HOEWEL IK STOF EN AS BEN!
„En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden (ik heb mij verstout) te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben" (Gen. 18:27). Op 6 maart 1981 werd ik 's morgens wakker met onderstaand gebed, én met de vraag: Moet ik dat publiceren in IRS?
Heere, heilige God,
Al zoveel jaren denk, spreek en schrijf ik over U. Al zoveel jaren richt ik mij tot U in mijn persoonlijk gebed. Al zoveel jaren tracht ik Uw gemeente in mijn bidden mee te nemen naar U toe. En in die gebeden vraag ik dat Gij aandacht schenkt aan mij, aan ons. Ik vraag dan de gunst dat Gij Uw oor wilt neigen naar mij, naar ons.
Ik vraag dat van U, de Eeuwige, uit Wiens mond de tijd is voortgekomen en is gaan rollen naar horizonten die altijd weer wijken, uit Wiens wezen de eeuwen zijn gaan wentelen.
Ik, ík vraag dat, ík die doordrenkt ben van de tijd, van de verandering, van het worden. „Gij zijt die Gij zijt"; maar ik word die ik word.
Ik ben slechts één zwenking van die vogel van U daarginds hoog in de lucht. Ik ben slechts een slag van zijn vleugels. Ik ben een avondbriesje dat zich meteen weer neerlegt. Ik ben een schaduw, een vleugje, een vlucht.
Gij rolt mij op het strand van de vergankelijkheid als een golfje dat meteen weer weg wil zinken in het zand, maar Gij vangt mij op. Gij wilt niet dat ik verdamp in de hitte van de dag. Gij houdt mij boven de afgrond van het niet. Onder mij zijn Uw eeuwige armen (Deut. 33:27).
Ik, ik vraag dat, ik die stof ben en tot stof zal wederkeren (Gen. 3 : 19). De wind van de jaren kan met mij spelen en mij doen wegdwarrelen in de woestijn van de vergetelheid, zodat er zelfs geen spoor meer van mij overblijft.
Maar, „eer de bergen geboren waren en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God. Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak." (ps. 90: 2,4).
En wie zijn wij? „Gelijk een slaap; gelijk het gras dat verandert; in de morgenstond bloeit het en het verandert; des avonds wordt het afgesneden en het verdort" (v. 56).
„De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, al zo bloeit hij. Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer en haar plaats kent haar niet meer" (ps. 103:15-16).
Ik waag het om te spreken met U, maar ik kan niet anders. Gij zijt een vuur, een verterend vuur (Hebr. 12:29). Maar ik ben de vlinder die zich door U wil laten verslinden, mits ik maar één met U mag zijn. Alles in mij hijgt naar U, naar U alleen.
Maar ik weet dat Gij mij niet verteren zult Want Iemand heeft Zich laten verteren in Uw vuur en dat is Uw eigen Zoon geweest. Hij liet Zich verteren door Uw toorn over onze zonde. En zo is Hij mijn hitte-schild en betrouwen geworden. Daarom kan ik, onheilige, nu tot U naderen zonder om te komen in Uw gloed.
Reeds als schepsel kan ik niet voor U bestaan. Als de zon van Uw heerlijkheid zich in volheid over mij zou openbaren, zou ik verschroeien, zou ik opdrogen in Uw verzengende licht.
Maar nee, Gij wilt dat ik er ben, dat ik er voor altijd zal zijn. Onder mij zijn Uw eeuwige armen.
Maar ik ben niet slechts Uw schepsel. Ik ben een zondig mens. Ik voel in mij de neiging - ontzettend! - om U naar Uw kroon te grijpen. Uw maaksel wil zich vergrijpen aan zijn Maker. Daarom is het een dubbele vermetelheid dat ik mij verstout tot U te spreken.
Maar ik kan niet anders. Ik wil mijzelf uitschreien voor U. En ik durf het, want Gij hebt gezegd: „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol" (Jes. 1:18). Heere, ik belijd mijn zonden.
Ik zie in mij de trek naar het zelfbehagen. Zeker, ik weet ook dat Gij de vreugde hebt gewild over het werk van onze handen. Op zichzelf is het helemaal geen zonde, waneer ik met genoegen kijk naar IRS, als die goed is uitgevallen. Ik mag er pleizier in hebben dat ons blad vlot leesbaar is en er aantrekkelijk uitziet o.a. door goede foto's.
