In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

WAT is WAARHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT is WAARHEID

10 minuten leestijd

Deze vraag stelde Pilatus aan Jezus (Joh. 18 : 38). Of eigenlijk was dat niet veel meer dan een gemompel, waarop hij geen antwoord verwachtte. Immers er volgt onmiddellijk op: „En toen hij dat gezegd had, ging hij weer uit tot de Joden". Het gereformeerde rapport over het Schriftgezag begint ook met die vraag. Het eerste hoofdstuk luidt: „Veranderingen in het waarheidsbegrip". Het is goed als ook wij daar op ingaan.

We kunnen ons heel goed voorstellen waaruit deze verzuchting van Pilatus is voortgekomen; een verzuchting waaronder hij heus niet erg zal gezucht hebben. Want voor hem betekende de waarheid: de keiharde werkelijkheid, de bevrediging van zijn begeerten, geld, vrouwen en wijn, en bovenal macht, en dan het politieke geschipper met de Joden en met de keizer in Rome.

Hij zal wat meewarig geglimlacht hebben over die idealist, die hij daar vóór zich had; over die vreemde woorden: „Hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik aan de waarheid getuigenis geven zou". En dan die buitenwereldse, stille gloed in Zijn ogen! Pilatus zal dat geïnterpreteerd hebben als ziekelijk fanatisme. Voor hem was het een bevestiging van zijn levenshouding: Blijf met je beide benen op de grond staan; pluk de dag, want morgen zijn we allemaal dood.

De waarheid? Met een schouderophalen gaat hij aan die vraag voorbij. De waarheid is betrekkelijk. De waarheid is wat je er zelf van vindt en er dus zelf van maakt.

De overmacht van Gods Woord

In het rapport wordt als oplossing van de vragen die wij bij het lezen van de Bijbel tegenkomen, voorgesteld uit te gaan van het „rationele waarheidsbegrip".

Dat bedoelen de opstellers beslist niet in de zin van Pilatus: de waarheid is relatief, betrekkelijk, voortdurend aan verandering onderhevig en dus in wezen ongrijpbaar.

Ze spreken zelfs over de overmacht van het Woord Gods. „De christen belijdt dat de waarheid uit God is. In de Schrift komt hij in aanraking met deze waarheid". Hier merk je al meteen een verschil met de traditionele opvatting. Wij zijn gewoon te zeggen: De Schrift is de waarheid, omdat God Zichzelf daarin op onfeilbare manier openbaart.

„In de Schrift beluistert hij het spreken van God". Wij zouden zeggen: God spreekt tot ons door élk woord van de Schrift. „De Bijbel is geïnspireerd, dat is: doorademd door de Geest van God" (p. 15)- Wij zouden zeggen: uitgeademd door de Geest van God.

Relationele waarheid

Ik wil proberen op een eenvoudige manier duidelijk te maken wat het rapport daarmee bedoelt.

Waarheid is de overeenstemming van het denken en spreken van de mens met de werkelijkheid buiten hem. Als ik van een ander kwaad denk of zeg, dat hij echter niet gedaan heeft, dan denk of spreek ik onwaarheid over hem.

Dat denken en spreken van onwaarheid over een ander, kan voortkomen uit het feit dat je verkeerd bent voorgelicht door mensen van wie je dacht dat ze absoluut betrouwbaar zijn. In dat geval heb je een vergissing begaan. Dat denken en spreken van onwaarheid over een ander kan echter ook voortkomen uit de tegenzin, misschien zelfs de haat, die je tegen die ander koestert. In dat geval weet je heel bewust of vaag dat de ander dat kwaad niet heeft bedreven. Dan maak je je dus schuldig aan leugen, laster, onwaarachtigheid.

Het verdringen van de waarheid omtrent God

Nu gaat het bij de godsdienst om de vraag: Is ons denken en spreken over God in overeenstemming met de werkelijkheid? Is God werkelijk zoals wij over Hem denken en wat wij aan Hem toeschrijven?

De gelovige christenen en Joden zeggen terecht: Je kunt met je natuurlijke denken nooit de échte, de levende, God bereiken. Sinds de erfzonde zijn wij gedoemd om slechts afgodsbeelden in ons denken te produceren.

