In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE EERSTE CHRISTEN-EEUWEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE EERSTE CHRISTEN-EEUWEN

16 minuten leestijd

Er zijn twee zeer boeiende boeken verschenen over de eerste christen-eeuwen. In dit artikel bespreken we het boek van prof. dr. E. Schillebeeckx: „Kerkelijk ambt. Voorgangers in de gemeente van Christus" (uitg. Nelissen Overveen, ƒ 27,90). Dat boek behandelt echter ook de ontwikkeling van de ambtsopvatting in de R.-K. Kerk tot nu toe.

De kern van zijn boek had prof. Schillebeeckx reeds weergegeven in een artikel in Concilium, maart 1980. Wij hebben dat besproken in IRS mei 1980. Die kern komt hierop neer:

In de oude kerk was het ondenkbaar dat een gemeente niet het Avondmaal zou kunnen vieren, omdat er geen door een kerkverband bevestigde ambtsdrager aanwezig zou zijn. In dat geval zou zulk een gemeente daartoe uit hun midden een ambtsdrager aanwijzen, die alleen reeds op grond van die aanwijzing, dus zonder een nadere goedkeuring van naburige kerken, de bevoegdheid had om voor te gaan in de bediening van het Woord, maar ook van het Avondmaal.

S. laat zien dat de vroege kerken heel duidelijk het beginsel van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente beleden en praktizeerden; een beginsel dat tijdens de Reformatie van de zestiende eeuw werd herontdekt, maar helaas niet voldoende in praktijk werd gebracht. Daarom lijkt het mij van belang dat dit boek ook gelezen wordt door reformatorische christenen.

Ik moet er echter aan toevoegen dat je toch wel wat theologisch geschoold moet zijn, want S. gebruikt nog al eens termen, die niet voor iedereen begrijpelijk zijn.

Kernuitspraken

Ik laat hieronder enkele kernuitspraken van zijn boek volgen, zodat u meteen ook een idee hebt van de al of niet moeilijke leesbaarheid van het boek voor u. Ik zal zelf meteen een verklaring van de moeilijke termen eraan toevoegen.

„Ambt zonder charisma (= Geestesgave) verschraalt en dreigt een machtsinstituut te worden; charisma zonder enige institutionalisering dreigt te vervluchtigen in dweperij, fanatisme en pure subjectiviteit" (33).

„Van een wezenlijk onderscheid tussen „leken" en „ambtsdragers" is er in het Nieuwe Testament geen sprake. Omdat het in de kerk niet gaat om civiele (burgerlijke) ambtenarij, maar om een dienst aan een „gemeente van God", eist het kerkelijk ambt vooral van de ambtsdragers ook een voorgaan in waarachtige ,sequela Jesu", met heel de spiritualiteit (= geestelijke levensinstelling) die dit Jezus achterna gaan" in het NT omvat" (39).

Volgens het NT was alleen Christus en de christelijke gemeente priesterlijk; de 'oorgangers staan in dienst van Christus en het priesterlijke volk, maar werden ;elf nooit priesterlijk genoemd". „Augustinus blijft weigeren bisschoppen en resbyters in eigenlijke zin priester te noemen, in de zin van bemiddelaars tussen "hristus en de gemeente" (58).

Met deze en dergelijke opmerkingen ondergraaft S., zonder dat uitdrukkelijk uit e spreken, historisch de bestaansgrond van de r.-k. machtsaanspraken,

Hieronder laat ik een uitvoeriger citaat volgen over de kerkorde, waarvan S. zegt lat ze historisch geconditioneerd is, d.w.z.: een kerkorde is voorzover ze een nenselijke konstruktie is, gebonden aan de bepaalde historische omstandigïeden waaruit die kerkorde is ontstaan. Men heeft die in die tijd opgesteld, omdat nen meende dat destijds de bloei van het gemeenteleven erdoor bevorderd werd. Vlaar dat betekent dat, wanneer die omstandigheden ingrijpend zijn veranderd, iet nut van zulk een oude kerkorde opnieuw bezien moet worden,

Het kan immers zijn dat bepalingen die vroeger zegenrijk hebben gewerkt, thans :erder schade berokkenen aan het leven van de gemeente. Als dat zo is, moeten de :hristenen de moed hebben en ook de evangelische creativiteit om zulk een cerkorde dan ook te veranderen of aan te passen aan de totaal gewijzigde Dmstandigheden. Schillebeeckx schrijft:

Kerkorde als historisch geconditioneerd heilsmiddel

Uit de historisch-theologische schets blijkt dat de constante in het kerkelijk ambt steeds slechts te vinden is in concrete, historisch wisselende gestalten. Ik ga 3ij deze evaluatie uit van het inzicht dat eigenlijk door alle christenen wordt gedeeld: de - zij het veranderlijke - kerkorde is voor de christelijke gemeenten ;en zeer groot goed. In een of andere vorm behoort de kerkorde tot de concrete wezenlijke verschijning van de „gemeenten van God": de kerk. Maar die icerkorde is er niet omwille van haarzelf. Zoals het ambt staat ook zij in dienst van de apostolische gemeenten en mag zichzelf niet tot doel worden, noch worden verabsoluteerd, temeer niet daar blijkt dat zij in alle periodes van de kerk metterdaad met handen en voeten in een concrete, geconditioneerde geschiedenis staat. Bepaalde, door vroegere kerkelijke en maatschappelijke situaties in het leven geroepen vormen van kerkorde (en dus ook van toelatingscriteria voor de ambtsdragers) komen op een bepaald ogenblik historisch echter aan hun grenzen; dit is overigens sociologisch aanwijsbaar. Vanuit concrete ervaringen van haar tekorten en fouten, m.a.w. vanuit negatieve ervaringen met een bepaalde kerkorde in veranderde omstandigheden, wordt deze begrenzing duidelijk aanwijsbaar. Bij kentering immers van het dominante mens- en wereldbeeld, bij maatschappelijk-economische verschuivingen en een nieuwe sociaal-culturele gevoeligheid en emotionaliteit verhinderen wat zij in vroegere tijden juist veilig heeft willen stellen: de opbouw van een christelijke gemeenschap. Uit contrastervaringen ontstaan dan spontaan experimenten van nieuwe, christelijke en kerkelijke levensmogelijkheden (zoals dit ook in het nieuwtestamentisch christendom gebeurde). Ervaringen van mankementen in een gegeven bestel hebben immers een regulatieve kracht. Natuurlijk sluit een zelfs ruimschoots eensgezinde ervaring van wat er feitelijk misgaat binnen een geldende, historisch gegroeide kerkorde, nog geenszins instemming in over hoe het dan positief wél moet. Hoe het anders kan en concreet moet, zal pas kunnen blijken uit wat in velerlei nieuwe, geslaagde én falende, modellen wordt beproefd. Deze kunnen en mógen ook mislukken; daarvoor zijn het precies experimenten. De mislukking is geen blaam, maar een fase binnen het zoeken naar een nieuwe christelijke vondst. Geleidelijk manifesteert zich in deze veelvormige pogingen het bindende karakter van de opgeroepen, maar nog niet ten volle geconcretiseerde, nieuwe christelijke en kerkelijke levensmogelijkheden, ook wat het ambt betreft.

Anderzijds is het ook een sociologisch feit dat in veranderde tijden het gevaar van een ideologische fixatie van de bestaande kerkorde optreedt, vooral op grond van de inertie van een gevestigd en hierom vaak op zelfbehoud bedacht systeem. Dit geldt elk systeem in de samenleving, maar wellicht op een bijzondere wijze de institutionele kerk, die, zich terecht verstaande als „gemeente van God", vaak ten onrechte de neiging vertoont oude, zelfs eerbiedwaardige tradities te identificeren met onveranderlijke goddelijke verordeningen.

Verklarende noten bij dit gedeelte:

Evaluatie= de waarde opsporen van iets dat zich heeft voorgedaan.

Toelatingscriteria= voorwaarden waaraan iemand die naar een kerkelijk ambt verlangt, moet voldoen, wil hij tot dat ambt worden toegelaten. Inertie= traagheid.

DE EERSTE CHRISTEN-EEUWEN

II. Evangelieverkondiging

Het tweede boek over de eerste christen-eeuwen is van Michael Green: „Evangelie-verkondiging in de eerste eeuwen" (uitg. Buijten en Schipperheijn Amsterdam ƒ 29,90, 397 blz.). Dit boek zou ik beslist in handen willen zien van elke abonnee. Het is ook veel gemakkelijker leesbaar dan het boek van Schillebeeckx. Het is uitermate inspirerend. Nu er in onze tijd overal een sterk verlangen is naar een opwekking, is het goed om eens na te gaan, hoe die allergrootste opwekking van het begin gewerkt heeft, toen in enkele tientallen jaren het christendom de gehele wereld veroverde.