Maar er is méér dan dat. Er komt dan ook een strelend gevoel in mij naar boven: Dat heb jij gedaan! Dat is een knap stukje werk van jóu.
En deze ijdelheid is zonde. Ik wéét dat. Ik heb er dan ook een afschuw van. Ik zou zo graag daar helemaal vrij van zijn. Ik hunker ernaar, dat mijn leven, alles wat ik doe, louter tot lof zij van Uw grote Naam. Gijzelf hebt die trek in mij gelegd, dat verdriet over, die haat tegen de zonde, tegen de zelfvoldaanheid. Ik wil die zelfvoldaanheid niet. En dat niet-willen komt van Uw kant als Gij mij aan mijzelf had overgelaten, dan zou ik dat zoeken van mijzelf als levensdoel hebben gekozen.
Uw Woord en Uw Geest staan in mij brandend tegenover de zonde. Dat is die innerlijke verscheurdheid, die tegelijk zoet en pijnlijk is. Uw Woord „werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen" (Jer. 20:9).
O Heere, reinig mij, heilig mij! Raak mijn lippen en mijn hart aan met de gloeiende kolen van Uw altaar, van het altaar van Uw Zoon Jezus Christus; was mij rein met Zijn offerbloed van Golgotha.
Doe dat met ieder die dit gebed leest. Indien er zijn die zich nog steeds bewust aan die zelfvertroeteling, die zelfbewieroking, overgeven, kom dan ook in hen met Uw tweesnijdend zwaard. Brand hen los van zichzelf. Schenk ook aan hen die weerzin tegen elk roven van Uw eer.
Schenk ons Uw barmhartige, geduldige liefde. Doe ons warmte om ons heen verspreiden, de warmte van de zichzelf-vergetende liefde. Maak ons tot heenwijzers naar U vanwege de macht van Uw genade die zichtbaar in ons wordt. Maak ons tot getuigen van Uw heilige Naam en van Uw grote liefde.
U zij alle lof. U zij de heerlijkheid en de eer en het aanzien en de macht en de gloed en het licht en de glorie. Amen.
Moest ik dit gebed publiceren?
Ik vond destijds de volgende redenen om het niet te doen; 1. Waarom moet ik mijn ellende uitstallen? 2. Ook zulk een uitstalling kan ten diepste weer voortkomen uit zelfbehagen. De hoogmoed kan gluren door de gaten van de plunje van onze nederigheid.
Dat is de grootste ellende van ons, dat we nooit helemaal rein, nooit volstrekt nederig kunnen zijn. Dat is de strijd van Rom. 7, die eindigt met deze noodkreet: „Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?" én met deze juichkreet van het geloof: „Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere". Ook Paulus kreeg te horen: „Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Kor. 12:9).
Reden om het wél te doen: 1. Ik krijg nog al eens reakties van lezers die denken dat ik, omdat ik steeds vanuit de geloofsblijdschap schrijf, nooit last zou hebben van aanvechtingen en twijfels. Zo kunnen ze zien dat ik geheel naast hen sta. Ik ben niet méér en niet minder dan zij. We zijn en blijven verloste zondaars in Christus. 2. Nog steeds ben ik van oordeel dat het zelfbehagen de grondoorzaak is van alle persoonlijke ruzies en van alle kerkelijke gekrakeel. Het lijkt mij daarom goed om daar altijd weer op te wijzen. 3. Het is goed om, indien mogelijk, wat meer konkreet te zijn in onze zondebelijdenis. Een algemene erkenning: „We zijn allemaal zondaars en aan ieder van ons hapert wel wat" - kan zo goedkoop zijn.
Redenen vóór en redenen tegen. Hoe zou ik te weten komen wat de Heere wil? Want daar gaat het om. Wil Hij dat ik dit gebed publiceer, ja of nee? Toen ik later op de morgen dit gebed neerschreef, werd ik wel zeven keer
onderbroken door de telefoon, waarvan drie met een belangrijke inhoud, zodat ze al mijn aandacht vroegen.
Moest ik dit zien als een poging van de duivel om het neerschrijven van dit gebed te verhinderen?
2 februari 1982
En intussen is dat gebed blijven liggen. En vandaag, 2 febr. 1982, vond ik het terug. En nu meen ik dat ik het beslist móet publiceren. Waarom? Omdat ook br. den Boer mij eveneens wees op dat spreken van Abraham met God (zie het artikel op pag. 11). Ik meen dat te moeten zien als leiding van de Heere. Vandaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 april 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
