In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

INTERVIEW MET DE EINDREDAKTEUR

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INTERVIEW MET DE EINDREDAKTEUR

12 minuten leestijd

Ds. Hegger, u bent in februari 65 jaar geworden. Wat gaat u nu doen? Op uw lauweren rusten, genietend van de oude dag? Of hebt u nog plannen?

HJH: Ik was erg getroffen door wat dhr. Gidney (lid van de EMF) zei: Een door God geroepene krijgt van Hem geen AOW. Zijn roeping gaat altijd door.

Ik weet echter dat een mens ook geroepen kan zijn door een gemeente, of in mijn geval: door een stichting. En het is juist dat zulk een menselijke instelling wél zorgt voor een pensioen, wanneer de leeftijd daarvoor is gekomen.

Het hoeft ook niet in strijd te zijn met een roeping Gods, wanneer gemeenten als een algemene regel hebben ingevoerd dat hun predikant, wanneer hij 65 jaar is geworden, plaats maakt voor een jongere dienaar des Woords.

Zo zou ik het ook vanzelfsprekend vinden dat ik zou moeten plaats maken voor een opvolger, wanneer het bestuur die had gevonden. Maar, hoe vaak we daar ook over gedacht, gebeden en gesproken hebben, zulk een opvolger hebben we nog steeds niet kunnen vinden. Daarom blijf ik voorlopig dit werk doen.

JKM: Ik wil inhaken op twee woorden, die u in uw antwoord naar voren bracht, nl. op het luoord „stichting" en het woord „opvolger". Allereerst het woord „stichting".

Velen weten uit uwpublikaties ongeveer hoe uw veel bewogen leven zich heeft afgespeeld. Ze weten iets van uw weg uit de duisternis naar Gods wonderbare licht. Maar hoe de Stichting In de Rechte Straat is ontstaan, daar weten maar weinigen iets van af. Kunt u daarover iets meer vertellen?

HJH: In de Rechte Straat is ontstaan naar aanleiding van het verschijnen van mijn eerste boek: „Mijn weg naar het licht" in 1957. Ik kreeg toen veel reakties van gewezen en zoekende rooms-katholieken, priesters zowel als leken. Aanvankelijk probeerde ik die brieven persoonlijk te beantwoorden. Maar ik was predikant van de gemeente van Denderleeuw in België en mijn tijd was dus beperkt. Bovendien waren het vaak gelijksoortige vragen, die in die brieven naar voren werden gebracht.

Daarom besloot ik een driemaandelijks gestencild blaadje te beginnen (driemaandelijks, omdat ik dan kon genieten van het goedkope posttarief), waarin ik dieper op die vragen inging en dat ik dan tegelijk naar alle briefschrijvers kon verzenden. Dat blaadje noemde ik toen „In de Rechte Straat" (naar Hand. 9 : 11). Mijn mederedakteur, ex-priester W. M. A. Kuin, heeft een half jaar later, toen ik voor een tournée in Zuid-Afrika was, het blad laten drukken. Dat was een groot financieel risico, daar we toen nog maar 200 abonnees hadden. Ik kon dat risico echter dragen vanwege het honorarium van mijn boeken, die destijds in grote oplagen verkocht werden. Het aantal abonnees is vrij snel gegroeid. En toen in 1960 de Stichting In de Rechte Straat werd opgericht, heb ik het blad aan de stichting overgedragen. Het blad is sindsdien de financiële basis van ons werk gebleven.

De eigenlijke reden waarom ik tot de oprichting van die stichting ben overgegaan, was het volgende. In die tijd meldden zich meerdere zoekende of gewezen priesters, die in grote nood verkeerden. In het begin kon ik hen helpen, mede omdat ik enkele bemiddelde gereformeerde vrienden en kennissen bezat.

Maar we konden dat tenslotte niet volhouden en moesten uitzien naar een ruimere kring van donateurs. Er was méér geld nodig. En dan moet alles ook zakelijk goed geregeld worden. De mensen die zulk een werk steunen, hebben er recht op zeker te zijn dat hun giften ook besteed worden voor de doeleinden, waarvoor ze ze bestemd hadden. Dus: een stichting met een jaarlijkse accountantscontrole.

JKM: Wie waren de bestuursleden van de beginperiode? En stondjullie van meet af aan eeduidelijk program voor ogen?

HJH: Bij de oprichting van de stichting op 5 juli 1960 maakten de volgende predikanten deel uit van het bestuur: Ds. W. Glashouwer, Ds, J. Gravendeel, Dr. H. van Vliet, ondergetekende alsmede ex-priester Ds. M. V. J. de Craene, die destijds nog studeerde aan de VU.

In de statuten hadden we als doelstellingen van de stichting geformuleerd: 1. „aan rooms-katholieken het Evangelie bekend te maken zoals dat voornamelijk door de Reformatie werd herontdekt; 2. priesters en kloosterlingen, eventueel ook leken, die om des gewetens wille de R.-K. Kerk verlaten, geestelijk, moreel en financieel te steunen; 3. voorlichting te geven omtrent het rooms-katholicisme aan niet-rooms-katholieken, alsook mede te werken aan de verdieping van het bijbelse en reformatorische besef van hen die in het protestantisme geboren zijn".

