MARKUS
Hoofdstuk VII
De mens die zich vastbijt in de ceremonies, die zweert bij kerkelijke tradities, die in de routine rust en wegroest, zal er nooit toe komen om waarachtig aan God de eer te geven. Hij vertrouwt op het gebrabbel van zijn lippen en op de leerstellingen van mensen alsof het geboden van God zijn (Mk. 7 : 7).
„Ziet, ten dage wanneer gij vast, zo vindt gij uw lust" (Jes. 58 : 3b). „Op de dag dat gij vast, zoekt gij nog uw voordeel" (RKV). Ja, de mens kan godsdienstig zijn, omdat hij in de godsdienst zichzelf zoekt. Zo zegt de Heere: „Spaar mij het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen!" (Amos 5:23 RKV). „Zal de Heere behagen vinden in duizenden rammen, in tienduizenden beken olie?" (Micha 6 : 7 RKV). Zij die zich bekleden met hun prachtige gewaden, die in de pas lopen van allerlei gewoonten en voorschriften van mensen - tot wie en tot wat richten zij zich?
Ze spannen zich in met hun zelfkastijding en hun eredienst, die vol zit van uitgekookte schijn-nederigheid, ze buigen als knipmessen voor voorschriften zoals raak niet aan, smaak niet, eet niet, onthoud je van, wacht je voor! Maar Paulus beschouwt dat alles als vuilnis, als drek, omdat het alleen maar een voldoen is aan de begeerten van wat hij „het vlees" noemt, d.i. de mens met zijn stinkende zelfvoldaanheid en eigenwijsheid (Kol. 2:23).
Ja, ze willen wel groeien, ze willen geestelijk tot hogere ontplooiing komen, maar ze willen zelf die groei bepalen; ze willen die doen verlopen volgens hun eigen wetten, de wetten van hun puur-menselijk denken. Maar ze weigeren de groei zoals die door God is bedoeld, de groei van hen die reeds volmaakt zijn in Christus, die het Hoofd is van alle macht en overheid (Kol. 2 : 10).
Maar zij maken aldus het Woord Gods krachteloos met hun overleveringen (Mk. 7:13), want „er is niets van buiten de mens in hem ingaande, dat hem kan verontreinigen" (Mk. 7:15).
Alleen wat uit het hart van de mens voortkomt, dat kan hem verontreinigen. Paulus zegt dat de mens innerlijk verdorven is en dat hij zich laat leiden door zijn bednegelijke begeerten en dat al zijn daden één voortdurende afgoderij zijn.
Daarom is het nodig dat wij ons bekleden met de nieuwe mens, die naar God geschapen is in gerechtigheid en heiligheid en waarheid (Ef. 4 : 24). De Heere moet zelfs Zijn eigen discipelen vermanen: „Zijt ook gij alzo onwetende?" (Mk. 7:18)
En wij, u en ik, hoe staan wij ervoor? Is er ook bij ons geen begrip, geen verstaan van de hemelse dingen? Zijn wij bekleed met onze eigen vroomheid en godsdienstigheid, of zijn we bekleed met de nieuwe mens, die naar God geschapen is?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
