GENADE IS„ONDERGAAN"
Kunnen we in de geschiedenis dat gouden spoor terugvinden ook in de donkere middeleeuwen, ook toen de zogenaamde plaatsbekleders van Christus in Rome zich overgaven aan losbandigheid?
Ik meen dat we die gouden lijn van echte bijbelse traditie kunnen zien flonkeren in de geschriften van de grote heiligen van de R.K. Kerk. Ik heb daar al eens vaker op gewezen, hoe bij hen allerlei bijbelse waarden beleden en beleefd werden. Ik noem er enkele: de verbrokenheid des harten (compunctio cordis), het zich zondaar en begenadigd weten voor God, de diepe gemeenschap met Christus, de volstrekte afhankelijkheid van de genade, de ootmoed, de aanbidding enz.
Waar was tóén de Kerk?
Zou het niet goed zijn om ook te luisteren naar deze gelovigen in wie de Heere in die droevige tijd Zijn gemeente bewaard heeft? Ligt het niet voor de hand dat juist zij veel te zeggen hebben aan ons?
Zelf heb ik nu 31 jaar intens geluisterd naar het belijden van de kerken der Reformatie en naar het getuigenis van vele reformatorische christenen. Mag ik dan misschien nu ook kritische vragen stellen aan dat reformatorische christendom? Mag ik hen wijzen op bijbelse rijkdommen, die ik meen dieper gezien te hebben in de geschriften van deze heiligen?
Sommigen wijzen wellicht die mogelijkheid met verontwaardiging af en antwoorden: We kunnen van die mensen niets leren, want zij waren lid van de R.K. Kerk en zijn dat tot hun dood gebleven.
Maar dan komt mijn wedervraag: Hoe kunt u dan staande houden dat ook toen Christus Zijn gemeente bewaard heeft? Als u al van te voren aanneemt dat u van niemand uit die tijd iets waardevols kunt leren, dan is uw belijdenis over de gemeente van Christus in ALLE tijden een holle frase.
Voorwerpelijk-onderwerpelijk
Mijn indruk is dat het reformatorische christendom niet lijdelijk genoeg is. En dan bedoel ik niet alleen de „voorwerpelijke" stroming.
Deze „voorwerpelijke" christenen willen uitsluitend steunen op wat in de Bijbel staat, wat ons daarin a.h.w. vóór wordt geworpen. Ze zeggen: Er staat dat wie in Christus gelooft, het eeuwige leven heeft. Dus heb ik verder neits te maken met de vraag, hoe dat geloof er binnen in mij uit ziet. Of nóg voorwerpelijker: Ik ben gedoopt. Ik ben dus een Verbondskind. Welnu God is trouw aan Zijn Verbond. Dus mag ik zeker zijn dat ik niet verloren ga.
De „onderwerpelijke" richting wijst erop dat in de Bijbel wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten geloof o.a. in Jak. 2 : 19 en dat het van wezenlijk belang is na te gaan of je geloof wel echt, zaligmakend, is.
Te veel aktiviteit
De „voorwerpelijke" richting wil krachtens hun eigen theologisch systeem geen aandacht besteden aan het eigen innerlijke geestelijke leven. De „onderwerpelijke" richting wil dat wel.
Maar ook de mensen van de „onderwerpelijke" richting zijn vaak zo enorm aktief bezig; en wel naar twee richtingen.
In de eerste plaats staan ze voortdurend op de bres om te vechten voor het gelijk van hun richting. Steeds weer keuren ze het spreken en schrijven van anderen op grond van bepaalde termen; soms zelfs worden mensen beoordeeld of veroordeeld op grond van puur uiterlijke dingen zoals de kleding enz.
En vervolgens zijn ze innerlijk druk in de weer met het speuren naar tekenen van het ware, zaligmakende geloof.
Het moet stil in ons worden
Het lijkt mij dat wij ook deze aktiviteiten moeten opgeven. Genade is ten diepste een ondergaan, een passiviteit.
Het moet volstrekt stil in ons worden. Christus moet „over ons komen". Zijn heerlijkheid en liefde moet ons geopenbaard worden.
Maar nu bedoel ik dat niet als een lijdelijk afwachten zonder meer. Het is - ik vind het ontzettend moeilijk om goed weer te geven wat ik bedoel - een lijdelijkheid in dubbele zin. Het is naar omhoog zien. Het is bereidheid om je te laten bewerken door de Heere, om Zijn genade te ondergaan.
Het is: geen enkele voorwaarde meer stellen, ook dus niet een voorwaarde van een diep zondebesef of een bepaalde verbrokenheid. Die komt juist vanzelf over je, wanneer de heilige aanwezigheid Gods je gaat doortrekken.
Deze lijdelijkheid is alleen maar smeken en hunkeren naar Gods genadige licht in Christus. Het is roepen om Zijn barmhartige liefde, zonder aktief dat roepen in je te gaan ontleden en het te toetsen aan allerlei normen, die door mensen zijn gesteld.
