GODSDIENSTVRIJHEID
Na ampele diskussie heeft het tweede Vatikaanse Concilie in 1965 de „Verklaring over de godsdienstvrijheid" aangenomen. In die verklaring werd toegegeven dat de R.-K. Kerk zich soms heeft schuldig gemaakt aan „manieren van handelen, die minder overeenstemden met of zelfs tegenstrijdig waren aan de geest van het evangelie", maar „toch bleef altijd de leer van de Kerk bestaan, dat niemand tot het geloof mag worden gedwongen" (par. 12).
In die Verklaring komen ook verrassende uitspraken voor, die men niet van de R.K. Kerk zou hebben verwacht:
„De menselijkepersoon heeft recht op godsdienstvrijheid". „ In godsdienstige aangelegenheden mag niemandgedwongen worden te handelen tegen zijn geweten in, noch belemmerd worden om binnen passende grenzen privé of publiek alleen of samen met anderen volgens zijn geweten te handelen ". „Het recht op godsdienstvrijheid wortelt in de waardigheid van de menselijke persoon" (par. 2). „De mens mag dus niet gedwongen worden om tegen zijn geweten iets te doen" (par. 3).
Het valt echter te betreuren dat de R.-K. Kerk deze beginselen alleen in praktijk brengt in landen, waar zij in de minderheid is, daar waar zij probeert binnen te dringen of daar waar zij reeds een zekere aanhang heeft en waar ze de alleenheerschappij tracht te verwerven. Maar hoe staat zij tegenover die door haar beleden godsdienstvrijheid in landen, waar zij in de meerderheid is en waar ze de steun heeft van de grondwet en van de regering? Laten we in het kort de godsdienstige situatie nagaan in Ecuador, een land dat wel typerend is voor de meeste Latijns-Amerikaanse landen.
Volgens de statistieken behoort 99% van dè bevolking van Ecuador tot de R.-K. Kerk. En inderdaad, er is geen dorp of gehucht waar geen rooms-katholieke kerk of kapel is. Langs alle wegen vindt men beelden. Overal zijn er offerblokken, waarin men zijn „aalmoezen" kwijt kan.
Desondanks zijn slechts 20% van de priesters Ecuadorianen; de rest is van Europa of van andere Amerikaanse landen.
De R.-K. Kerk erkent dat het eigenlijke christendom nauwelijks wortel heeft geschoten bij de bevolking. De godsdienstige beleving van de mensen op het platteland en van de Indianen zit vol bijgeloof, animisme en religieuze praktijken die stammen van vóór de verovering van Ecuador door de Spanjaarden.
Het is nog slechts enkele jaren geleden dat de R.-K. Kerk de protestanten in Ecuador vervolgde - en nu gebeurt dat nóg in kleinere plaatsen. Ze werden met stenen bekogeld, hun huizen werden verbrand, hen werd een begrafenis op het openbare kerkhof geweigerd, hun kinderen werden niet tot de scholen toegelaten, werk werd hen onmogelijk gemaakt, hun bijbels werden verbrand en zelfs zijn er velen ter dood gebracht. Gelukkig is deze godsdienstige onverdraagzaamheid steeds meer aan het verdwijnen, maar nog steeds is er een gesluierde, subtiele vervolging in de vorm van morele druk, die wordt uitgeoefend op hen die het protestantisme (willen) aanhangen.
De volgelingen van de „theologie van de bevrijding" en van de beweging „christenen voor het socialisme" beschuldigen hen die het niet eens kunnen zijn met hun ideeën, ervan dat zij „de mensen narcotiseren met de hoop op de hemel na dit leven, terwijl ze geen oplossing bieden voor de ellende op deze aarde".
Lange tijd hebben zij de protestantse zendelingen ervan beschuldigd dat zij agenten zouden zijn van de CIA en in elk geval niet het echte evangelie zouden kunnen brengen, omdat ze uit kapitalistische landen komen. Maar die beschuldiging wordt steeds minder gehoord, omdat niemand het gelooft. Maar ze hebben nu een nieuwe formule gevonden om deze buitenlandse zendelingen aan te vallen, zodat ze uit het land worden gezet, en die formule luidt: „Zij ondermijnen de eigen kuituur van de Indiaanse bevolking".
Ofschoon de politici niets doen voor de verheffing van de Indianen, gebruiken ze dergelijke leuzen graag om de massa's te winnen en om zichzelf te presenteren als verdedigers van deze „arme" Indianen, die in hun kuituur bedreigd worden door de buitenlandse protestantse zendelingen. En ook de R.-K. Kerk maakt graag gebruik van deze beschuldiging om haar eigen positie tegenover de protestanten te verstevigen.
