar maar twee keer ontmoet en hooguit vijf keer geschreven.
Maar al probeerde ik mij met dergelijke redeneringen voor te houden dat er geen reden was om zo bang te zijn, het hielp niet. Ik leefde als in een voortdurende doodsangst. En die doodsangst speelde elke kalmerende gedachte die ik daar tegenover wilde opwerpen, zonder meer weg, de diepte in.
Voor mij was het alsof mijn hele geestelijke bestaan afhing van het al of niet slagen van de verdediging van die thesis. Wanneer het een fiasco zou worden, dan zou ik intellektueel voorgoed worden afgeschreven; dan zou iedereen voortaan op mij neerzien; dan zou ik voor altijd het verachtelijke „boertje van buten" blijven. Ik voelde me als een drenkeling, die tegen de kade van het maatschappelijke leven probeerde naar omhoog te klauteren, maar die telkens terugviel in het water en die na de mislukte thesis voorgoed zou wegzinken in de modder van de schande en de algemene verachting.
Ik gooide mij op de studie van de thesis. Maar mijn geestelijke doodsangst nestelde zich in mijn verstandelijke vermogens en trok mijn hersenen strak tot uiterste spanning.
De moest o.a. een dikke latijnse turf van Johannes A. S. Thoma doornemen. Daar viel ik dan ook op aan. Ik trok zijn woorden en gedachten door mijn hersenen heen. Mijn zenuwen heten een fel licht vallen op die zware filosofische uiteenzettingen.
Zo probeerde ik 's mans gedachtengang in een door angst volkomen beheerst denken te volgen.
Dat ging vrij goed, maar was een uitermate uitputtende bezigheid. En als ik dan weer dacht aan 7 maart, de dag dat ik voor het vuurpeleton zou komen te staan, kroop de angst verlammend door heel mijn lichaam heen. Die angst zette zich als een krop vast in mijn keel en gaf me een pijnlijk gevoel in mijn buik.
U begrijpt: dit was niet om uit te houden. Het is voor geen mens mogelijk om dagen achter elkaar in zulk een geestelijke doodsangst te leven. Mijn onderbewustzijn, mijn bestaansdrift, moest een uitweg zoeken. Ik moest op de vlucht voor die steeds naderbij komende datum van mijn geestelijke terechtstelling, 7 maart.
Na enkele dagen kwam er vrij plotseling een loden gevoel van dodelijke vermoeidheid over mij. Ik voelde me als een boer, die zeven dagen en nachten achter elkaar de ploeg over de akkers heeft getrokken. Het was alsof ik geworpen was in een poel van stroop, waaruit ik probeerde omhoog te klauteren, maar die stroop van de vermoeidheid kleefde overal aan mij en deed mij telkens terugglibberen naar de diepte.
Ik kreeg van de overste verlof om vroeger te gaan slapen en later op te staan. Uren achter elkaar kon ik in bed liggen, weggezonken in een bodemloze slaap, als in een toestand van volstrekte bewusteloosheid, ver weg van die dreigende zevende maart, vluchtend, vluchtend, eindeloos voortgejaagd, afgejakkerd, wegkruipend in de donkerste holen.
Als ik dan ontwaakte, was het alsof er een band rondom mijn hoofd zat, als een knellende helm.
Na enkele dagen keerde een stukje helderheid in mijn denken terug. Maar dan besprong ook de angst mij nog heviger, omdat de zevende maart weer een heel eind dichterbij was gekomen en ik nog zo weinig gestudeerd had op de te verdedigen thesis. Dan begon ik weer nerveus en tot het uiterste gespannen te studeren.
Dat hield ik echter niet lang vol. Weldra baande de vermoeidheid, opborrelend als een lavastroom, zich weer een weg naar boven en vergiftigde mijn denkvermogen. Dan moest ik weer slapen, uren slapen. En steeds korter werden die heldere tussenpozen en steeds langer de perioden van slaap.
En de zevende maart kwam steeds dichterbij. Prof. O. die mij de opdracht had gegeven voor het verdedigen van de thesis, sloeg de ontwikkeling met schrik gade. Ook zijn naam was ermee gemoeid. Als die hoge omes (o.a. de provinciale overste van Nederland) zouden komen, dan moest hij zorgen voor een boeiend toernooi. En dat dreigde nu een mislukking te worden vanwege mijn oververmoeidheid. Ik had nog steeds niets behoorlijks op papier kunnen krijgen en het was nog maar een paar dagen vóór de fatale datum. Prof. O. ging nu zelf de verdediging van de thesis op schrift stellen. Ik was daar wel blij mee; een stuk spanning viel van mij af; maar ik vond het tevens zeer vernederend. Ik zou er dus niets van mijzelf in kunnen leggen.
