geestelijk leven
Ieder van ons kent wel de geestelijke ervaringen en genietingen, die gepaard gaan met allerlei soorten van godsdienstig handelen, zoals b.v. meedoen aan een eredienst, luisteren naar een theologisch goed gefundeerde predikatie en naar de gebruikelijke gebeden, waarbij een kerkelijke ambtsdrager voorgaat.
Voor niet weinigen zal deze wijze van vervullen van onze „plicht" tegenover onze hoogverheven, almachtige, oneindige, eeuwige en daardoor nogal verre God en Vader wel zo ongeveer de hoogste geestelijke belevenis zijn die een gewoon christen in zijn of haar verhouding tot onze Heere kan bereiken.
Bovendien denkt men vaak op deze wijze ook genoeg te doen om voor een normale doorsnee christen te kunnen doorgaan. Vandaar dat mensen me nogal eens zeggen: ik ben gedoopt, ik heb belijdenis gedaan, ik ben in de kerk getrouwd, mijn kinderen heb ik laten dopen, ik ga iedere zondag twee keer naar de kerk, ik geniet geweldig van een goede orthodoxe preek, wij bidden 's morgens en 's avonds en bij het eten. Nou, wat zou ik dan nog verder moeten doen om me een fatsoenlijk, plichtsgetrouw christen te mogen noemen?
En toch is dat niet zonder meer duidelijk. Want herhaaldelijk bemerk ik, vooral bij jongeren, dat dit hen voor niet geringe problemen stelt. Zij vragen mij namelijk of zulke mensen inderdaad wel plichtsgetrouwe fatsoenlijke christenen zijn. En dan wijzen ze me op mensen door de hele geschiedenis heen, die al deze „plichten" vervulden en die al deze genietingen genoten, maar die intussen er niet voor terugschrokken om oorlogen te verklaren, mensen te verdrukken of te vermoorden, gruwelijke misdaden te begaan bij de verovering van andere landen, schatrijk te leven ten koste van talloze armen, die door hen op schandelijk onrechtvaardige wijze werden uitgebuit, enz. En boven de ruimen van de schepen van slavenhandelaren, waarin weggeroofde zwarte mensen op beestachtige wijze bijeengestouwd waren om in een ver en vreemd land te worden verkocht, werd toch de Bijbel gelezen en gebeden en werden toch kerkdiensten door deze christenen gehouden?
Inderdaad is dat in de loop van de geschiedenis veelvuldig door zulke „fatsoenlijke, plichtsgetrouwe christenen" gebeurd. En het is een slechte zaak om dat te ontkennen of om te proberen dat verklaarbaar te maken of goed te praten, want dan jaag je de vragende jonge mensen definitief van het christendom weg.
En juist vanwege dit probleem en deze vragen ben ik zo blij dat ds. Hegger dit nummer van IRS eens helemaal wijdt aan het gebed en aan het geestelijke leven in gemeenschap met de Heere.
Want dat is het antwoord op de zojuist gestelde vraag: deze mensen noemen zich wel „plichtsgetrouwe, fatsoenlijke christenen", maar zijn het in werkelijkheid volstrekt niet, omdat ze geen persoonlijk geestelijk leven en gebedsleven hebben en geen innige vertrouwensband met de Heere zoals een kind Gods met zijn Vader.
De Bijbel als ontmoetingsboek
Datzelfde probleem kom ik ook - en weer vooral bij jonge mensen - tegen, als je de Bijbel te veel beschouwt en behandelt als een leerboek, waarin je vooral een bepaalde godsdienstige leer tegenkomt.
Want dan wijzen ze je er meteen op hoe „plichtsgetrouwe, fatsoenlijke christenen" in de loop der eeuwen elkaar op harteloze, genadeloze en liefdeloze wijze met die bijbelse leer in de naam des Heeren geestelijk de hersens hebben ingeslagen. En ook dat is helaas veelvuldig gebeurd.
Daarom is het beter en ook juister om de Bijbel niet vooral voor te stellen als een boek, waarin je een bepaalde leer tegenkomt, maar als een boek, waarin je vooral de persoon van de Heere tegenkomt en waarin je Zijn vergevend en zegenend woord tot jou krijgt te horen. En met de Heere kun je niet, zoals met een leer, een medemens slaan of beschadigen of pijn doen.
Om al deze redenen ben ik bijzonder blij met wat ds. Hegger allemaal in ons blad heeft geschreven over het biddend, in de meest nauwe persoonlijke relatie, leven met de Heere, waarin een christen alleen maar volwaardig christen kan zijn, zonder zich schuldig te maken aan alle verschrikkelijke ónchristelijke dingen zoals bovengenoemd en waardoor hij alle geweldige dingen krijgt te genieten die er voor de ware christen in echte gemeenschap met de Heere te beleven en te genieten zijn. En dat is veel meer dan de maar beperkte vreugde die gepaard gaat met uitsluitend „z'n plicht doen"!