Wat het program betreft dat ons toen voor ogen stond, daarover zeggen de statuten: „De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het houden van conferenties voor ex-rooms-katholieken, door het organiseren van spreekbeurten ter bevordering van dit evangelisatiewerk, door het oprichten van opvangcentra voor zoekende rooms-katholieken en door de uitgave van een periodiek, te noemen „In de Rechte Straat" en eventueel andere uit te geven periodieken".

JKM: Het is boeiend te horen, hoe u en degenen die destijds met u samenwerkten, dat allemzagen. Maar ik kan me moeilijk voorstellen dat u er toen al een idee van had dat dit aarzelendbegin zó zou uitgroeien tot een wereldwijd werk.

HJH: Nee, beslist niet. Eén van de redenen was dat ik toen het Engels niet beheerste. Ik had daarvoor in ons klein-seminarie van de passionisten geen voldoende scholing gekregen. En het Engels is toch immers de wereldtaal.

JKM: En als u nu terugziet op al diejaren, kunt u dan ook spreken van duidelijke zegen? Is de Heere meegekomen in deze arbeid?

HJH: Als ik op mijn werk terug zie, dan overvalt mij allereerst een gevoel van onvolkomenheid. Ik denk dat dit bij elke gelovige het geval is. Dan zie je, hoe jezelf zo vaak een belemmering bent geweest voor de volle doorbraak van Gods zegen.

Maar die zegen was er desondanks. We hebben ook vaak onze teleurstellingen gehad met ex-priesters, maar er zijn er toch ook heel wat die nu predikant of zendeling zijn in allerlei landen van de wereld.

Ook op mijn publikaties heb ik de zegen van de Heere mogen zien. Vaak heb ik gehoord dat mensen door wat ik schreef, tot geloofsbeslissing zijn gekomen of althans erdoor gesterkt werden.

En daar sta je dan telkens weer van te kijken. Want ik weet heel goed dat niemand tot bekering komt door een mensenwoord. Dat is bij mij ook niet het geval geweest. Alleen het Woord Gods heeft die levenwekkende kracht om mensen radikaal te doen omkeren. En dat is dan het verrassende dat de Heere daarbij toch de woorden van mensen inschakelt.

Dat is ook zo het geval met ons blad IRS. Ik zit hier maar in mijn studeerkamer en schrijf van hieruit mijn artikelen. Ik zit hier dus op een min of meer eenzame post. Ik probeer zo duidelijk mogelijk het Woord Gods te ontvouwen, maar je weet niet of het ook goed overkomt. Ik heb niet een eigen gemeente waar je vanzelf wel bemerkt of de kerkgangers wat aan je preken hebben of niet. En dan krijg je soms een telefoontje of een brief en dan bemerk je dat er toch heel wat abonnees zijn die ons blad graag lezen en er geestelijk door worden opgebouwd.

JKM: Ik ken het werk van IRS al ruim twintig jaar en dan zie ik daar toch een ontwikkeling in, met name ook een ontwikkeling in uw denken vanuit de Schrift. Dat doet mij denken aan een uitspraak van Calvijn: „Al schrijvende leer ik en al lerende schrijf ik ". Ik vermoed dat dit ook biu het geval is geweest.

HJH: Inderdaad. Ik heb in al die tijd veel kennis vergaderd door te luisteren naar de anderen. Ik heb de waarheid ervaren van wat Paulus schrijft dat wij alleen „samen met alle heiligen" (Ef. 3 : 18) de volle rijkdom van de liefde van Christus kunnen kennen.

Maar dat luisteren naar de anderen is iets dat je leren moet. Elk mens heeft de neiging om eigen standpunt te verdedigen. Als je daaraan toegeeft, dan luister je niet echt naar de ander, naar wat hij werkelijk zeggen wil, naar de innerlijke inhoud van zijn argumenten. Maar dan luister je slechts naar hem vanuit de gedachte: Hoe kan ik zijn argumenten weerleggen en aantonen dat ik gelijk heb? Toen ik dat eenmaal ontdekt had, begreep ik ook wat de Heere tot zeven keer toe heeft gezegd: „Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt" (Openb. 2 en 3); dus niet slechts wat de Geest tot één bepaald kerkverband zegt, b.v. tot de hervormden, de vrijgemaakten, de christelijke gereformeerden enz.

Dat luisteren naar de ander houdt ook een risico in nl. dat je tot de ontdekking komt dat je iets tot nog toe niet juist hebt gezien. Misschien is dat ook wel de eigenlijke reden waarom velen niet tot een echt luisteren naar de ander komen. Ze zijn bang voor de mogelijkheid dat je je op een bepaald punt totaal moet herzien. Afgezien van de konsekwenties, zelfs financiële, die dat met zich kan meebrengen, ziet men dat ook als „gezichtsverlies". Dat is natuurlijk onjuist; denk maar aan de grote Augustinus, die aan het einde van zijn leven een boek schreef: „Retractationes - Terugtrekkingen", waarin hij meerdere dingen die hij eerder verdedigd had, openlijk terugnam.