Prof. O. had bovendien een heel andere stijl dan ik. Dat maakte het nog meer weerzinwekkend voor mij. Het was net alsof ik in de kleren van een ander zou moeten opdraven, kleren die me hier te wijd en daar te strak zaten, kleren waarin ik de lichaamsgeur van de ander rook.
Dat prof. O. de schriftelijke opstelling van mijn referaat overnam, beleefde ik dan ook als een begin van mijn geestelijke terechtstelling, als het wegvreten van alle zelfbesef. Ik hoorde al het gebouw van mijn gevoel van eigenwaarde kraken en in elkaar storten.
Ik probeerde mezelf nog te troosten met de gedachte: „Ik ben nu eenmaal overspannen, maar anders… dan zou ik wat te zien gegeven hebben. Dan zou ik op briljante wijze naar voren zijn gekomen. Dan zou ik iedereen verbaasd hebben doen staan".
Maar ik voelde dat dit een schrale troost was. En mijn minderwaardigheidsgevoel bespotte mij: „Dat is immers een belachelijke uitvlucht. Beken het nu maar dat je gewoonweg een stommerik bent".
Mijn geldingsdrang zocht naar andere compensaties. De overspannenheid gaf mij het gevoel iets bijzonders te zijn.
Wanneer ik over anderen hoorde dat ze overspannen waren, maakte dat steeds een mysterieuze indruk op mij. Dan vroeg ik mij af: Wat is er toch in de ziel van die mensen, dat hen zozeer in hun arbeid belemmert? Heeft een of ander geheimzinnig wezen of een duistere macht zich genesteld in hun zielen? En vooral als ze dan naar de psychiater moesten, leek dat nóg interessanter voor hen: een dokter voor hun ziel!
En nu was ikzelf overspannen. Nu was ikzelf die interessante figuur geworden, die blijkbaar onvermoede diepten van ziel heeft, waarover je alleen fluisterend kunt praten!
Maar tegelijk was ik jaloers op de anderen, die heerlijk konden werken. Zij keken fris en vrij de wereld in, terwijl mijn levensvlammetje beefde onder de domper van de overspanning en van de band rondom mijn hoofd.
Het is nu dan de zevende maart. Terwijl ik door de gang naar de deur van de aula loop temidden van de anderen, knijpt de angst mijn binnenste samen. Ik wü niet naar binnen, ik wü niet naar die plaats van mijn executie!
Maar met een ijzeren noodzaak voltrekken zich de gebeurtenissen. De kus de hand van de overste - zoals dat hoort - en bestijg het spreekgestoelte, mijn schavot. Dat was een volkomen wansmakig geval, meegenomen uit de vroegere aula, als een groen, houten hobbelpaard in een bruine brei.
Alles in mij staat onder elektrische stroom. De temper het licht van mijn open, als ik „de vijandelijke linies" voor mij bekijk. Het is alsof mijn angst ervoor zorgt dat er een mistgordijn komt te hangen tussen hen en mij.
Dan lees ik de tekst van mijn (= van prof. O.) referaat voor. Ik eindig met de gebruikelijke, latijnse volzin: „Nunc difficultates mihi velitis opponere, quas cum auxilio Jesu et Mariae solvere conabor = Gelieve nu uw bezwaren tegen mijn stelling naar voren te brengen, die ik met behulp van Jezus en Maria zal proberen op te lossen".
„Met de hulp van Jezus en Maria…". Dat klonk in mijn oren als de groet van de gladiatoren, wanneer zij de keizerlijke tribune passeerden: „Ave, Caesar, morituri te salutant = Wees gegroet, Caesar, zij die sterven gaan, groeten u".
„Met de hulp van Jezus en Maria". Vaag voelde ik dat die daar niets mee te maken hadden. Het was immers uitsluitend een bloed-ernstig gevecht om mijzelf te handhaven. En van de kant van mijn aanvallers zou het een poging zijn om zelf nog zo gunstig mogelijk voor den dag te komen, nu zij niet de eer waardig waren gekeurd om zelf die thesis te verdedigen. Ik walgde van die zinloze en onwaarachtige aanroeping van Jezus en Maria.
Frater R. S. opende het vuur. Ik ving de pijlen op met het scholastieke schild van cliché-onderscheidingen. Hij lanceerde een nieuwe aanval. Daar moest ik echt over nadenken. Ik deed daarom of ik hem niet goed had verstaan om zodoende tijd te winnen voor het zoeken van een antwoord.
Zo golfde het front heen en weer. Soms ontweek ik de slag, soms sloeg ik nerveus terug, met daarachter de noodkreet van mijn ziel: „Spaar me; maak mij niet totaal af; keel mij niet domweg als een varken; zie je dan niet dat ik dreig weg te zinken in de geestelijke dood?"