Zeker, „Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid" (Rom. 1 : 20). Strikt genomen kan elk mens God dus kennen vanuit het werk van Zijn handen, de schepping. Daarom is de godloochenaar ook niet te verontschuldigen.

Maar er is in hem een duistere werking, waardoor hij het kennen van de echte God niet wil aanvaarden. Hij onderdrukt en verdringt die kennis, omdat hij zichzelf wil handhaven en niet in ootmoed wil buigen voor een God tegenover Wie hij rekenschap zou moeten geven van al zijn doen en laten, „…de ongerechtigheid der mensen die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden" (Rom. 1 : 18).

Verzet tegen de waarheid, zelfs bij Paulus

In Zijn grote barmhartigheid is God echter de mens tegemoet gekomen en heeft Zichzelf geopenbaard in Zijn geschreven Woord, de Bijbel. Maar op zichzelf is dat niet voldoende, want door onze verzondigde en verziekte natuur zijn we niet in staat om dat Woord juist te lezen. We willen ons niet onderwerpen aan God zoals Hij Zich openbaart in de schepping, maar evenmin zoals Hij tot ons spreekt in Zijn Woord.

Dat kan alleen, wanneer Zijn Heilige Geest ons hart ertoe neigt om echt te luisteren naar wat God ons wil zeggen door de Schrift. Zo lezen we over Lydia dat de Heere haar hart had geopend (Hand. 16 : 14).

Bij het kennen van de waarheid omtrent God zijn wij dus zelf heel intens betrokken. En het is dat wat dit rapport benadrukken wil. De kennis van de waarheid omtrent God ontstaat vanuit een innige relatie, betrokkenheid, met God.

Ze hebben daarin gelijk. De Waarheid dringt maar moeilijk tot ons door; niet vanwege die Waarheid zelf. Die bezit kracht genoeg, wanneer ze geladen wordt door de Heilige Geest.

Die moeilijkheid komt voort uit onszelf, omdat wij in ons die neiging hebben om de waarheid in ongerechtigheid ten onder te houden. Het rapport zegt: „De openbaringswaarheid slaat niet als een meteoriet in de mensenwereld in" (p. 1 5). Dat merken we zelfs bij Paulus, het klassieke voorbeeld van een plotselinge bekering. Jezus zei tegen hem op de weg naar Damascus: „Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan" (Hand. 26 : 14). Dat wil zeggen dat de Heere al veel langer met Paulus bezig was geweest, maar dat Paulus zich daar niet aan gewonnen heeft willen geven en zich ertegen heeft verzet.

De zielestrijd van Jeremia

Op eenzelfde manier is God ook te werk gegaan, toen Hij de Bijbelschrijvers inspireerde. Hij heeft hen niet gebruikt als een dode schrijfmachine of als een dikteerapparaat.

De Bijbelschrijvers hebben zich soms verzet tegen de opdracht die ze kregen om de waarheid die God hen openbaarde, getrouw door te geven.

Het meest duidelijke voorbeeld daarvan is Jeremia. Hij klaagt: „Ik ben de ganse dag tot een belaching, een ieder van hen bespot mij". (Dat wacht overigens elke gelovige die als een getrouwe getuige de Waarheid wil doorgeven.)

En dan komt hij er zelfs toe om zijn geboortedag te vervloeken: „Vervloekt zij de dag waarop ik geboren ben; de dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend".

En toch overwon de Waarheid in hem. „Heere, Gij hebt overreed en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht". „Daarom zei ik: Ik zal Zijner niet meer gedenken en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen".

Het overweldigende licht

Wie van ons kent niet die zielestrijd van Jeremia (20 : 7-17)? Ik in elk geval wél. Ik wil dat uitdrukkelijk uitspreken, want er zijn blijkbaar lezers die uit mijn artikelen de indruk krijgen dat ik altijd zou vertoeven op de bergtoppen van de vreugde. Nee, ik weet wat het zeggen wil te moeten gaan door een dal van de schaduw des doods (ps. 23). Ik ken de vertwijfeling die je dan aangrijpt. Dan heb ook ik de neiging om het erbij neer te gooien. Dan verzucht ik: Wat haalt het allemaal uit? Vecht je niet voor een verloren zaak? En dan komt de twijfel als een slang binnenkronkelen: Is het wel allemaal waar? Is heel die Bijbel niet een projektie van de wens- en angstdromen van de mensen?