Bij deze lijdelijkheid houdt ook die aktiviteit van de zelfontleding, het toetsen van je geloof aan allerlei normen, op. Dan ben je alleen maar kind, een kind dat verwachtingsvol opziet naar de genadige Gever.
Hoe stiller en leger de ziel van de mens wordt, hoe meer God haar vult met Zijn heerlijkheid en liefde.
God kun je alleen maar ondergaan. Je bereikt Hem nooit met je eigen aktiviteit. Zeker, wanneer Christus in je geopenbaard wordt, moet je „ja" zeggen, heel bewust „ja" zeggen. Dat is de gelovige overgave aan Hem.
Toen Christus aan Paulus was verschenen op de weg naar Damascus, vroeg hij ook meteen: „Wat wilt Gij dat ik doen zal?"
Maar dat antwoord van het geloof is het gevolg van het ondergaan van de genade. Omdat ik Christus heb gezien, daarom en daarom alleen kan ik zeggen: „Heere, ik geloof in U; ik vertrouw mij geheel aan U toe".
Wees open naar Christus
Maak het dus stil in u. Wees één en al openheid naar Christus. Misschien zullen sommigen nu meteen zeggen: Maar ik kan het niet stil in mij maken; ik kan mijzelf niet tot openheid naar Christus toe opwerken.
Dan hebt u daarin gelijk… en niet gelijk. U hebt gelijk, wanneer u die stilheid en die openheid bedoelt in de zin van een wilsbesluit van u. Maar dat bedoel ik nu juist ook niet. Dat is juist dat te veel aan aktiviteit.
Ik bedoel alleen maar: Laat uzelf open maken door kinderlijk naar Gods Woord te luisteren. Leg dan alle vragen het zwijgen op. In dat Woord is het leven, is de heerlijkheid en de liefde van God. Leg het oor van uw hart te luisteren op dat Woord.
Als u veel lawaai hebt in uw huis, kunt u het zoemen van de wind buiten niet horen. U hoort dat zoemen ook niet als het wel stil in uw huis is, maar u intens bezig bent met allerlei andere aktiviteiten. Pas wanneer het stil is geworden in uw huis én u bovendien uw oren spitst om dat geluid op te vangen, pas dan hoort u dat waaien van de wind.
In Joh. 3 : 8 vergelijkt de Heere het werken van de Geest met het waaien van de wind. Maar die gedachte vinden we ook reeds in het OT. De Heere was niet in de stormwind, noch in de aardbeving, noch in het vuur, maar in „het suizen van een zachte stilte" (1 Kon. 19:12).
Dan ben je pas echt zeker
Het is juist deze lijdelijkheid, die de sterkste objektieve (voorwerpelijke) zekerheid geeft aan ons geloof. Dan kun je inderdaad zingen: „Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord" (ps. 56:5 ber.).
Dat heeft niets te maken met emotie of persoonlijke ontroeringen. Juist vanwege je volstrekt lijdelijke houding weet je dat er niets van jezelf bij is. Je hebt het immers rechtstreeks uit Gods mond gehoord. Je hebt het suizen van de zachte stilte in Zijn Woord vernomen. Naar de mate van die lijdelijkheid is de twijfel uitgesloten.
En het is daardoor dat je ziel uitgerekt wordt naar deze heerlijkheid Gods. Je schouwt deze heerlijkheid Gods door Zijn Woord heen. Je ervaart de adem van Zijn Geest, niet in de eerste plaats als een warmte die binnen in je opwelt, maar als een warmte die naar je hele wezen toewaait, dus van buitep af. Natuurlijk begint het dan ook in jezelf te gloeien. Maar dat is een gevolg van die warmte van de Geest die je onderging, die over je kwam.
Verwoording van de Woordeloze
Ik voel hoe moeilijk het is om dat onder woorden te brengen. Ik kan mij voorstellen dat iemand na het lezen van dit artikel verzucht: Wat bedoelt hij toch? Vergeet dan niet dat dit een poging is om de Woordeloze onder woorden te brengen. Wanneer Gods heilige en liefdevolle aanwezigheid over je komt, word je opgenomen als in een andere wereld. Al het aardse zinkt daarbij in het niet. Moet je je niet machteloos voelen, wanneer je aangeraakt bent door de Almachtige en je daarna probeert weer te geven hoe Hij is?
Misschien wilt u echter wel mijn advies overwegen: Wees volstrekt lijdelijk. Belijd de meest pure genade. Nooit kunnen we uit onszelf, door eigen aktiviteit, God bereiken. Jezus Zelfheeft dat zó uitgedrukt: „Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes die over u komen zal" (Hand. 1 : 8). Onthoudt die kernwoorden: „ontvangen" en het „zal over u komen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