De Heere wil nog veel meer van ons en heeft nog veel meer voor ons!
Dat zegt de Heere ons duidelijk wanneer Hij in Zijn Woord met ons spreekt over de wijnstok en de ranken en over de schapen en de herder en over het zijn van Hem in ons en van ons in Hem en over Zijn eigen vrede („Mijn vrede"), die Hij ook aan ons wil geven en „die alle verstand te boven gaat" en over Gods trouw, „door welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van zijnen Zoon Jezus Christus" (I Cor. 1 : 19).
Daaruit blijkt overduidelijk, dat onze Heere een nog veel nauwer en inniger en intiemer kontakt en een nog veel vertrouwelijker omgang met ons wil en ons een nog veel diepere innerlijke vrede en vreugde wil geven dan al de bekende godsdienstige handelingen in en buiten de kerk ons kunnen geven.
Ik kijk naar Hem en Hij kijkt naar mij
Opvallend is daarbij, dat hiervoor niet vooral een grondige kennis van de reformatorische theologie is vereist, maar vooral een innige geloofsverbondenheid en een warm persoonlijk kontakt en vertrouwelijke omgang met de Heere. In dit verband moet ik denken aan een boek, dat ik eens gelezen heb van een r.k. kloosterzuster.
Dat boek heet „Het leven ener ziel" („1'Histoire d'une âme") en is op last van haar geestelijke leidsman geschreven door de jong gestorven r.k. kloosterzuster Theresia van Lisieux.
Zij had geen enkele theologische vorming gehad, maar jui * dat heeft tot bijzonder verrassend gevolg gehad, dat deze zuster spontaan en zonder door wetenschappelijk theologisch denken gehinderd te worden een boek heeft geschreven dat theologisch duizend maal beter is dan de officiële r.k. theologie en dat een diep ontroe rende beschrijving geeft van wat er geestelijk aan geweldige dingen te beleven zijn in het leven van een eenvoudig gelovig mens, die in denken, handelen en bidden en leven volkomen aan de Heere toegewijd is en overgegeven.
Zo had zij de gewoonte om urenlang te blijven bidden in de kapel. Een medezuster vroeg haar eens wat ze toch wel allemaal in dat langdurige gebed tot de Heere zei. Het verrassende antwoord van Theresia op die vraag was: „Och, eigenlijk helemaal niets. Ik kijk gewoon naar Hem en Hij kijkt naar mij."
Die paar eenvoudige woorden zeggen intussen meer over het diepste wezen van het gebed dan een lange en geleerde theologische verhandeling zou kunnen doen! Ds. Hegger spreekt ergens hier in ons blad over het „woordeloze gebed" en duidt daarmee op hetzelfde als wat Theresia bedoelt.
En dat moet ons ook niet verbazen, dat woordeloze gebed. Want dat kan vaak niet anders. Waar immers zou een mens toereikende menselijke woorden vandaan moeten halen om, bewust van eigen geringheid en zonde en geestelijke ellende, de ontroering uit te zeggen over de grootheid en majesteit én ondoorgrondelijke heerlijkheid van de Schepper en Koning en Heere van de hemel en de aarde, die in een onuitsprekelijk zalig gebaar van oneindige goedheid, barmhartigheid en onzegbare liefde zich neerbuigt om een zondig, schuchter, arm mens in Zijn veilige vaderlijke armen te sluiten?
Tot boven aan de trap!
Theresia probeert dat ook niet theologisch te beschrijven of te verklaren, want dat kan ze niet Ze probeert het alleen te benaderen met behulp van een paar eenvoudige woorden en voorbeelden.
Dat doet ze b.v. ook als ze het heeft over de betekenis van de „goede werken". In de r.k. kerk heeft ze natuurlijk geleerd, dat een mens door die „goede werken" de „hemel moet verdienen".
Maar die r.k. theologie heeft op haar persoonlijke geestelijke leven geen enkele invloed. Integendeel zal het voorbeeld wat ze noemt om aan te geven wat ze bedoelt meer doen denken aan reformatorische dan aan r.k. theologie!
Theresia schrijft hierover:
Je kunt kinderen Gods vergelijken met heel kleine kinderen, die beneden aan een hoge trap staan en die graag die trap naar boven op zouden willen, omdat hun Vader boven aan die trap staat en hen vriendelijk wenkt om ook naar boven te komen.
En daarom proberen de kinderen zo ijverig en verlangend als ze maar kunnen om voetje voor voetje die heel hoge trap te bestijgen. Maar ze blijken daarvoor veel te klein, zodat het telkens mislukt. Soms lijkt het wel even alsof de sterksten van hen met een geweldige inspanning de eerste trede wel zullen kunnen halen, maar ondanks alle pogingen vallen ze toch telkens weer bij de eerste trede al terug op de grond, en nogal heel pijnlijk ook.
Totdat ze eindelijk alle pogingen verder maar staken om alleen nog maar hulpeloos en machteloos, maar vol verlangen en hoopvol op te zien naar de Vader boven aan de trap.
