HEBT U DAAR DAN GEEN LAST VAN?
Ik kan dat optimisme wat mijzelf betreft, niet delen. Bij mijzelf konstateer ik andere feiten, die zich zo regelmatig voordoen, dat ze wel het gevolg moeten zijn van „een andere wet" in mij. De bron van de zonde is bij mij nog niet gestopt. Er is nog altijd een zondige wortel in mij, taai en onuitroeibaar, waaruit telkens het onkruid groeit van verkeerde gedachten, woorden en daden.
Ik zou het graag anders willen. Ik heb er een afkeer van, net als Paulus (Rom. 7 : 15). Ik heb ook wel de neiging om dat verkeerde te verbergen achter mooie bijbelteksten en diepzinnige theologische uiteenzettingen. Maar ik weet dat ik dan mezelf bedrieg. De feiten liggen anders en: feiten zijn feiten. Daarvoor ben ik toch te nuchter. Misschien speel ik het ook wel klaar om Rom. 7 te laten slaan op de onbekeerde Paulus, maar daarmee heb ik de feiten bij mijzelf niet omver gepraat. Die staan daar dan nog even duidelijk, onomstotelijk.
Ben ik een zondige uitzondering?
Laat ik wat konkreter zijn. De wortel van alle zonde is de hoogmoed, het zelfbehagen, ten diepste het „aan God gelijk willen zijn", want langs die weg is de zonde het paradijs binnengetreden. (Op zielkundig terrein heeft vooral Alfred Adler, van wie ook de term en het begrip „minderwaardigheidscomplex" afkomstig is, aangetoond dat de geldingsdrang de oorzaak is van allerlei leed.)
Welnu, ik moet ronduit bekennen dat het me niet volkomen koud laat, wanneer ik kritiek krijg op mijn preken, spreken of schrijven. Als iemand meewarig zijn hoofd schudt en zegt: „Het was pét; er was geen touw aan vast te knopen; ik heb zitten geeuwen onder uw preek", - dan raakt dat mij, mij, heel persoonlijk. Dan heb ik niet alleen verdriet omdat de heerlijkheid en de troost van het Woord Gods niet bij deze luisteraar is overgekomen, maar dan is er bij mij ook een pijnlijk gevoel, omdat ik het er zo knudde van af heb gebracht.
Nu is mijn vraag: Hebt ü, lezer, daar dan geen last van? Zoekt ü dan alleen maar de eer van God? Blijft ü er volkomen onbewogen onder, als men uw naam door het slijk haalt, als men u achter uw rug uitlacht, als u ergens een modderfiguur hebt geslagen? Is er ook bij u geen strelend gevoel van ijdelheid, wanneer men u in uw gezicht bejubelt, omdat u het er zo goed van afheb gebracht, omdat u op het juiste moment het juiste woord wist te zeggen of te schrijven, enz.? Staat uw leven alleen maar gekeerd naar God? Hebt u Hem lief boven alles, altijd en overal? Zijn uw daden van de dag en uw dromen van de nacht steeds vervuld van Hem? Hebt u uw naaste lief als uzelf? Ja, in dezelfde mate waarin u bezorgd bent voor uzelf en werkt voor uw eigen comfort? Niet alleen met woorden - die zijn zo goedkoop! - maar ook met daden? Volbrengt u de bergrede?
We kunnen ons wat wijsmaken
We kunnen onszelf wel wijsmaken, dat wij inderdaad aldus zonder zonde leven. Dat kan gebeuren doordat we de eis van Gods wet verzwakken. Misschien zegt iemand tegen mij: Och, u neemt dat allemaal zo zwaar. Is dat nu zo erg, als wij tevens onze eigen eer zoeken? God heeft ons toch zo geschapen. Een gezond zelfrespekt is toch zeker geheel overeenkomstig onze natuur, dus overeenkomstig Gods bedoelingen.
We kunnen onszelf ook wat wijs maken door een rookgordijn van vrome woorden te leggen over die troebele bron in ons. Ja, ik heb meerdere malen dergelijke mensen ontmoet. Ze zeggen bijvoorbeeld: „We willen anderen tot zegen zijn. We bidden dat de Heere anderen tot bekering zal brengen, enzovoort'. Op zichzelf kan iemand dat in alle ootmoed zeggen, maar ik zie zo vaak door de gaten van de nederige plunje, waarin ze zich voordoen, de zelfvoldaanheid glunderen. Ze roepen telkens: „Halleluja" - zeker, we mogen de Heere prijzen - maar het is een halleluja voor zichzelf; het is geestelijke hoogmoed.
Ik wil graag de raad van Paulus opvolgen dat de een in ootmoedigheid de ander uitnemender moet achten dan zichzelf (Fil. 2 : 3), maar ook hier geldt: feiten zijn feiten. Ik zou liegen, wanneer ik zulk vroom gepraat zou beschouwen als een uitsluitend zoeken van Gods eer. En we mogen geen leugens inschakelen om maar ootmoedig te kunnen zijn.
Welk plezier heeft God dan nog in ons?
Met die vraag worstelt ook Paulus in Rom. 3 : 9 - 20, als hij vaststelt dat niemand goed of rechtvaardig is, ook niet één. (Dat is dus meteen een antwoord op de vraag of ik een zondige uitzondering ben, „want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" vs. 23.)
God kan eigenlijk alleen maar behagen hebben in Zijn Zoon Jezus Christus. Dat welbehagen over Zijn Geliefde heeft de Vader duidelijk geproklameerd o.a. bij de Doop van Jezus in de Jordaan.
We vinden echter in de Bijbel nooit eenzelfde soort proklamatie over Gods welbehagen in de mens op zichzelf. Altijd is dat verbonden met Zijn welbehagen over Jezus Christus. De vrede op aarde aan de mensen van Gods welbehagen werd uitgezongen boven de velden van Bethlehem, waar zo juist Jezus geboren was. De uiteenzetting van Paulus in de Romeinenbrief loopt ook uit op die roem van God alleen, die zo groot is in erbarmen dat God de goddeloze rechtvaardigt langs de weg van het geloof in de Enige in Wie Hij welbehagen heeft.
We lezen dat in de Bijbel en we mogen ons verblijden in die zekerheid. Maar toch zullen we ons er altijd over moeten verbazen, dat die God dat dan toch maar doen wil, dat Hij altijd weer geduld met ons heeft en vanuit Jezus Christus Zijn welbehagen ook wil uitstrekken over ons, die Hij tot geloof heeft geroepen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