Natuurlijk betekent dat niet dat je zelfs de vraag naar je eeuwig heil in de waagschaal zou moeten leggen. Dat is zo diep persoonlijk. Die zekerheid komt voort uit de Heilige Geest die in je op grond van het Woord getuigt dat je een kind van God bent. Daar kan eigenlijk niemand in treden. Dat is de direkte relatie van een zondig mens tot zijn Zaligmaker, Jezus Christus.

Maar in alles wat het overige betreft, in wat de Bijbel nog méér zegt, daarin is het belangrijk om intens te luisteren naar wat de andere gelovigen zeggen; de gelovigen in het heden én de gelovigen in het verleden, zoals zij zich schriftelijk hebben geuit, zowel persoonlijk als samen met hun gemeenten. En dat laatste vinden we dan in de belijdenisgeschriften, die dus, op grond van deze gemeenschap der heiligen door alle eeuwen heen, grote waarde voor mij hebben.

JKM: U hebt in het begin gesproken over de „stichting" eri over uw „opvolging". Over de Stichting In de Rechte Straat hebben we het nu voldoende gehad. Nu iets over een eventuele opvolger van u.

Het bestuur, en ik neem aan: ook de abonnees, stellen het op prijs dat u zegt: „De Heere stuurt nij niet met pensioen; dat is niet gebruikelijk in Gods Koninkrijk".

Dat neemt toch niet weg dat, vanzelfsprekend in totale afhankelijkheid van de Heere, een bestuur er rekening mee moet houden dat u over enige tijd althans een gedeelte van uw taken mipgeven en dat er dan een opvolger moet komen.

Nu wil ik niet al te konkreet ingaan op een mogelijke opvolger, maar wél zou ik u willen vragenHoe moet zulk een opvolger dan gemotiveerd zijn?

HJH: Als eerste motief zou ik willen aangeven: een diepe liefde tot hen, die onze stichting bereiken wil, dus onze r.-k. medemensen, met name ook de priesters. Zulk een opvolger mag op geen enkele wijze behept zijn met een, ook niet latent, antipapisme. Daar bedoel ik mee dat je niet in je moet meedragen een overgeërfde traditionele weerzin tegen r.-k. mensen, en ook niet tegenover de R.EC. Kerk als machtsinstituut, die een bedreiging vormt voor de protestantse „macht". De bijbel veroordeelt dat als een reageren vanuit het „vlees".

Als je zulk een ongeestelijke vijandschap in je hebt tegenover „de roomsen", dan maakt dat je al voor een groot gedeelte ongeschikt voor dit werk. Want dat proeft een rooms-katholiek gauw genoeg, hoe je hem benadert: of je vanuit een meerwaardigheidsgevoel als „kenner der Schriften" tot hem komt of vanuit de bewogenheid van de liefde van Christus.

Dat betekent niet dat je dan maar de waarheid moet verdoezelen zoals dat in de onbijbelse oecumene gebeurt, maar wél dat je voortdurend je de vraag moet stellen: Hoe kan ik de waarheid vanuit een nederige, dienende liefde aan de ander duidelijk maken, zonder hem nodeloos pijn te doen (want tot op zekere hoogte doet de waarheid van Gods Woord altijd pijn; het is immers een tweesnijdend zwaard).

Een tweede vereiste is volgens mij dat een opvolger niet eng-kerkistisch mag denken. Het is een wonder van bijbelse oecumene dat ons blad gelezen wordt in allerlei kringen, die anders nauwelijks enig kontakt met elkaar onderhouden. Dat is een groot goed. En daar moeten we zuinig op zijn.

Het is heel gemakkelijk om een bepaald kerkverband tegen het hoofd te stoten. Maar ook daarin moet je de liefde betrachten en jezelf beheersen.

Natuurlijk zijn daar ook grenzen aan. Een eindredakteur moet ook kunnen schrijven vanuit een diepe persoonlijke overtuiging. Anders wordt zijn blad kleurloos. Dan ben je geen dienaar meer van Gods Woord, maar een ogendienaar van mensen.

Vaak zal het daarom een wikken en wegen zijn naar twee kanten. Allereerst in de richting van onze r.-k. lezers. U zult wel gemerkt hebben dat ik voortdurend mij de vraag heb gesteld: Ben ik niet te hard of te zoetelijk? Vervolgens ook in de richting van de protestantse lezers: Wat kan en mag ik als persoonlijke overtuiging in het blad indragen, zonder een bepaalde groep christenen daardoor van ons te verwijderen?

JKM: Ik ben blij dat ik op deze manier een gesprek kon voeren. Het geeft de lezers de kans oeens binnen de muren van IRS te kijken en ook om nog eens wat nader te horen over hoe u denkde ervaringen die u in uw leven hebt opgedaan, met name door het schrijven van boeken en dredaktie van IR S. Namens het bestuur, en zeker ook namens vele lezers, zeg ik u hartelijk danvoor deze geboden gelegenheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

INTERVIEW MET DE EINDREDAKTEUR

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 maart 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's