MARKUS VIII (Vervolg)
Als rooms-katholiek zouden we moeten aannemen dat Christus de paus „satan" noemt (Mk. 8 : 33). Dat is wel een beetje anders dan de titel, die de paus nu voor zich opeist, nl. „Zijne Heiligheid".
Christus noemde Petrus „satan". Wanneer? Toen hij bedacht „niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn". En Hij noemde Petrus zalig, toen deze de openbaring van de Vader ontvangen had datjezus de Christus is (Mt. 16 : 17). Dat alles speelde zich af, toen Jezus Zijn dood had aangekondigd, zoals die voorspeld was in Jes. 53; en zoals Paulus zegt: „Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften" (1 Kor. 15:3).
Satan stelt zich openlijk tegenover Christus door Hem te verzoeken (Mk. 1:13). In het Evangelie naar Lukas krijgen we méér informatie over de slimheid van satan, die steeds begint met een twijfel: „als dit… dan…". Hij zegt: „Indien Gij de zoon van God zijt" (Lk. 4: 3-8).
Satan gebruikt om zijn doel te bereiken, de honger, het verlangen naar macht en naar eer. Hij misbruikt zelfs de Schrift door er een valse verklaring van te geven. (Lk. 4: 10-11).
Jezus antwoordt daarop met slechts één woord: „gegraptaï" = er staat geschreven. Dat is voldoende. Daar hoeft niets aan toegevoegd te worden. De Schrift is genoeg. Zij is „het zwaard des Geestes" (Ef. 6 : 17).
Maar toen het satan niet rechtstreeks met Jezus lukte, nam hij mensen in gebruik. Dat was de taktiek die hij daarna toepaste. Zo zien we dat de Farizeeën Hem een teken vragen om Hem te verzoeken. En satan gebruikt zelfs Petrus en laat hem zeggen tot Jezus: „Dit zal U geenszins geschieden" (Mt. 16 : 22). Satan wil dat lijden en sterven van Christus niet, want dat betekent de verzoening met God, het herstel van de val die satan in het paradijs bewerkt had.
Christus echter roept Petrus op om de dingen te bedenken die in de hemel zijn. Dat deed ook Paulus: „Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus geborgen in God" (Kol. 3:2-3). Sinds de zondeval heeft de mens nooit zijn doodsvonnis dat God toen over hem uitsprak, als terecht willen erkennen. Nooit is hij er sindsdien toe gekomen om te zeggen: Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Totdat de nieuwe Adam kwam; Hij aanvaardde de dood als een straf die terecht aan de mens was opgelegd; en zó worden wij door Zijn dood gerechtvaardigd. Ons leven zou zonder deze dood van Christus geen echt leven zijn. Dan zouden we nog midden in de dood liggen. Daarom: „Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verhezen; maar wie zijn leven zal verhezen om Mijnentwil en om het Evangelie, die zal het behouden" (Mk. 8 : 35).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 1981
In de Rechte Straat | 34 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 1981
In de Rechte Straat | 34 Pagina's
