In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

JOHAN KOOPMAN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

JOHAN KOOPMAN

10 minuten leestijd

Aan de pastoors van Dedemsvaart en Velp

Het is voor mij erg moeilijk een brief te schrijven aan mensen die ik niet ken. En dit te meer wat deze brief betreft. Immers ik moet u een keuze mededelen, die u vreemd in de oren zal klinken.

Ik wil u namelijk meedelen dat ik hiermede mijn lidmaatschap van de R.-K. Kerk opzeg. Op grond daarvan verzoek ik u tevens mij te schrappen uit het doopregister van uw kerk.

Het is daarom dat ik deze brief tot u beiden richt, tot de pastoor van Dedemsvaart, de parochie waar ik geboren ben, en tot de pastoor van Velp, de parochie waartoe ik sedert 23-10-'81 zou behoren.

Ik ben namelijk op 19 mei 1952 geboren in Dedemsvaart (gemeente Avereest) en gedoopt op 20 mei 1952. Ik ben een zoon van F. A. Koopman en van M. J. D. Koopman-Rijsemus. Vader is overleden op 18 februari 1967.

Graag zou ik een schriftelijke bevestiging ontvangen van het feit dat ik uit uw registers geschreven ben. Postzegel voor antwoord hierbij ingesloten. Bij voorbaat hartelijk dank.

Ik wil getuigenis afleggen van mijn beslissingen en van mijn geloof van waaruit ik die beslissingen genomen heb.

Wellicht hebt u moeite met de stap die ik gezet heb. Laat ik echter u meteen zeggen dat de reden niet is dat ik van de kerkgemeenschap die ik nu verlaat, niet zou houden. De reden is dat ik tot de overtuiging ben gekomen dat de R.-K. Kerk niet meer beantwoordt aan de opdracht die Christus aan Zijn gemeente heeft gegeven. De R.-K. Kerk stelt in feite het gezag van zichzelf boven het Woord van God. Daardoor kwam ik voor de keuze te staan: Wie moet ik dienen en gehoorzamen: het Woord van God of het gezag van de R.-K. Kerk. Niemand kan immers twee heren dienen. U begrijpt dat vanuit deze keuzemogelijkheid ik kiezen moest vóór het Woord van God.

Ik schreef dat ik nog steeds houd van de kerk waarin ik ben opgegroeid. Maar de Schrift leert ons dat we de naaste niet méér mogen liefhebben dan God.

Overigens moet ik eraan toevoegen dat we de naaste ook alleen kunnen liefhebben dóór Christus, en niet uit onszelf. We zijn daar niet toe in staat; onze ik-gerichtheid is daarvoor te groot.

In mijn nog korte leven heb ik veel proberen te doen, in en om de kerk, in de tijd dat ik in Nijverdal en in Amsterdam woonde.

In Nijverdal als hulp van de koster en broedermeester (voor de begeleiding van de pelgrims naar (de Mariabedevaartplaats) Kevelaer); in Amsterdam als weekendkoster, terwijl ik tevens assistentie verleende bij begrafenissen en huwelijkssluitingen en verder allerhande werk deed dat voorkwam.

Maar eens stelde een vriend mij de vraag of ik met al die werkzaamheden in een goed blaadje bij God dacht te komen. Hij verwees daarbij naar Gal. 2 : 16 - 21. Nog méér vragen stelde hij: Bid jij wel echt? Weet je wat wedergeboorte is? En daarbij verwees hij mij naar Joh. 3 : 3, 5

Over de eerste vraag had ik eigenlijk nooit grondig doorgedacht. Ik deed dat werk, omdat ons de laatste tijd steeds was bijgebracht dat we dienstbaar moesten zijn. Een andere motivatie was niet bij mij opgekomen.

Wat betreft de tweede vraag, die moest ik met nee beantwoorden. Natuurlijk sprak ik vaak genoeg allerlei formuliergebeden uit. Maar hij bedoelde een bidden, waarbij je je met je eigen woorden tot God richt.

Op zijn derde vraag kon ik alleen maar antwoorden: Nee, over wedergeboorte en de noodzaak daarvan om het Koninkrijk Gods binnen te kunnen gaan, daarover heb ik nooit gehoord.