Maar het is heel vreemd dat wanneer ik op zulk een dieptepunt ben aangeland, steeds het Licht als een trein uit een donkere tunnel mijn ziel komt binnenrijden; een trein die dat goddelijke licht om zich heen stuift; een licht dat mij denderend, en tegelijk in een wonderbare harmonie, overweldigt.

Maar is het verstandig om elkaar veel van onze innerlijke strijd te vertellen? Ik meen van niet. Het lijkt mij méér in overeenstemming met de Bijbel, wanneer we elkaar voorhouden de overwinning die er is in- Christus Jezus, én de vreugde in de eenheid met Hem.

Persoonlijk gekleurde weergave

Maar we gaan nu verder met onze uiteenzetting van wat het rapport bedoelt met de relationele waarheid in de Schrift.

Ze bedoelen daarmee dus dat de Bijbelschrijvers datgene wat God hen heeft geopenbaard, zeer persoonlijk-gekleurd weergeven.

En ook daarin hebben ze gelijk. Dat schrijft Petrus immers over Paulus: „…gelijk ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, u geschreven heeft… in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan" (2 Petr. 3 : 15-16).

En zelfs al had Petrus dat niet gezegd, dan zouden we zélf ook wel hebben kunnen vaststellen dat de schrijftrant van Paulus heel anders is dan die vanjohannes en dat Johannes zich weer heel anders uitdrukt dan Mattheús.

Als het waar is dat elke Bijbelschrijver de Waarheid op zijn eigen, persoonlijke wijze heeft weergegeven, dan betekent dit dat we ons moeten zien te verdiepen in hun manier van denken, in de wereld waarin zij geleefd hebben, het volk waarvan zij deel hebben uitgemaakt.

Ds. C. den Boer wees in een tweetal artikelen in „De Waarheidsvriend", orgaan van de Gereformeerde Bond in de Ned. Hervormde Kerk, erop dat de Bijbelschrijvers, met uitzondering van Lukas, allen Joden waren. De titel van zijn artikelen is dan ook: „De Bijbel een Joods Boek". Hij schrijft o.a.:

„De Bijbel is een Joods Boek. Niemand mag ontkennen dat het van groot gewicht is om met dat alles rekening te houden, wanneer wij bezig zijn met de Schriften. De boodschap Gods verstaan in de kontekst, waarin die oorspronkelijk werd gegeven. Luisteren naar wat mensen, de eerste ontvangers en de eerste hoorders van dat Woord, ervan hebben verstaan en erover hebben gezegd. Dat moet van betekenis zijn. De Bijbel radikaal, tot in zijn diepste wortel, tot in zijn diepste oorsprong, leren verstaan. Dat is een nodige zaak" (12 febr. '81).

Tot nog toe konden we het dus eens zijn met wat het rapport zegt over de relationele waarheid, al zou ik het duidelijker hebben gevonden, wanneer ze gesproken hadden over het relationele ontstaan van de kennis van de waarheid. Daarom vind ik het verwarrend, wanneer zij schrijven: „De waarheid Gods is er niet zonder de inzet van mensen" (p. 15). Dat zou immers de indruk kunnen wekken, alsof wij, mensen, samen met God die waarheid maken. Waarom schreven ze niet: „De kennis van de waarheid Gods is er niet zonder de inzet van mensen"?

Dan gaan onze wegen uiteen

Maar wanneer het rapport dan vanuit dat relationele waarheidsbegrip konklusies gaat trekken ten aanzien van de Bijbelschrijvers, dan gaan onze meningen radikaal uiteen. Want dan zegt het rapport dat de Bijbelschrijvers onwaarheden hebben ingeschakeld met het doel om hun helden, ook Christus Zelf, groot te maken. Maar het doel heiligt niet de middelen. Daarover nog een volgend artikeltje.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

WAT is WAARHEID

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 april 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's