Gods voetsporen
Maar er is ook een kennen van God uit Zijn machtige werken. De Bijbel zelf onderwijst ons daarin.
Ps. 19 is daarvan het sublieme voorbeeld. „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen". Wij zongen vroeger:
„Weet gij hoeveel sterren kleven aan Gods held're hemelboog?
Weet gij hoeveel wolken zweven?
Boven alle bergen hoog?
Al die duizenden tesamen roept de Heer bij hunne namen en geen één ontglipt Zijn oog"
Als u in een heldere vriesnacht al dat twinkelen ziet aan het firmament en u weet iets over de duizelingwekkende afstanden van die sterren en melkwegstelsels, wordt het dan nooit stil in u? Is het dan nooit of al die hemellichamen u toefluisteren: „Hoe groot is God! Hoe groot is God!"?
Hoe vaak spreken de psalmisten hun bewondering uit voor Gods majesteit, die Hij in de schepping openbaart. „Het geluid van Uw donder was in het rond; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde. Uw weg was in de zee en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend" (ps. 77). En hoe aangrijpend beschrijft ps. 29 niet het onweer? Die psalm wordt dan ook ingeleid met deze opwekking: „Geeft de Heere, gij kinderen der machtigen, geef de Heere eer en sterkte. Geeft de Heere de eer Zijns Naams, aanbidt de Heere in de heerlijkheid van het heiligdom".
Juist wanneer je de prachtige opbouw van de natuur ziet, krijg je des te meer oog voor de verdorvenheid van de mens die al dat mooie kapot maakt. Zo kunnen we dan ook goed begrijpen dat ps. 19 in het tweede gedeelte overgaat op de lofzang van Gods wet. „De wet des Heeren is volmaakt, bekerende de ziel".
De oorzaak van de ontwrichting van de natuur ligt in de zondeval. Paulus laat zien dat de schepping aan de ijdelheid, de vruchteloosheid, is onderworpen vanwege de zonde van de mens. En die schepping zucht daaronder als in barensnood en ziet met reikhalzend verlangen uit naar de openbaring van Gods kinderen, want dan zal zij ook zelf bevrijd worden van het juk (Rom. 8: 19-22).
Als ik zie hoe de dieren elkaar beloeren en opvreten, dan hoor ik daarin dat zuchten van de schepping, want zó heeft God het oorspronkelijk niet bedoeld. Als ik die vogels angstig en schichtig zie rondkijken en ik zie tevens het sluipen van de kat, dan verheug ik er mij in elk geval over dat in de Bijbel een andere toekomst in het vooruitzicht wordt gesteld. „De wolf zal met het lam verkeren… de koe en de berin zullen tesamen weiden" (Jes. 11: 6-7).
En je kunt verdrietig worden onder al die milieuverontreiniging, over weer een stukje bos dat plaats moet maken voor het harde, zakelijke beton van de snelwegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
