DE RIJKDOM VAN HET GENADEVERBOND
Ik heb het enorm geboeid gelezen. Allerlei inzichten die ook bij mij in de loop der jaren gegroeid waren door mijn luisteren naar de Bijbel, vond ik hier terug. Het boek leest erg prettig. Schrik dus niet, omdat het nogal een dikke turf is.
Bevindelijk
Woelderink aanvaardt van de ene kant het zogenaamde bevindelijke standpunt. Kort komt dat hierop neer: Het geloof zoals ons dat in de Bijbel beschreven wordt, is niet zo maar het aanhangen van wat geopenbaarde waarheden met ons verstand. Het geloof in Jezus Christus verandert een mens heel diep en heel radikaal. Zijn leven wordt daardoor geheel en al gericht op Iemand, op Jezus Christus. Van hem verwacht hij voortaan alle heil. Christus wordt dan zijn enige troost in leven en sterven. Hij komt dan tot het inzicht van zijn schuld en verlorenheid. Hij erkent voor God dat hij de eeuwige dood heeft verdiend. Hij is innerlijk verbroken, geknakt. Hij „staat" niet meer voor God zoals de Farizeeër, maar buigt ootmoedig het hoofd zoals de tollenaar en stamelt: „O God, wees mij, zondaar, genadig!",. Maar tegelijk is er uit zijn hart een diepe vreugde opgeweld, de dankbaarheid om de vergeving van alle schuld, de dankbaarheid jegens het Lam Gods dat onze zonden droeg, de vreugde om de innige eenheid met de Zoon van God en zó met de Vader, de vreugde om de Heilige Geest die in ons woont.
… maar niet ziekelijk
Maar aan de andere kant wijst Woeldefink ook met alle beslistheid de ziekelijke bevindingsleer af. Die bestaat daarin dat men de zekerheid dat men een kind van God is, baseert op de boven beschreven ervaringen. Dan maakt de mens zichzelf tot middelpunt, terwijl Christus ons middelpunt moet zijn. Dan richt de mens het oog op zichzelf, terwijl we juist worden aangespoord om ons geloof te vestigen op Iemand buiten ons, Jezus Christus, de overste leidsman en voleinder des geloofs (Hebr. 12:2). Dan gaat men steunen op iets in de mens op grond waarvan men meent tot God te mogen gaan; meestal is dat hét zondebesef. Maar nooit kan er iets in de mens zijn op grond waarvan God ons gunstig gestemd zou kunnen worden, dus ook niet het meest zware zondebesef. Al zou ik heel mijn leven aan één stuk door blijven schreeuwen van ellende vanwege mijn zonde, omdat ik die gezien heb in al haar afschuwelijkheid, dan nóg zou dat geen enkele reden zijn waarom God Zich over mij zou moeten erbarmen.
Hard voor onze hoogmoed
Ik weet dat dit een heel harde leer is, war^t zo blijft er niets, maar dan ook niets meer over van de mens, ook niet van de allervroomste mens. En het is dan ook te begrijpen dat de christenen door de eeuwen heen altijd weer geprobeerd hebben om daar onderuit te komen. Het duidelijkste voorbeeld is de R.-K.Kerk, die bij de mens in het gevlei heeft willen komen door de leer van de verdienstelijkheid van de goede werken, vooral van de verdienstelijkheid van het berouw, het zondebesef en de boetedoening. Maar de Bijbel veroordeelt dat allemaal als eigenwillige godsdienst.
Maar diezelfde grondtrek vindt men terug in de ziekelijke bevindelijke richting. Ook daar kan men er maar niet toe komen om alle eer aan Christus alleen te geven. Meestal is men zich daar niet bewust van. Men meent Christus, althans God Zelf, te eren, doordat men voortdurend ziet naar eigen doemwaardigheid. Maar men mag nooit bij die eigen doemwaardigheid blijven staan. Dan moet men meteen naar Christus gaan en Hem danken, loven en prijzen, omdat Hij ons in de ogen van Zijn Vader behagelijk heeft gemaakt, doordat Hij ons verenigd heeft met Zichzelf, in Wie God alle welbehagen heeft.
God spreekt tot ons door de Doop
Woelderink ziet, terecht, de Doop als de uitdrukking, het teken en de bezegeling van dit genadeverbond Gods in Christus. Iedere keer wanneer in de gemeente een Doop wordt bediend, mag iedereen daarin het teken en de bevestiging van de eeuwige trouw van God aan Zijn genadeverbond zien.
