MARKUS VI
Markus VI vertelt ons verschillende ontmoetingen met Christus, maar ze hebben één gemeenschappelijke trek: het ongeloof.
Daar zijn allereerst degenen die Jezus hebben zien opgroeien van kind tot jongeman. Ze hebben Hem gekend als zoon van de timmerman Jozef. En zou Hij de Messias zijn? Dat kan immers niet! „Is Deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses en van Judas en Simon; en zijn Zijn zusters niet hier bij ons?"
Vervolgens zien we mensen, die verbaasd staan over de machten die zich in Christus openbaren. Voor de één is Hij Elia, voor de ander een profeet. Aan niemand van hen openbaart de Vader wie de Zoon is.
De belangrijkste figuur onder deze groep is koning Herodes. Die was diep onder de indruk geraakt van de prediking van Johannes de Doper. Hij hoorde hem graag. Desondanks had hij hem laten onthoofden, eigenlijk tegen zijn zin, maar omdat zijn grillige dochter dat nu eenmaal wilde. En nu hoorde hij over die Jezus van Nazareth. Dat was voor hem een welkome aanleiding om zijn geweten dat hem aanklaagde vanwege de moord op de profeet Johannes, te sussen. Hij wist het meteen: „Deze is Johannes die ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt" (vs. 16). Maar met deze verontschuldiging voor zijn misdaad maakte hij het tevens voor zichzelf onmogelijk om naar Christus te luisteren.
Weer een andere groep wordt door Jezus gekenschetst „als schapen die geen herder hebben" (v. 34). Jezus heeft hen vele dingen geleerd. En Hij heeft Zijn leer bevestigd door die grote menigte op wonderbare wijze te spijzigen met vijf broden en twee vissen (v. 41). Zij zagen in Jezus alleen maar een zeer bekwaam iemand, die in staat bleek te eten te geven aan de twaalf stammen van Israël en daarom wilden ze Hem tot koning maken. Het was voor hun ongeloof gemakkelijker Hem tot koning uit te roepen dan in Hem te geloven.
Er is nog een vierde groep. Dat zijn zij, die voortdurend in de nabijheid van Christus leefden. Ze hadden heel veel tekenen van Hem gezien. Ze hadden ook zelf anderen tot bekering opgeroepen. Ze hadden zelfs in Zijn naam zieken genezen en duivelen uitgeworpen. Maar bij de eerste geloofsvraag struikelden ze al over de moeilijk heid: Wat een massa geld is er nodig om 5000 mensen te spijzigen! Deze mensen hadden hun vertrouwen gesteld in het menselijke en waren tegelijk bang voor het menselijke.
Daarom waren ze ook bang voor Jezus, toen Hij over het water naar hen toeging. (6:49). Ze schreeuwden het uit van angst, totdat ze Hem hoorden zeggen: „Ik ben het; vreest niet" (v. 50).
Maar één van hen eist een bewijs: „Heere, indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water" (Matth. 14 : 28). Het antwoord van de Heere laat niet op zich wachten: „Kom!"
En Petrus verlaat het schip en loopt over het water. Zo bewijst de Heere dat Hij het Zelf is die over het water naar hen toekomt.
Maar Petrus moet nu nog het bewijs leveren dat hij gelooft. Maar hij doorstaat de proef niet. Hij wordt bang voor een stevige windvlaag en zinkt. Maar als hij dan roept: „Heere, behoud mij", komt de redding. „Enjezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan en zeide tot hem: Gij kleingelovige, waarom hebt gij gewankeld?" (v. 31).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