De vragen die hij op mij afvuurde, werden steeds indringender. Hij vroeg mij of ik mijn leven aan de Heer had gegeven; of ik mijn zonden en ongerechtigheden aan Hem had beleden en Hem gevraagd had mijn leven in Zijn handen te leggen. Hij zei dat ik, wanneer ik dat deed, bevrijd zou worden van mijn zonden, dat ik dan reingewassen zou worden door Zijn bloed (1 Petr. 1 : 19), gekocht en betaald met dat Bloed en dat ik dan voortaan zou mogen leven door het geloof in Hem (Joh. 11 : 25).

Die vragen hebben stormen in mij teweeg gebracht, maar de Heer heeft overwonnen. Ik ben tenslotte op de knieën gegaan en heb mij aan Hem toevertrouwd.

Ik ben nu niet meer van mijzelf. Ik behoor Hem toe. Ik ben Zijn eigendom, want ik ben - ik herhaal dat - gekocht en betaald met Zijn Bloed (Joh. 3 : 14 - 21 en ook Gal. 2 : 19 - 21).

Vooral vers 20: „Ik zelf leef niet meer; Christus is het die leeft in mij. Voorzover ik nu leef in het vlees, leef ik in het geloof in de Zoon van God, die Zichzelf heeft overgeleverd voor mij".

Op grond daarvan mag ik nu weten dat ik ben afgestorven aan mijn oude, zondige „ik", afgestorven aan de machten dezer wereld (duisternis).

Ik mag nu weten dat mijn oude „ik" met Hem is gekruisigd en dat ik ben opgestaan met Hem en leef door Hem. Anders gezegd: Ik ben opnieuw geboren door het geloof dat de Zoon van God mij liefheeft en Zijn leven voor mij heeft gegeven. Ik mag nu dóór Hem, mét Hem, in Hem en voor Hem leven, nu en later.

Het laatste jaar heb ik in België gewoond om daar een priesteropleiding te volgen en toe te treden tot een kloostergemeenschap.

Bij die priesteropleiding kwam ik tot de ontdekking dat men de Schrift niet meer als Gods Woord aanvaardt.

Ik bemerkte dat men de opstanding van Christus tot iets geestelijks maakt Volgens hen zou Christus niet lichamelijk zijn opgestaan.

Maar daarmee ondergraaft men de fundamenten van ons geloof. Als ik een stoel pak en er de poten onder weg zaag, kom ik op de grond te zitten. Dan heeft die stoel geen zin meer.

En zo is het ook met het geloof in de verrijzenis van Christus. Als ik niet meer geloof dat Christus werkelijk is opgestaan, dan heeft mijn geloof in Hem geen enkele zin meer.

Als ik deze theologen zo bezig hoorde, moest ik vaak denken aan de Sadduceeën, waarover in het Nieuwe Testament vaker wordt geschreven. Deze Joodse sekte geloofde niet in de opstanding der doden (zie Hand. 4 : 1 - 3 en Mt. 22 : 23 - 46). Het is jammer dat mensen zichzelf hoger achten dan God en dan Zijn Woord. Zij maken dat Woord krachteloos en beroven het aldus van het leven dat in dat Woord vervat ligt.

Zo staan zij aan de kant van de duivel, die voortdurend vijandschap wil stichten tussen God en de mensen (zie Gen. 3:15; Rom. 8 : 7; Ef. 2 : 14 -16 en Jak. 4:4). Christus heeft over hen die aldus zich vergrijpen aan de Schrift, gezegd: „Zo maakt

gij het Woord Gods krachteloos ten gunste van uw overleveringen, die gij doorgeeft. En gij doet meer van dergelijke dingen" (Mk. 7 : 13).

Wanneer ik het heb over geloven in Christus, dan zult u intussen begrepen hebben dat ik daar niet mee bedoel een verstandelijk voor waar houden van wat Christus gezegd heeft. Immers op deze manier geloven de duivelen ook.

Wij mogen nu leven in en van het volbrachte werk van Christus. Wij hoeven er niets meer aan toe te doen. We kunnen dat zelfs niet eens, want anders zouden we Christus en Zijn kruis tot een leugen maken (ziejoh. 1 : 10enljoh.5 : 10- 12).HIJ HEEFT HET GEDAAN! Dat mogen we in geloof aanvaarden.

Ik hoop niet dat ook u tot hen behoort die een dergelijke geestelijke verrijzenisleer aanhangen en het Woord Gods krachteloos maken.

Ik wil eindigen met deze bede van Paulus: „Wij smeken u in Christus' naam: Laat u met God verzoenen" (2 Kor. 5 : 20). Geef uw leven over aan Hem en erken Hem als uw persoonlijke Verlosser en Heer.