Ook nu wil ik u iets van de sfeer en de inhoud van het boek laten proeven door citaten. Maar ik zal me dan echt moeten beperken, want iedere keer dacht ik: Dit moeten onze abonnees lezen en dat.

Geen filosofische insluipsels

De kracht van het geloof van de christenen uit de eerste eeuwen was dat het zich enkel op de Bijbel baseerde. Ze wilden op geen enkele wijze dat gedachten van de heidense Griekse filosofen de verkondiging zouden binnensluipen.

Helaas is dat de oorzaak geworden van het verval van het westerse christendom en is dat nog steeds. Onze theologische stelsels zijn voor een belangrijk gedeelte gebouwd met behulp van de Griekse filosofische begrippen. Daardoor is voor een gedeelte het leven en de kracht uit onze verkondiging weggevloeid.

Tertullianus zei het zo:

Wat heeft Athene te doen met Jeruzalem?

„Welke overeenkomst is er tussen de Akademie en de kerk?"… „Weg met alle pogingen een christendom te produceren dat Stoïcijnse, Platonische en dialectische smetten heeft! Wij willen geen uitvoerige disputen, nadat we Jezus Christus ontvangen hebben, geen rechterlijk onderzoek, nadat we de vreugde van het evangelie hebben gevonden! Met ons geloof hebben we geen behoefte aan een ander geloof', (p. 16)

Hun totale levensverandering

Diepe indruk maakte ook de totale levensverandering van hen die het christendom aanvaardden. Dat was zeer opvallend in de volkomen zedelijk-vervallen wereld van destijds. Justinus schrijft daarover: „ Wij die vroeger genoten van ontucht, omhelzen nu alleen maar kuisheid; wij die vroeger toverkunsten gebruikten, wijden ons nu toe aan de goede en ongeschapen God; wij die boven al het andere weelde en bezit najoegen, brengen nu alles wat we hebben in een gemeenschappelijk fonds en delen met ieder die nood heeft; wij die elkander haatten en vernielden en, vanwege onze verschillende gewoonten, niet samen wilden leven met mensen van een ander ras, leven nu na de komst van Christus in de beste verhouding met hen en we bidden voor onze vijanden en trachten hen die ons ten onrechte haten ervan te overtuigen dat ze leven moeten naar de goede geboden van Christus, opdat ze met ons deelgenoten mogen worden van dezelfde blijde hoop en van een beloning van Goddie de Heerser van allen is''.

Een dergelijke revolutie in leven en waardebepaling is inderdaad aantrekkelijk, maar gewoonlijk, zoals Paulus zei, wekt ze ook de weerzin op van hen die „zulke dingen (zondige dingenj bedrijven maar ook nog hun bijval schenken aan wie ze bedrijven". De „wereld" heeft zichzelf lief en haat hen die door hun gedrag tonen dat ze de zonde haten (p. 48)

Evangelie-prediking onder de Joden

Hoe was de houding van de eerste christenen tegenover de Joden? Daarover schrijft Green:

Als we nu gaan zien waar de nadruk gelegd werd in de zendingsprediking van de kerk toen ze zich tot de Joden richtte, dan mogen we nooit vergeten dat hier niet een nieuwe godsdienst gepresenteerd werd- althans niet gedurende 30 tot 40 jaar na de opstanding - maar een „sekte" van hetJodendom. Op sommige plaatsen en met name in Jeruzalem, bleven de verhoudingen zo liggen tot ongeveer 83 n. Chr. toen de anti-christelijke zegening werd gepubliceerd. In feite werden de christenen niet eerder definitief zelfstandig ten opzichte van hetJodendom dan na de Bar Kochba-opstand in 135 n. Chr. In die beginperiode dachten de christenen er niet aan om zich te distantiëren van de rest van Israël. Zij hoopten dat Israël ertoe zou komen om hun geloof in Jezus te delen en zo Zijn triomfantelijke wederkomst te verhaasten, zodat Hij Zijn koninkrijk zou kunnen oprichten. Daarom waren ze zo vrijmoedig en onbevreesd voor hun Joodse broeders waar ze die ook maar aantroffen, (p. 86)

Als we dat alles lezen, zal het goed zijn ons af te vragen of wij niet wat erg gemakkelijk zijn geweest met allerlei kerkelijke afscheidingen. Kunnen die eerste christenen ons hierin ten voorbeeld zijn?

