NOG MEER CITATEN VAN DS. MURRAY
Alleen door de inwoning van Christus in Zijn goddelijke nederigheid, worden wij werkelijk nederig. Wij hebben onze hoogmoed van een ander, van Adam; wij moeten ook onze nederigheid van een Ander hebben. De hoogmoed is in ons en regeert in ons met zulk een vreselijke kracht, omdat hij tot onze eigen natuur behoort. Op dezelfde wijze moet de nederigheid onze eigen natuur zijn. Zo natuurlijk en gemakkelijk als het was om hoogmoedig te zijn, zo moet het ook worden om nederig te wezen. De belofte luidt: „waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden" (Rom. 5 : 20), zelfs in het hart.
Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, die hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, die hij niet gezien heeft? (1 Joh. 4 : 20)
Wat een machtige gedachte, dat onze liefde tot God afgemeten zal worden aan onze dagelijkse omgang met de mensen en aan onze liefde die daarin aan de dag gelegd wordt; en dat onze liefde tot God bedrog zal blijken te zijn, tenzij haar echtheid getoetst wordt aan onze dagelijkse omgang met onze medemensen. Zo is het ook met onze nederigheid. Het is gemakkelijk te denken, dat wij onszelf voor God willen vernederen: nederigheid tegenover de mensen zal het enige genoegzame bewijs zijn, dat onze nederigheid voor God echt is; dat de nederigheid woning in ons gemaakt heeft en onze natuur geworden is; dat wij inderdaad, zoals Christus, onszelf vernederd hebben. Wanneer in de tegenwoordigheid van God nederigheid van hart niet geworden is een houding die wij alleen aannemen wanneer wij aan Hem denken of tot Hem bidden, maar de geest van ons leven is, dan zal zij zich openbaren in heel ons gedrag tegenover onze broeders. Deze les is er een van het grootste belang: de enige nederigheid die wezenlijk de onze is, is niet die welke wij laten zien aan God tijdens het gebed, maar die welke wij in ons omdragen en in onze gewone dagelijkse houding ten toon spreiden; de onbeduidende dingen van het dagelijks leven zijn de belangrijke dingen en de toets voor de eeuwigheid, omdat zij bewijzen wat de ware geest is die ons bezielt. Het is in onze meest onbedachtzame ogenblikken dat wij tonen wat wij in werkelijkheid zijn. Om de nederige mens te kennen en te weten hoe hij zich gedraagt, moeten wij hem volgen in de gewone loop van zijn dagelijks leven.
Is dit niet watjezus leerde, toen de discipelen erover twistten, wie de meeste zou zijn, toen hij zag hoe de Farizeeën de voornaamste plaatsen bij feesten en het vooraanzitten in de synagogen beminden, toen Hij hun het voorbeeld had gegeven door hun voeten te wassen? Nederigheid voor God betekent niets, als zij niet bewezen wordt in nederigheid tegenover de mensen.
Het voornaamste kenmerk van nagebootste heiliging is haar gebrek aan nederigheid. Iedere zoeker naar heiliging behoort op zijn hoede te zijn, opdat niet onbewust wat in de geest begonnen werd, in het vlees wordt volbracht, en de hoogmoed niet binnensluipt waar haar tegenwoordigheid het minst werd verwacht. Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden: de een was een Farizeeër, de ander een tollenaar. Er is geen plaats of positie zo heilig, dat de Farizeeër daar niet zou kunnen binnengaan. De hoogmoed kan haar hoofd opheffen in de tempel van God en die tot het toneel van haar zelfverheffing maken. Sedert de tijd dat Christus deze hoogmoed blootlegde, heeft de Farizeeër het kleed van de tollenaar aangenomen en moet de belijder van diepe zonden, evenzeer als de belijder van de hoogste heiliging, op zijn hoede zijn.
