EVANGELIE NAAR MARKUS
Het verwijt dat de Heere in het zevende hoofdstuk, tot Zijn discipelen richtte, keert in het achtste hoofdstuk in verscherpte vorm terug.
De Farizeeën naderen tot Hem met de vraag of Hij de grenzen van het natuurlijke zou willen overschrijden: „begerende van Hem een teken van de hemel, Hem verzoekende" (8:11).
Zij wisten dat Hij melaatsen, kreupelen en blinden had genezen, doden had opgewekt en aan duizenden mensen te eten had gegeven door een wonderbare broodvermenigvuldiging.
Maar volgens de Farizeeën waren dat allemaal slechts tekenen van de aarde. Ze kenden de tekenen van de profeten. Ze wisten dat Israël gedurende veertig jaar in de woestijn van voedsel was voorzien zonder dat ze zelf ook maar een korrel graan gezaaid hadden.
Maar de Heere antwoordde hen: Waarom vraagt dit overspelige, zondige en ongelovige geslacht om een teken? (8:12, 38). En daarmee herinnert Hij hen aan wat in de wet van Mozes staat geschreven: „Zo iemand (eedsformule, betekent dus in feite: „niemand". HJH) van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land dat Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven" (Deut. 1:35).
Maar Zijn discipelen begrepen Hem evenmin. Ze verwarden het zuurdesem van de Farizeeën met het dagelijkse brood (Mk. 8:15-16). Ze begrepen niet datjezus met het zuurdesem het ongeloof van de Farizeeën bedoelde en met het brood Zichzelf en dat het eten van Hem als Brood des levens gebeurt door het geloof.
Zijn discipelen kenden de opinies die men zich overJezus gevormd had. Sommigen zeiden dat Hij Johannes de Doper was, anderen: Elias, weer anderen: een van de profeten (v. 28).
Maar Jezus conformeert Zich niet aan wat anderen van hem denken. Hij geeft niet om een opinie waartoe men is gekomen, nadat men Hem gezien en gehoord heeft. Hij vraagt een persoonlijk antwoord aan hen die met Hem hadden samengeleefd: „Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?" (v. 29).
En dan komt het antwoord: „Gij zijt de Christus" (29), „de Zoon van de levende God" (Mt. 16:16).
Ja, dat is de grote waarheid. En ieder die met zijn hart deze waarheid belijdt, wordt zalig gesproken.
Waarom? „Omdat vlees en bloed u dat niet heeft geopenbaard, maar Mijn Vader die in de hemelen is" (Mt. 16:17). De reden waarom iemand wordt zalig gesproken, ligt niet in het vlees of in het bloed of in zijn kennis of in de offers die hij brengt, maar in de Vader die in de hemelen is.
De mens kan niet tot de waarachtige kennis van de Zoon komen, tenzij de Vader het hem openbaart. „En niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren" (Mt. 11:27).
Hoe is het mogelijk dat zovelen die zich christenen noemen, dit niet weten?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
