GOEDE MEESTER (Mk. 10: 17-27)
„Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve?" (v. 17). Hoevelen zoeken het eeuwige leven steeds maar bij een „goede" meester?
Deze jongeman was in strijd met de Schrift, die zegt: „Er is niemand die goed doet, ook niet één" (ps. 53:4). En dan begrijpen we ook het antwoord van Jezus: „Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Eén, (namelijk) God". Jezus weet dat Hij goed is, omdat Hij God is, maar deze jongeman ziet in Jezus niet meer dan een mens. En dan moetjezus hem terechtwijzen. Niemand die alleen maar mens is, is goed.
De taal van de jongeman doet sympathieker aan, klinkt meer menselijk, maar is desondanks fout. Het antwoord van Jezus lijkt vreemd, zelfs hard, maar is toch in overeenstemming met de Schrift.
Het kan ons irriteren, wanneer zulk een „goeie" jongeman, die de geboden stipt vervulde, niet het eeuwige leven kan verwerven en dat Christus hem zegt dat hem nog één ding ontbreekt.
„Maar, Meester, ik heb vanaf mijn jeugd alles onderhouden wat mijn „goede meesters" mij hebben voorgehouden om het eeuwige leven te verkrijgen; en U zegt dat mij nog iets ontbreekt? Zou dan alles wat ik gedaan heb, en zouden al die rijkdommen, die toch zeker een teken zijn van de zegen van de Heere, geen waarde hebben met het oog op het eeuwige leven? Dat wil er bij mij niet in. En wat zou dan een andere garantie zijn om zalig te worden, als mijn goede leven en mijn vele bezittingen als zodanig niet kunnen gelden?".
Wat voor antwoord geeft de Bijbel op die vragen van deze jongeman? De Bijbel zegt dat God Zijn geboden aan Israël heeft gegeven, niet opdat Israël daardoor tot God zou komen, maar omdat Israël reeds door genade was uitverkoren om Zijn volk te zijn. En het onderpand van onze erfenis is de Heilige Geest, als zegel van ons geloof (Ef. 1:13-14). En „dit is het werk Gods dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft" (Joh. 6:29).
Deze jongeman van Mk. 10 heeft dat niet begrepen. Er was een andere jongeman, die beschreven wordt in Phil. 3; die volgde al de onderwijzingen van zijn meesters op; hij was onberispelijk in het vervullen van de geboden, in aanzien onder de leiders van het volk. Maar op een dag riep de Heere hem en toen begreep hij dat al dat „goede" slechts drek en vuilnis was, vergeleken met de kennis van Christus. Deze jongeman ging niet bedroefd heen, maar liet alles achter wat hem tot dan toe dierbaar was geweest aan heilige tradities en wijdde zijn leven geheel aan de dienst van Christus om ook anderen voor Hem te winnen. Dat was Paulus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1982
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
