Christus in ons
Ds. J. van Veen schrijft: „Evenmin heeft iemand het recht om van een ander te verlangen dat hij (zij) de eigen gerichtheid en de bij de schepping meegekregen menselijke behoefte tot partnerkeuze blijvend ontkent in een leven van alleen gaan". Wat is daarop ons antwoord?
In de eerste plaats dit: Niet wij verlangen dat van een ander, want daar hebben we inderdaad niet het recht toe. Maar God verlangt van ons allen dat wij ons houden aan Zijn gebod. Dat geldt evenzeer voor de heterofiel als voor de homofiel.
Wat een ontzaggelijk leed wordt er niet veroorzaakt door de steeds meer toenemende echtscheidingen, met name in de zielen van de kinderen. Zij houden van vader en moeder beide. Die twee gaven hen veiligheid en geborgenheid in hun vroege bestaan. En nu gaan die ouders voorgoed uit elkaar. Daardoor wordt er binnen in de ziel van het kind iets stuk gescheurd. Iets liefs hangt in flarden te wapperen aan de waslijn van het mensdom, voor iedereen zichtbaar, zijn vader, zijn moeder.
En mag dat dan allemaal zomaar in de naam van dé „Liefde" die nu ineens in het leven van (een van) beide ouders is gekomen? Waarom houden we ons niet aan de geboden, die God aan ons allen heeft gegeven? Hij overziet alles. Hij weet wat het beste is voor het welzijn van het gehele mensdom. Zijn geboden zijn niet willekeurig. Ze komen niet voort uit de gril van een tyran, die er nu eenmaal plezier in heeft zijn wil aan anderen op te leggen. Gods geboden komen voort uit Zijn liefde, Zijn zorg voor het mensdom. Als wij met z'n allen Zijn geboden zouden opvolgen zou het een paradijs op aarde zijn.
En nu heeft deze God naast vele andere geboden ook het gebod gegeven dat we onze eventuele homofiele neiging niet moeten uitleven in homosexuele daden. Het is mogelijk dat we de grond van dat gebod niet helemaal begrijpen. Maar dan blijft het wijs van ons, wanneer we toch vol vertrouwen zeggen: Heere, wat U gebiedt, is goed.
Ik laat u niet als wezen achter (Joh. 14: 18)
En een tweede antwoord luidt: Voor elk mens is er een mogelijkheid om zijn innerlijke eenzaamheid te doorbreken. Dat geldt voor de homofiel evengoed als voor de heterofiel in een ongelukkig huwelijk. Niemand van ons hoeft „alleen te gaan"… „Ga niet alleen door 't leven; die last is u te zwaar. Laat Eén u sterkte geven, ga tot uw Middelaar".
Ik weet dat dit ook als een goedkoop religieus cliché gezegd kan worden. Daarom wil ik proberen te beschrijven wat die eenheid met Christus inhoudt.
Drink het levende water van Zijn liefde
Als Jezus de eenheid onder de Zijnen beschrijft, dan geeft Hij als grond voor die eenheid: „Ik in hen en Gij in Mij" 0oh. 17 : 23). En in Joh. 15 : 4 en 5 zegt Jezus dat het ook een zijn van ons in Hem is.
Wat is dit „zijn in Hem"? Het is niet een kwestie van het gevoel, al zal het gevoel er wel vaak bij te pas komen. Maar in wezen is het een aanschouwen, een aanschouwen door het geloof. „En dit is de wil van Hem die Mij gezonden heeft, dat een ieder die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe" (Joh. 6:40).
Door het geloof aanschouw ik Jezus Christus. Daardoor zie ik Hem voor mij, zoals Hij Zichzelf openbaart door het Woord. Het is alsof dan al die woorden van de Bijbel door de Geest tot leven worden gewekt en dan rijst uit die woorden de levende gestalte van Christus voor mij op.
Ik zie dan Zijn liefelijke gedaante. Ik schouw in Zijn milde ogen. Ik lees er de oneindige vergeving in. Ik zuig Zijn reinheid tot mij (vergeef me de uitdrukkingen, want het is zo moeilijk om weer te geven wat dit geloofsaanschouwen is). Ik klamp mij helemaal aan Hem vast. Mijn ziel vloeit dan a.h.w. over in Hem, echter zonder ook maar enigszins mijn zelfstandigheid te verliezen. Want het vreemde is dat tussen Hem en mij altijd weer de even oneindige afstand van de zonde is. Daardoor zeg ik het voortdurend tegen mezelf - beter: is er iets in mij zelf dat zegt: het kan niet, het kán niet!
En toch word ik altijd weer tot Hem getrokken. En dat kán ook, omdat Hijzelf mij op grond van Zijn Woord uitnodigt: Kom tot Mij en drink uit Mij het water des levens, het water van de liefde, om niet, want Ik heb door Mijn dood voor jou het leven verdiend. Daarom is er nu volle verzoening tussen Mijn Vader en jou, ook al woont in jou, dat is: in jouw vlees, geen goed.
Geworteld in Gods eeuwige liefde
Waarom is de zaligheid van deze eenheid met Christus onuitputtelijk? De reden is: „En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn gelijk Wij één zijn; De in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één" (Joh. 17). Wij worden opgenomen in de eenheid die er is tussen de Vader en de Zoon. Daarom komt ook over ons de glans van de eeuwige heerlijkheid van de Vader en de Zoon. Van mensenliefde zou je op den duur wee kunnen worden als van een te veel aan snoepgoed. Maar dat is met deze liefde niet mogelijk. Die liefde overtreft al het denkbare. Ze wortelt in de eeuwigheid, in God Zelf. Ze wordt door de Heilige Geest van de Vader en de Zoon in onze harten uitgestort (Rom. 5:5).
De heerlijkheid van Christus komt over je
O die onbeschrijflijke eenheid met Christus en in Hem. Hij ziet Mij en ik zie Hem. Onze ogen rusten in elkaar. Er is een band tussen Hem en mij die onverbrekelijk is, want mijn ontrouw zal nooit Zijn trouw te niet doen (Rom. 3 : 3). Die trouw ligt vast in het genadeverbond. En in het centrum van dat verbond is het kruis geplant als een goddelijke garantie van nimmer eindigende genade en ontferming.
Nogmaals, in wezen is dat niet een gevoel, maar een zien, een schouwen een geloofsaanschouwen. Maar u merkt wellicht uit deze regels hoezeer dat ook doordringt in de sferen van het gevoel. Alles in je trilt mee, wanneer je deze heerlijkheid van Christus aanschouwt, wanneer je Zijn genadige liefde over je ziet heengaan.
Ga niet alleen door 't leven
Deze eenheid met Hem biedt Christus aan een ieder die in Hem gelooft; al is het waar dat niet ieder dezelfde mate, dezelfde intensiteit, van dit geloofsaanschouwen ontvangt, maar iets daarvan is het deel van al Gods kinderen.
En in het licht van deze Liefde valt elke andere menseljke liefde (of het gemis daarvan) in het niet. Wanneer je jezelf zo doortrild weet van de aanwezigheid van deze eeuwige Geliefde in je, dan kan er nog wel veel leed en pijn in en rondom je zijn, maar dan weet je tenminste: Ik ga niet alleen.
„Daar is zoveel te klagen, daar is zoveel geween en zoveel leed te dragen, ga niet alleen".
„O armen, droeven, blinden! Laat u door Jezus vinden; Zijn last is zacht en licht. Daar is zoveel te dragen, daar is zoveel geween. Ach, wilt dan niet vertragen! Naar Jezus heen!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