„O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, of ook als deze tollenaar", (Luc. 18 : 11). Hoogmoed is vaak in hetgeen ons met recht reden tot dankbaarheid geeft, het is zelfs in de dankzegging die wij God toebrengen, het kan zelfs, dat het „ik" zijn reden tot zelfvoldoening vindt in de belijdenis dat God alles gedaan heeft. Ja, zelfs wanneer in de tempel de taal van boetvaardigheid en vertrouwen op Gods barmhartigheid gehoord wordt, kan de Farizeeër het loflied aanheffen en zichzelf gelukwensen. De hoogmoed kan zichzelf in de kleren van lofprijzing of van boetvaardigheid wikkelen. Al worden de woorden: „Ik ben niet zoals andere mensen" verworpen en veroordeeld, hun geest dikwijls gevonden worden in onze gevoelens en in onze taal tegenover onze medebidders en medemensen. Wilt u weten of dit zo is, luister dan maar naar de wijze waarop kerken en Christenen dikwijls over elkaar spreken. Hoe weinig wordt er van de zachtmoedigheid en tederheid van Jezus gehoord. Men bedenkt zo weinig, dat diepe nederigheid de grondtoon moet zijn van wat dienstknechten van Jezus over zichzelf en over elkaar zeggen. Zijn er niet vele kerken of groepen van gelovigen, vele speciale diensten of samenkomsten, genootschappen of commissies, zelfs veel zendingsarbeid ver onder de heidenen, waar de harmonie verstoord wordt en het werk van God verhinderd, omdat mensen die als heiligen geacht worden in hun lichtgeraaktheid, haast en ongeduld, in hun zelfverdediging en zelfaanmatiging, in scherpe oordeelvellingen en onvriendelijke woorden, bewezen hebben dat zij de ander niet uitnemender achtten dan zichzelf en dat hun heiligheid maar weinig van de zachtmoedigheid der heiligen in zich heeft? In hun geestelijke ervaringen mogen de mensen tijden gekend hebben van grote vernedering en verbrokenheid van hart, maar hoe verschillend is dit van het met nederigheid bekleed zijn, van het bezitten van een nederige geest, van het hebben van die nederigheid van het hart waarin een ieder zichzelf de dienstknecht van anderen acht en zo het gevoelen toont dat ook in Christus Jezus was.
Nederigheid en zonde
„Zondaren… onder welke ik een eerste plaats inneem". (1 Tim. 1 : 15)
Nederigheid wordt dikwijls vereenzelvigd met boetvaardigheid en berouw. Als gevolg hiervan schijnt er geen andere wijze te zijn om nederigheid aan te kweken, dan dat onze ziel zich met haar zonden bezighoudt. Wij hebben naar ik meen geleerd, dat nederigheid iets meer en iets anders is. Wij hebben in het onderricht van onze Heere Jezus en in de zendbrieven van Paulus gezien, hoe dikwijls er op die deugd aangedrongen wordt zonder dat dit enige betrekking had op de zonde. In de aard der zaak, in de gehele verhouding van het schepsel tot de Schepper, in het leven van Jezus zoals Hij het beleefde en aan ons mededeelt, is nederigheid het wezen zelfvan heiligheid en gelukzaligheid. Zij is het opzij zetten van het ik en het op de troon plaatsen van God. Waar God Alles is, is het ik niets.
Ik vrees dat er niet weinigen zijn die door sterke uitdrukkingen van zelfveroordeling en zelfbeschuldiging, gezocht hebben zichzelf te vernederen en die met leedwezen moeten belijden, dat een nederige geest, een „hart van nederigheid", vergezeld van goedertierenheid en medelijden, van zachtmoedigheid en verdraagzaamheid, nog verder weg zijn dan ooit.
Met zichzelf bezig zijn, zelfs te midden van de diepste afschuw van zichzelf, kan ons nooit van onszelf bevrijden. Het is de openbaring van God, niet enkel omdat Hij door de wet de zonde veroordeelt, maar omdat Hij door Zijn genade ons daarvan verloste, die ons nederig maakt. De wet kan het hart van vrees doen breken; het is de genade alleen die die aangename nederigheid werkt welke een blijdschap is voor de ziel, die haar tweede natuur wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juni 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