R.S. kreeg mij niet klein. Ik had een sterk geheugen en uit dat arsenaal haalde ik toch telkens nog de nodige wapenen om mij te verdedigen of om zelfs tegenaanvallen in te zetten. Maar mijn verstand was beneveld. Ik vocht als in de duisternis. En het steekspel was verre van briljant.
Toen dit eerste treffen voorbij was, stond mijn vriend, frater A. S., op. Hij deed zijn best om het mij zo gemakkelijk mogelijk te maken. Maar het was bijna doorzichtig. Zijn medelijden, hoe goed ook bedoeld, maakte mij nog ellendiger. In mijn nervositeit zei ik iets dat niet prettig bij hem overkwam. Hij verweerde zich daartegen terecht. Ik was er beroerd van, juist omdat ik hem zo sympathiek vond. Een heel uur lang duurde deze marteling. Het was of telkens weer verse troepen op mij afstormden. Het begon steeds meer te schemeren in mijn geest. Ik zat daar als een vermoeid en opgejaagd dier, wachtend op de matador die de dodelijke steek zou toebrengen.
Eindelijk luidde de kloosterbei, bevrijdend. Men bleef wat napraten of ging in de tuin wandelen. Ik had het gevoel alsof overal groepjes samenscholen. In mijn verbeelding hoorde ik sommigen fluisteren: „Die arme frater Hegger! Zielig! Ik had met hem te doen". Maar anderen vol leedvermaak: „Waar bleef die opschepper nu met zijn diepzinnige praatjes, die hij anders altijd voor ons opdist? Hij zat daar met één grote mond vol tanden. Het was een bizarre vertoning, door en door belachelijk. Maar hij heeft het verdiend. Hoogmoed komt vóór de val".
Ik hoopte dat mijn energie weldra weer zou terugkeren, wanneer die slachtpartij achter de rug zou zijn. Maar hoezeer ik ook rustte en de vermoeidheid probeerde weg te slapen, het hielp niet.
Toen kreeg ik verlof om naar een psychiater te gaan, nl. naar dr. Schim van der Loeff, direkteur van de psychiatrische inrichting in Venray.
Hij schreef mij een zenuwkalmerend middel voor en bepaalde dat ik vakantie zou moeten nemen. Dat zou dan alleen maar kunnen bij mijn familie in Lomm.
Ongeveer twee jaar duurde deze periode van slapen, rusten en bijna niets-doen. Maar er was geen merkbare verbetering te konstateren. Als ik twee uren gestudeerd had, lag ik een hele week op apegapen.
Toen kwam ik tot de overtuiging dat niet lichamelijke uitputting de oorzaak was van mijn onvermogen om ook maar iets te presteren, maar dat die oorzaken veel dieper moesten liggen nl. in mijn ziel, in mijn onderbewustzijn.
In had intussen ook het een en ander gelezen over psychische konflikten en complexen. Ik had werken gelezen van Freud, Jung, Adler, Künkel, Mader, Allers e.a.
Ik wist nu met zekerheid dat er maar één genezingsmogelijkheid voor mij overbleef: de ontleding van mijn onderbewuste spanningen. Ik ging opnieuw naar dr. Schim van der Loeff. Hij was het helemaal met mij eens. Hij zei: „U zult nooit meer tot normale prestaties komen, tenzij u uzelf grondig gaat analyseren.
Ik ben nog drie keer bij hem geweest. Toen stierf hij plotseling. Sindsdien ben ik de lange weg op gegaan van de zelfanalyse, waaraan ik gedurende 40 jaar gemiddeld elke dag drie uur besteedde.
DIT GEBEURDE IN 1982 IN NEDERLAND
In „Gemeentenieuws van de Hervormde Gemeente te Wassenaar' van 25 juni schreef de predikant:
Zondag, 27 juni a.s. zal in de morgendienst voorgaan de voormalige pastoor van de R.-K. St. Willibrorduskerk hier in Wassenaar, cand. Th. Oomens. Enige tijd geleden is hij overgegaan naar de Ned Hervormde Kerk, heeft de opleiding tot predikant afgemaakt en is nu beroepbaar. Om wat ervaring op te doen wilde hij graag een keer in onze Dorpskerk in de dienst voorgaan. Voor de meesten van ons is hij zeker geen onbekende. Regelmatig zit hij zondags onder mijn gehoor.
Op zondag 27 juni was de kerk stampvol, ongeveer duizend mensen. De plaatselijke predikant besteeg de kansel en zei dat cand. Oomens niet zou voorgaan, omdat er te veel druk op hem was uitgeoefend door de r.-k. parochie van Wassenaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