Bij de opening van de vergadering van de Volksvertegenwoordiging van Ecuador in 1979 werd aan de kamerleden een verklaring aangeboden, die opgesteld en ondertekend was door communisten en priesters, waarin dit fraais te lezen was:
„ In het verleden hebben de Spaanse veroveraars ons te vuur en te zwaardgedwongen ons aan onderwerpen. Zij hebben ons land geroofd, ze hebben onze dappere voorouders zonder pgedood, toen die zich daartegen verzetten. Ze hebben hen tot slavernij verlaagd, ze hebben orechten ontnomen en ons in de diepste ellende gestort. Thans zijn het de protestantse zendeldie, nu niet met het zwaardmaar met de Bijbel inde hand, proberen onze oude kulturele waarden vernietigen. De imperialistische landen buiten ons op economisch gebied uit en zijn oorzaaonze uiterste ellende en armoede, maar ze willen ons bovendien hun eigen godsdienst opdringen”.
Op 26 en 27 september 1979 werden twee protestmarsen georganiseerd voor de inheemse bevolking van de stad Ambato, waarbij opschriften werden rondgedragen en leuzen werden aangeheven, waarin men de verbanning van de protestantse zendelingen eiste, omdat die nieuwe kuituurpatronen willen opleggen aan de Indianen om hen aldus van hun eigenheid te beroven.
We moeten daarbij enkele opmerkelijke dingen vaststellen. De leider van deze protestmarsen was de R.-K. priester Tomala, iemand die zich tot het uiterste inspant om zijn eigen godsdienstige opvattingen aan de Indianen op te leggen.
Vreemd is ook dat men geen melding maakt van de buitenlandse missionarissen (R.-K. priesters) nl. meer dan 5000 in aantal, en eenzelfde aantal buitenlandse nonnen. En eveneens opmerkelijk is dat in diezelfde tijd dergelijke protestmarsen werden georganiseerd in Bolivia en Peru.
Mgr. Proano, bisschop van Riobamba, die bekend staat om zijn marxistische sympathieën, heeft in eigen artikelen en in interviews meerdere keren verklaard dat hij het niet eens is met de protestantse evangelisatie, omdat daardoor tweespalt teweeg wordt gebracht onder de inheemse bevolking. En toen enkele protestantse jongelui werden afgeranseld in Sicalpa, antwoordde de pastoor op vragen hierover: „Dat is niet een wraakneming, omdat zij het Evangelie verkondigden, maar omdat hun evangelieverkondiging helemaal niet dient om de problemen van de havenlozen op te lossen. Als ze gedreven worden door liefde, laten ze dan meehelpen bij het aanleggen van wegen".
Dat zijn slechts enkele voorbeelden van de subtiele protestantenvervolging in onze tijd. Maar laten we nu eens nagaan, wat de huidige situatie is van de inheemse bevolking na 500 jaar van rooms-katholicisme.
De grote rijken die hier bestonden vóór de inval van de Spanjaarden, de rijken van de Azteken, de Maya's en de Inca's, hadden zich opgewerkt tot een hoge kuituur. Maar ze misten vuurwapens. In de koloniserende landen, Spanje en Portugal, gingen de politieke en religieuze machten hand in hand. De politieke macht beroofde deze rijken van hun schatten, hun land, hun kuituur en hun vrijheid. De godsdienstige macht (de R.-K. Kerk) dwong hen om het rooms-katholicisme te aanvaarden en zich te laten dopen. (Soms werdeh de aanzienlijken, met name de koningen en vorsten, nadat ze zich hadden laten dopen, toch nog ter dood gebracht). Deze inboorlingen hebben echter het christendom slechts noodgedwongen aanvaard. In hun hart en in het geheim bleven ze vasthouden aan hun heidense gewoonten.
Na 500 jaar rooms-katholieke overheersing is de situatie van de twee en een half miljoen Indianen in Ecuador hopeloos, duizend keer erger dan vóór de Spaanse conquista. Zo goed als allen verkeren in de meest vernederende maatschappelijke ellende. Verreweg de meesten zijn analfabeet, kunnen niet lezen noch schrijven. Ze beschikken alleen maar over lemen hutten, die ze moeten delen met hun vee. De haciënda's (grote boerderijen en plantages) buiten hen als ongeschoolde arbeiders tot het uiterste uit voor hun landarbeid en als huishoudelijke hulp. Van het weinige dat ze verdienen, moeten ze bovendien nog sparen voor de bekostiging van de feesten van de heiligen, vooral van de parochiepatroon. Ze worden verplicht om zonder vergoeding mee te helpen aan de bouw van kerken, kloosters en andere publieke gebouwen. Vijf eeuwen lang hadden de rooms-katholieken de opdracht om de Indianen de blijde boodschap van het Evangelie te brengen en ze hebben hen alleen maar geëxploiteerd.