Persoonlijk zou ik daaraan willen toevoegen: Daarom is de Doop wanneer die in het midden van de gemeente bediend wordt, een oproep tot bekering jegens hen die zich nog niet in persoonlijk geloof aan Christus hebben overgegeven; maar tevens een machtige vertroosting voor hen die zich reeds kinderen Gods mogen weten. De Doop is de sprekende God in het midden van de gemeente. Volgens Rom. 4:11 betekende en vergezelde de besnijdenis de belofte van de gerechtigheid, die de zondaar door het geloof ontvangt. Paulus had, mede om dat te bewijzen, vlak tevoren, nl. in v. 6 - 8, de zaligspreking van David in ps. 32 : 1 - 2 aangehaald.
Paulus zag dus de besnijdenis niet slechts als een teken en zegel van het behoren tot het nationale volk Israël. Maar volgens hem verscheen God Zelf telkens weer in het midden van Zijn volk, wanneer ergens de besnijdenis werd toegediend (bij de Joden gebeurt dat steeds in de gezinnen, niet in de synagoge of tempel) en gaf door dat teken heen de verzekering: „Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens die de Heere de ongerechtigheid niet toerekent" (ps. 32: 1-2).
Besnijdt uw harten
Welnu datzelfde gebeurt sinds de pinksterdag door de Doop. Dat is ook de reden waarom volgens Paulus de christenen uit de heidenen niet besneden behoeven te worden, want wat de besnijdenis betekende en verzegelde, hebben die christenen reeds ontvangen in de Doop. Zie Kol. 2:11.
Daar wijst Paulus bovendien op een andere geestelijke betekenis die de besnijdenis had nl. de besnijdenis des harten, de bekering, de wedergeboorte, het geloof. Reeds Mozes had op die betekenis van de besnijdenis gewezen. Hij zag de besnijdenis als een oproep tot bekering en levensheiliging: „Besnijdt dan de voorhuid uws harten en verhardt uw nek niet meer" (Deut. 10:16); én als een belofte van Gods heiligende werk aan ons: „En de Heere, uw God, zal uw hart besnijden en het hart van uw zaad, om de Heere, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft" (Deut. 30:6).
Zo verschijnt God nog steeds in het midden van de gemeente van Christus, wanneer daar de heilige Doop bediend wordt. Dan zegt Hij daar: „Ik blijf trouw aan Mijn genadeverbond in Christus. Ziet naar dat water. Dat is het teken van het bloed van Christus, waarmee Ik u was van al uw ongerechtigheid. Op grond daarvan wordt de goddeloze om niet gerechtvaardigd, doordat Ik hem de gerechtigheid van Christus toereken, wanneer hij tot geloof komt, zodat ook hij deelt in de zaligspreking van ps. 32: 1-2".
De Doop is de bezegeling van iets in God nl. Zijn goedgunstigheid
We keren nu weer terug tot Woelderink. Met alle kracht bestrijdt hij terecht de leer van de veronderstelde wedergeboorte, omdat in die leer de grond van de Doop niet meer gezocht wordt buiten de mens, nl. in Gods genadeverbond, maar in de mens nl. zijn wedergeboorte (uit genade) die men veronderstelt. Als dat zo zou zijn, dan is het standpunt van het baptisme veel konsekwenter nl. slechts Doop op grond van een wedergeboorte die men met meer of minder zekerheid heeft kunnen vaststellen, dus slechts Doop van volwassenen die duidelijk blijk hebben gegeven dat ze wedergeboren zijn, doordat ze dat geuit hebben in bekering en geloof.
Woelderink verwijst dan naar de twee soorten ranken aan de éne Wijnstok: „De onvruchtbare ranken die worden buitengeworpen, waren nochtans ranken aan de wijnstok Christus; zij waren in Hem ingelijfd, maar niet door een waar en levend geloof' (198). „Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de Doop niet zou spreken van de wedergeboorte, van de opstanding van de nieuwe mens, van de vernieuwing des harten door de Heilige Geest, maar de Doop verzegelt deze genade, omdat ook dit heil in de belofte des Evangelies ons geschonken wordt en door middel van die belofte ons toekomt" (199).
En verder: „Het geheiligd zijn in Christus ziet dus niet alleen op de uitverkorenen, maar op het zaad der gemeente in zijn geheel; ook de gedoopten die later weigeren zich te bekeren, zijn geheiligd geweest in Christus, om Zijnentwil van de heidenen afgezonderd en in het huisgezin Gods opgenomen, waarom de apostel kan zeggen: Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig worden geacht, die de Zoon van God vertreden heeft en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, door hetwelk hij geheiligd was (Hebr. 10:29)" (p. 250)
Ik zou nog heel wat meer uit dit prachtige boek willen citeren, maar dat kan niet in ons blad waarin wij ieders overtuiging, ook die van het baptisme, volkomen willen respekteren. Vaak heb ik echter bemerkt dat aanhangers van de uitsluitendvolwassen-doop niet goed weten, waarom wij de kinderdoop verdedigen. Ook voor zulke broeders en zusters zou het goed zijn dit boek te lezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 september 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