Wat verkondigden zij?

Daarover schrijft Green:

Allereerst: zij predikten een persoon. Hun boodschap was duidelijk christocentrisch. In feite noemen ze het evangelie vaak: Jezus, of Christus: „Hij predikte hem Jezus". Voor de joden wasjezus de vervulling van Gods werk in de geschiedenis, voor de heidenen betekende Jezus het einde van de periode waarin God hen in onwetendheid liet wandelen. Jezus, de mens, Jezus de gekruisigde, Jezus verhoogd tot de plaats van autoriteit in het heelal, vanwaar Hij zou wederkomen tot het oordeel aan het einde der dagen, Jezus die inmiddels in de Geest tegenwoordig was bij Zijn volk en dit toonde door tekenen en wonderen, alsook door de verbazingwekkende groei van de Kerk.

In de tweede plaats: zij kondigden een gave aan. De gave van vergeving, de gave van de Heilige Geest, de gave van adoptie, van verzoening. De gave die „niet-Mijn-volk" deel maakte van „Gods volk", de gave die hen die veraf waren, naderbij bracht. De Joden hadden niets gedaan om het te verdienen, en evenmin de heidenen: het kwam volkomen voort uit Gods genade. Het evangelie^is „het Woord Zijner genade", alleen door „de genade van de Heere Jezus Christus kunnen mensen behouden worden, of het leven vinden, of gerechtvaardigd worden. Omdat de Bewerker van deze verlossing niemand anders dan God zelf is, wordt de gave aangeboden aan alle mensen zonder onderscheid - afgezien van het onderscheid dat ze in zichzelf onaanvaardbaar waren. In Handelingen wordt bijzondere nadruk gelegd op twee elementen in de gave Gods, elementen waarvan Jeremia en Ezechiël al geprofeteerd hadden dat ze de kenmerken zouden zijn van het nieuwe verbond, namelijk: vergeving der zonden en de gave van de Heilige Geest. Die combinatie wordt al in de Pinksterpreek aangetroffen, „de vergeving van zonden en de gave van de Heilige Geest" zijn de twee aspecten van het aanbod van Petrus. We vinden dat ook bij de bekering van Paulus. Ananias vertelde hem dat hij gedoopt moest worden en zijn zonden af moest laten wassen, en dan zou hij vervuld worden met de Heilige Geest. Vergeving inzake het verleden en kracht voor de toekomst waren de twee prominente aspecten van de gave van God die de apostelen predikten.

In de derde plaats: zij verwachtten een reactie. De apostelen waren niet te verlegen om een beslissing te vragen vóór of tégen God, Die al voor hen besloten had. Zij verwachtten resultaten. Zij spoorden de luisteraars aan om iets te doen met de boodschap. „Wat moeten we doen?" was de reactie van de menigte op de Pinksterdag. Het antwoord is duidelijk genoeg op de bladzijden van het Nieuwe Testament. Ze moesten drie dingen doen. Allerleerst moesten ze berouw tonen, hun houding tegenover hun oude levenswijze veranderen, bereid zijn hun zonden los te laten. Dat betekende een radicale breuk met het verleden en die kon niet echt zijn als ze - ten tweede - geen „werken zouden doen, met hun berouw in overeenstemming". Het betekende voor de tovenaars in Epheze het verbranden van hun boeken, en voor de stokbewaarder het wassen van Paulus' striemen. Het was Gods onontkoombare voorwaarde voor ieder die aangenomen wilde worden. Alle mensen alom moeten zich bekeren: de oproep kwam tot „een ieder van u". Er was geen ontkomen aan. Het hoefde niet te betekenen: het droef bewenen van zonden in het verleden, maar in wezen was het een veranderde houding tot God; God die zij beledigd en in feite onttroond hadden, weggestoten van de Hem toekomende plaats als de Soeverein in hun leven. Met berouw gaat geloof samen. „Berouw tot God" staat naast „geloof in de Heere Jezus Christus" in de korte samenvatting van Paulus' evangelie, zowel voor de Joden als voor de Grieken, in Hand. 20 : 21. Om de gave van vergeving en de Geest te ontvangen moet men geloven in Jezus (10 : 43, 11:17, 16 : 31 enz.). De inhoud van het geloof wordt vaak niet aangeduid: zij hoorden de prediking en geloofden. Maar de inhoud van hun geloof was: de boodschap van Jezus. Het is interessant om te zien hoe het christocentrisch karakter van dit geloof benadrukt wordt door het gebruik van het Griekse eis met de vierde naamval. In zaligmakend geloof vertrouwt iemand zich „aan Christus" toe, en verder beleeft hij zijn geloof door? en Christo, „in Christus" te blijven. Men kan niet in Christus blijven tenzij men zich aan Christus heeft toevertrouwd. De sprong van het geloof gaat onvermijdelijk vooraf aan het leven des geloofs. (p. 171-173)

Door wie is het zendingswerk gedaan?