Dat bid ik u toe,

U vriendelijk groetend,

hoogachtend:

J. Koopman, p.a. Boulevard 11, 6881 HN Velp G.

Reakties

Er kwam een zakelijk en sympathiek antwoord van de waarnemend pastoor van Dedemsvaart.

Hij schreef: „U staat hier in de Doopregisters ingeschreven. U bént hier gedoopt. Dat is een feit. Dat feit wegschrappen uit de registers zou gelijk staan met vervalsing van het Doopregister".

Daarin heeft deze waarnemend pastoor gelijk. Maar dat bedoelde Johan natuurlijk niet. Hij bedoelde dat in die registers zou worden bijgeschreven dat hij de R-K. Kerk had verlaten.

Geloven op gezag van Gods Woord

Deze waarnemend pastoor heeft 35 jaar in de missie ergens in Afrika gewerkt. Hij schrijft dat hij verbaasd is over alles wat hij bij zijn terugkeer hier tegenkwam. „Hier in Nederland hoor je vaak: Geloof jij dat nog? Ik weet wel beter! Maar de katholieken van Nederland vormen nog niet één procent van de wereldkerk". Hij herinnert er dan aan dat de R.-K. Kerk officieel nog steeds de lichamelijke opstanding van Christus leert. Hij schrijft: „In een kwestie van geloof gaat het er om iets aan te nemen op gezag van God. Een eerste vereiste is een grote nederigheid om naar Gods Woord te luisteren".

Inderdaad, zo zouden wij zeggen, en daarom nemen wij geen leer aan op gezag van mensen, dus ook niet op gezag van de paus, wanneer die leer in strijd is met het Woord van God.

Afzwakkingspolitiek

Ook van een pastoraal team, bestaande uit vier pastores die theologisch gevormd zijn en vier parochianen van wie er twee theologie studeren, ontving br. Koopman een reaktie op de copie van de brief aan de pastoors van Dedemsvaart en Velp, die hij aan dat pastorale team had gezonden.

Daarin wordt de leer van het onfeilbare gezag afgezwakt: „De paus is de kerk niet". In Nederland bestaat die tendens om aldus mensen binnen de kerk te houden of om aan protestanten die wel voor de R.-K. Kerk voelen, een overgang te vergemakkelijken. Met name dr. Houtepen heeft in zijn boek „Onfeilbaarheid en hermeneutiek" dat geprobeerd. Dr. Hasler schrijft daarover:

De Hollandse theoloog A. W. J. Houtepen tracht de uitspraken van het Eerste Vaticaanse concilie weer op een andere manier te verwateren. Hij beweert, dat het concilie „geen absolute onveranderlijkheid van de dogmatische uitspraak heeft geëist". Deze formulering is op het concilie in deze vorm wel niet te vinden, maar het is wel absoluut een feit. Vaticanum I beschouwde de uitspraak over de onfeilbaarheid als bindend voor alle tijden. Alleen al de verhalen over de onderwerping hadden voldoende moeten zijn om Houtepen uit de droom te helpen. De Hollandse theoloog zou de betekenis van de onfeilbaarheidsverklaring verder willen beperken door de stelling, dat het op het Eerste Vaticaanse concilie niet zozeer om de vraag naar de waarheid ging, maar om het probleem van het hoogste gezag in de kerk. Zo zou de paus helemaal niet onfeilbaar zijn verklaard, maar hem alleen maar het recht op het laatste woord in de kerk zijn toegekend. Als men daar een goddelijk voorschrift in wil zien, is de bewijslast niet minder zwaar. Houtepen ziet verder over het hoofd, dat het woord van de paus als bindend gold, omdat het voor onfeilbaar werd gehouden. Rome treedt niet op tegen zulke pogingen om de zaak wat onschuldiger voor te stellen; integendeel, ze schijnen de curie vaak welkom te zijn. Immers, ze kalmeren de gemoederen en verspreiden de gedache, dat het Eerste Vaticaanse concilie veel beter was dan zijn reputatie (p. 203).

Bijbelschool

Br. Koopman volgt momenteel de zaterdag-bijbelschool in Arnhem. Bij de aanvang van het nieuwe cursusjaar hoopt hij de dag-bijbelschool te kunnen volgen in Doorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

JOHAN KOOPMAN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982

In de Rechte Straat | 32 Pagina's