Mijn ziel wacht op de Heere
Ik meen dat ik in dit nummer over het gebed moet spreken. Maar ik kan dat niet zo maar, als ik dat wil.
Bidden moet over mij komen. Ineens is het er. Dan is het of ik de eeuwigheid aanraak, of de hemel mij even in zich opneemt, of ik gedurende enkele momenten bekleed word met de onsterfelijkheid.
Dan weet ik dat deze „Koning der koningen en Heere der heren alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont" en dat „geen mens Hem gezien heeft noch zien kan" (1 Tim. 6: 15-16). En tóch is het alsof ik dan iets van Hem zie, de zoom van Zijn kleed, de gouden schemering van de avondzon die achter de horizont verdwenen is.
En hoe het ook zij, ik ervaar Hem als Iemand, Iemand die thans mij aanziet, terwijl ik aan het typen ben, Iemand die mij liefheeft, … mij.
Hij spreekt tot mij, onweerstaanbaar. Vanachter de bergen van het onvergankelijke Licht daalt Hij tot mij neer, genadig, vaderlijk, in onzegbare teerheid.
Hij reinigt mij eerst met het bloed van Zijn eigen Zoon. Hij doet dat en zegt het tegen mij. Want Hij weet dat ik anders nooit naar Hem zou durven opzien.
Maar Hij wil dat mijn ogen zich richten naar Hem. Hij wil dat ik, broze, nietige schepseltje, rust in Zijn ogen. Hij wil mij zeggen hoe barmhartig Hij is voor mij. Hij wil de dankbaarheid zien in mijn ogen, lezen in mijn hart; dankbaarheid, dankbaarheid
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