Daarover schrijft Green:

De discipelen zelf, en dit is belangrijk, waren geen beroepszendelingen, ze hadden geen formele theologische of rhetorische opleiding gehad. Vanaf het begin was het christendom een aktie van gewone mensen en het is dit voor een opmerkelijk lange tijd gebleven. In zekere zin werden de apostelen onvermijdelijk „beroepsmensen". Maar in Handelingen 8 lezen we al dat niet de apostelen, maar de „amateur"-zendelingen, de mensen die uit Jeruzalem verdreven waren door de vervolging na de marteldood van Stephanus, het evangelie met zich meenamen, waar ze ook heengingen. Zij waren het die langs de kustvlakte naar Phoenicië reisden, over de zee naar Cyprus, of naar het Noorden gingen, naar Antiochië. Zij waren evangelisten, evenals de apostelen. Zij waren het inderdaad die twee revolutionaire ideeën toepasten: om te prediken tot Grieken die geen connecties hadden met het Jodendom, en om de zending onder de heidenen vanuit Antiochië te beginnen. Er zat geen bepaald plan achter. Ze waren verdreven van huis en hof in Jeruzalem en ze gingen overal heen en verspreidden het goede nieuws dat hun vreugde, bevrijding en een nieuw leven had gegeven. Dit moet vaak de vorm hebben aangenomen niet van officiële prediking, maar van een gemoedelijk praatje met vrienden en mensen die ze toevallig ontmoetten in hun huis, in wijnwinkels, bij hun wandelingen en rondom de marktstalletjes. Ze gingen overal heen en maakten een praatje over het evangelie. Ze deden dat spontaan, enthousiast en met de overtuiging van mensen die er niet voor betaald werden om dat soort dingen te zeggen. Bijgevolg werden ze serieus genomen en de beweging groeide, vooral onder de lagere klassen, (p. 197-198)

Mijn vraag: Is het dan niet vreemd dat in onze tijd het kwalijk wordt genomen, wanneer er evangelisatie wordt bedreven, die niet van de kerk uitgaat? Zo hoor ik nog wel eens beweren dat de EO zich op het terrein van de kerken begeeft, wanneer zij evangelisatiesamenkomsten organiseert. Hoe heel anders was de houding van Paulus, die zich zonder meer verblijdde over de prediking van het Evangelie, zelfs als dat soms gebeurde met een bijoogmerk (Phil. 1:15-18)

Huis-evangelisatie

Daarover schrijft Green:

Eén van de belangrijkste middelen en wegen in de oudheid om het evangelie te verbreiden was het gebruik van particuliere huizen. Dit had aanwijsbare voordelen: het betrekkelijk kleine aantal mensen dat er bij betrokken was maakte uitwisseling van gedachten en leerrijke discussies mogelijk. Er was geen kunstmatige scheiding tussen de prediker en zijn gehoor. Er was geen verleiding voor de spreker of voor iemand die interrumpeerde om te trachten de menigte op z'n hand te krijgen, zoals dat gebeuren kon in een publieke lokaliteit of een samenkomst in de buitenlucht. Het totaal ontbreken van enige formaliteit en de ontspannen sfeer van het huis - om nog maar niet te spreken over de gastvrijheid die ermee gepaard ging - dit alles heeft er aan meegewerkt om deze vorm van evangelisatie bijzonder vruchtbaar te maken. We hebben al gezien dat Celsus zich erover beklaagde: in particuliere huizen probeerden de wolbewerkers, de schoenlappers en de boerenpummels die hij zo hartgrondig verachtte, zieltjes te winnen. Zelfs aan kinderen werd vertelt dat ze „gelukkig zouden worden, en ook hun ouderlijk huis gelukkig zouden maken", (p. 239)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE EERSTE CHRISTEN-EEUWEN

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's