En dan beleven ze de onuitsprekelijke zaligheid dat de Vader glimlachend boven van de trap naar beneden komt, zijn hulpeloze kinderen zacht en liefdevol in zijn armen neemt en hen zelf alle treden van de trap omhoog draagt, tot helemaal bovenaan toe!
Ik dacht dat we als reformatorische en rooms-katholieke christenen een paar waardevolle dingen zouden kunnen leren uit wat een r.k. kloosterzuster hier zegt in verband met ons bidden en onze persoonlijke omgang met onze Heere.
En dat is ten eerste, dat het heel goed mogelijk is dat ook een rooms katholiek, met voorbijgaan aan de valse theologie van zijn kerk - waarvan hij meestal even weinig weet als zr. Theresia van Lisieux- toch persoonlijk een waar geloof kan bezitten en een echt kind van de Heere kan zijn.
Zo zei mijn 91 -jarige rooms-katholieke moeder mij eens: „Och al dat gedoe van de kerken. Ik vertrouw alleen maar op Jezus als mijn Heiland. Hij alleen kan mij mijn zonden vergeven. Dat kan de paus niet en een priester niet en een dominee niet en jij ook niet, zei ze tegen mij. Dat kan Jezus alleen vanwege Zijn Offer aan het kruis voor de zonden van allen, die daarin geloven. En daarom vertrouw ik alleen maar op Hem en houd ik Hem maar steeds bij de hand. Dan zal Hij ook te zijner tijd de deur van de hemel voor me opendoen." Mijn moeder dacht, dat ze daarmee vrome rooms-katholieke dingen gezegd had,omdat ze (gelukkig!) van de werkelijke r.k. theologie over de rechtvaardigmaking bijna niets weet, maar wat ze zei was feitelijk zo bijbels en reformatorisch gelovig als maar zijn kan!
Zoiets kan. En daar moeten we, vooral in onze nogal sterk veranderende godsdienstige omstandigheden, terdege rekening mee houden.
Ten tweede kunnen we uit het boven allemaal gezegde ook begrijpen, dat verstandelijke kennis van de reformatorische theologie en het trouw vervullen van zijn kerkelijke „plichten" alléén absoluut geen garantie is voor een echt christelijk leven en, zoals de geschiedenis onomstotelijk bewijst, dit heel gemakkelijk kan gepaard gaan en feitelijk ook heel vaak gepaard gegaan is met een zeer ónchristelijk en zelfs goddeloos en zedeloos leven.
Want geen mens kan werkelijk een echt christelijk leven leiden zonder door het gebed voortdurend in gesprek te blijven met de Heere en zonder een innige, stille, vertrouwelijke persoonlijke omgang met Hem, op de manier zoals ds. Hegger dat elders in dit blad heeft getracht te verwoorden.
In de stilte
Vooral de stilte is daarbij bijzonder belangrijk.
Want alleen in de stilte kan een mens de Heere ontmoeten. En dat ligt ook voor de hand. Want de Heere woont en werkt in de stilte. De Heere verricht zijn scheppende en onderhoudende werk in de wereld in stilte. Planten, bomen en bloemen groeien en bloeien geruisloos en de wolken drijven zonder gerucht door de lucht. En ook het herscheppende werk van de Heere in het leven van de mens door bekering, wedergeboorte en heiligmaking wordt door de Heere verricht in de stilte.
Daarom kan een mens alleen maar echt de Heere biddend ontmoeten in de stilte. De Bijbel laat dat b.v. ook duidelijk zien bij de ontmoeting van Elia met de Heere op de Horeb. Elia vond en ontmoette de Heere daar niet in het lawaai van een aardbeving op de berg en ook niet in de laaiende, knetterende vlammen van een vuur, maar in „het suizen van een zachte stilte." (I Kon. 19 : 12)
En ook Jezus zelf zocht en vond biddend het kontakt met Zijn Vader bij voorkeur heel alleen in de roerloze stilte van de nacht
En dat is nog zo. Een echte, innige, vertrouwelijke, biddende levensgemeenschap met de Heere, waaruit met en in Jezus Christus en door de Heilige Geest het eeuwige leven ontluikt in de mens en tot bloei komt, zoals ds. Hegger dat aan de hand van de Bijbel hier in ons blad heeft beschreven, is zonder stilte ondenkbaar. Maar mèt de stilte een onzegbaar zalige belevenis voor een mens! Want dan zullen wij, arme, verwarde, onzekere, zondige mensen, iets mogen proeven van de vrede des Heeren, die alle verstand te boven gaat, doordat de Heere ons dan, evenals Hij dat bij Abraham deed, zal beschouwen en behandelen als „vrienden" of, volgens de Statenvertaling, als „liefhebbers" (II Kron. 20 : 7).
En zo zal dan ook de verhouding met onze Heiland, Jezus Christus gaan worden, volgens zijn eigen woorden in Joh. 15 : 15, waar Hij zegt: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd, want al wat ik van mijn Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