Ook geestelijk verkeren ze in een treurige toestand. Het alcoholisme maakt deel uit van het leven van de inboorlingen- ik weet niet of de heren verkondigers van de „theologie van de bevrijding" dit ook rekenen tot de eigen kuituurwaarden van de Indianen. Sociologen en antropologen zijn het erover eens dat het alcoholisme een compensatie is voor hun droevige toestand. Alleen wanneer ze dronken zijn, voelen ze zich meester van zichzelf. Dan durven ze hun baas beledigen en hun vrou wen te slaan. En de godsdienstige feesten zijn voor hen de enige gelegenheid om wat verstrooiing te zoeken, ook al gaat dat ten koste van bloedvergieten en van schulden die ze dan maken en waaronder ze verder het hele komende jaar gebukt gaan.
De evangelische christenen die hen de integrale boodschap van de verlossing wilden brengen, hebben hele levens moeten opofferen om hen te leren waardig te leven, als menselijke wezens, als kinderen van God. Vijf zendelingen werden vermoord door de koppensnellers, de Auca-Indianen. Verschillende vaderlandse predikanten en evangelisten verloren eveneens hun leven, toen zij de Indianen trachtten te benaderen met het Evangelie. En ook nu nog staan degenen onder hen die tot geloof komen, onder sterke morele druk en moeten vaak ook fysiek geweld ondergaan. Maar de resultaten, liever: de zegeningen, zijn verblijdend. De nieuwe gemeenten die gesticht werden, met predikanten die uit henzelf zijn voortgekomen, vormen een grote vernieuwende kracht binnen hun gehele samenleving.
Wat gebeurt er, wanneer een Indiaan zich tot God bekeert? Dan houdt hij op met drinken, hij ranselt zijn vrouw niet meer af, hij steelt niet meer. Het weinige dat hij verdient, spaart hij voortaan voor nuttige dingen, voor de bouw van een bescheiden, maar passende woning. Ze spannen zich in om te leren lezen en schrijven, want het centrum van hun leven is nu een Boek geworden, de Bijbel. En ze zorgen ervoor dat ook hun kinderen niet meer analfabeet blijven. Sommigen van hen volgen zelfs de middelbare opleiding en een enkele gaat aan een universiteit studeren.
De Indianen bezitten een eigen aantrekkelijke kuituur. Ze hebben een zeer welluidende, sonore taal. Hun folkloristische muziek heeft een eigen bekoring. Hun kleding is zeer kleurrijk en afwisselend. Ze hebben ook hun eigen gezangen voor hun samenkomsten, die ze niet ontleend hebben aan de gezangenboeken van andere landen. Die gezangen zijn wat inhoud zowel als melodie betreft, vaak zo expressief en zo diep-gevoelig, dat ze reeds in het Spaans zijn vertaald.
Wat zijn dan de kulturele waarden, die aan de Indianen ontnomen werden door de evangelische christenen? We kunnen ons moeilijk voorstellen dat de propagandisten van de „theologie van de bevrijding" als kuituurwaarden beschouwen: de dronkenschap, het slaan van de vrouwen, de diefstal, de luiheid en de onzindelijkheid. Welnu de evangelische gemeenten en de buitenlandse evangelische zendelingen verwachten van hen die tot bekering komen, dat ze breken met al die zondige gewoonten. En dit nieuwe leven is nu juist kultuurverheffend. De zegenrijke gevolgen worden vrij spoedig zichtbaar, ook in hun maatschappelijke leven.
De R.-K. Kerk is in wezen niet veranderd sinds het tweede Vatikaanse Concilie. Ze hebben alleen een andere taktiek toegepast. In de grond gaan ze nog steeds uit van dezelfde filosofie van de Inquisitie. Ze proberen nog steeds met behulp van de menselijke redenering of met geweld hen die het niet met de roomse dogma's eens kunnen zijn en die zich slechts op de Bijbel baseren en daarom de roomse tradities verwerpen, tot onderwerping aan het pauselijke leergezag te brengen.
Maar wat ons betreft, wij hopen in de kracht Gods verder te gaan met de verkondiging van dit heerlijke, werkelijk bevrijdende Evangelie van Jezus Christus. GUAYAQUIL (Ecuador)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
