In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

HET ZWAARD OVER DE HERDER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET ZWAARD OVER DE HERDER

14 minuten leestijd

Dat is de titel van een nieuw boek dat ik geschreven heb nl. over het pausdom, naar aanleiding van Zach. 11 : 17. Het boek zal vermoedelijk dezelfde omvang hebben als „Wat is geloven?" Hieronder laat ik een gedeelte volgen van een hoofdstuk, zodat u reeds een indruk kunt krijgen van de inhoud.

ALLEEN GETUIGEN?

De vorm van dit boek is ontstaan uit een droom, maar de kerninhoud is gegroeid uit een jarenlang bezig zijn met de Schrift.

Oorspronkelijk had ik er een andere vorm voor bedacht. Ik had uitsluitend positief willen zijn. Ik had enkel de persoon en de geschiedenis van Petrus willen beschrijven zoals die uit de Bijbel tot ons komt. En de titel zou luiden: „Petrus, monument van genade". Ik wilde op geen enkele wijze het pausdom noemen. Ik verwachtte dat rooms-katholieken vanzelf tot de konklusie zouden komen, dat de bewering van de pausen als zouden zij de opvolgers van Petrus zijn, ongegrond is; wanneer ze althans de bijbelse gegevens die ik hen in dat boek zou voorleggen, onbevooroordeeld zouden lezen.

Waarom wilde ik tot voor kort die uitsluitend positieve vorm aan mijn boek geven? Omdat ik langzamerhand de mening was toegedaan, dat al het negatieve, hoe goed ook bedoeld, toch afstoot. We kennen immers het gezegde: Men vangt méér vliegen met één druppel honing dan met een ton azijn.

Ik was tot die opvatting ook gekomen op grond van mijn ervaring in het werk van In de Rechte Straat, en ook wel van de reakties op mijn boek „Moeder, ik klaag u aan".

Zijn dromen alleen maar bedrog?

De droom die ik had in een hotel in Lissabon, stuurde mij echter in een andere richting. (Deze droom wordt beschreven in hoofdstuk IV van het boek).

Natuurlijk mag je niet zonder meer je baseren op een droom. Een droom is (of kan althans zijn) een vorm van profetie. En over de profetie schrijft Paulus: „Dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen" (1 Kor. 14 : 29). Daarom moest ik die droom allereerst zelf toetsen aan de Bijbel, maar bovendien het oordeel van andere gelovigen hierover vragen.

We lezen over de dromen: „Zo er een profeet onder u is, Ik, de Heere, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken. Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is. Van mond tot mond spreek Ik met hem en door aanzien en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des Heeren aanschouwt hij" (Num. 12:6-8).

Een droom heeft dus duidelijk minder waarde dan een rechtstreeks spreken van de Heere. Maar dat neemt toch niet weg dat het mogelijk is dat de Heere werkelijk een aanwijzing geeft door middel van de dromen. En dat deze manier van leiding door de Heere niet slechts voor vroeger was, maar voor alle tijden, vooral ook na de pinksterdag, dat zegt Petrus duidelijk in Hand. 2:17.

Gesprek met een ex-rooms-katholieke

Ik had mijn manuscript aan verschillende broeders en zusters ter beoordeling voorgelegd. Vooral met een mevrouw, die ook zelf rooms-katholiek is geweest, had ik hierover een diepgaand gesprek. Zij had mij al vaker geschreven: „Wees toch uitsluitend positief in uw blad In de Rechte Straat. Mijn man is nog roomskatholiek, maar zodra er ook maar iets in uw blad staat waarin u zich enigszins afzet tegen de leer van Rome, dan kan ik het hem al niet meer laten lezen. Dan moet hij van dat hele nummer niets meer hebben".

Ik vond het dus erg belangrijk om haar mening te horen, hoewel ik van de andere kant er rekening mee moest houden dat haar bijzondere positie tegenover haar man een algemeen-juist oordeel over deze kwestie ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Van de ene kant was haar reaktie positief. Ze had tegen haar man gezegd: „Lees eens alleen wat er staat en denk niet aan de man die het geschreven heeft. (De pastoor had zich niet bepaald vriendelijk over mij uitgelaten.) Vergelijk eens wat hij zegt, met de Schrift. Ga eens al die Bijbelteksten na. Onderzoek het zelf. Blijf niet afhankelijk noch van de pastoor, maar evenmin van wat een zekere ds. Hegger zegt. Niet mensen beslissen, maar de Heilige Schrift heeft het laatste Woord, want de Schrift is het Woord van God".

Ze was aanvankelijk zelfs van plan het manuscript naar een priester te sturen, een oprecht gelovig priester die ook ik persoonlijk ken, een zeer hoogstaand iemand. Ik heb het haar echter afgeraden en gezegd: Laat hem eerst mijn boekje, „Wat is geloven?", lezen en stuur hem daarna het manuscript.

Ze was wat de inhoud betreft, dus zeer enthousiast. Ze zei: De Schrift spreekt hierin zo duidelijk; dat móet een rooms-katholiek die een beetje open staat voor de waarheid, toch wel overtuigen.

Dat was haar reaktie door de telefoon, nadat ze het manuscript gelezen had. Ze zei: Ik heb er aan één stuk door in gelezen, tot twee uur 's nachts.

Bezwaren

Maar toen zij mij kwam bezoeken om er verder over door te praten, was haar oordeel: „Nee, u moet het niet publiceren, althans niet in deze vorm".

Ik heb aandachtig geluisterd naar haar argumenten en die ook diep op me laten inwerken.

Een eerste bezwaar van haar was: Overtreedt u niet het gebod van de Heere: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt" (Mat. 7:1)?

Nu is het waar dat wij nooit over het hart van een ander mogen oordelen, tenzij vanuit een diepgaande profetische verlichting zoals Petrus (in het geval van Ananias en Saphira en van Simon de tovenaar) en Paulus (tegenover de tovenaar Elymas) die ontvingen. Maar zulk een oordeel over het hart komt in de Bijbel zo weinig voor en slechts bij deze groten in het Koninkrijk Gods, dat het me wijs lijkt om voor jezelf maar niet de mogelijkheid aan te nemen dat de Heere dat ook jou zou kunnen geven.

Een oordeel over het hart van een ander moeten we dus uitsluiten. Maar een oordeel over de ander vanuit wat hij zegt en doet, wordt ons door de Heere wél geboden. „Maar wacht u van de valse profeten, die in schaapskleren tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. Aan hun vrucht zult gij ze kennen. Leest men ook een druif van doornen of vijgen van distelen?" (Mat. 7:15-16).

Ik heb dus in dit boek steeds geprobeerd een oordeel over het hart van deze paus te vermijden, maar zij toonde mij aan dat ik hier en daar toch wel dicht de rand van een oordeel over het hart was genaderd en ik heb die passages dan ook gewijzigd.

Het Evangelie is niet naar de mens

Een tweede bezwaar van haar was: Het heeft geen enkele zin mensen die niet wedergeboren zijn, aan te spreken met een oordeel, ook niet met een oordeel op grond van de vrucht. Omdat zij niet geestelijk zijn, verstaan zij de dingen des Geestes niet. Zij kunnen alleen maar reageren vanuit het „vlees". Ze ondergaan ook alles alleen met hun „vlees" en dat betekent dat wat u zegt, kwetsend bij hen overkomt.

Maar dan zou je eigenlijk nooit het Evangelie kunnen verkondigen aan mensen, die nog niet zijn wedergeboren. Immers het Evangelie „is niet naar de mens" (Gal. 1 : 11). Het gaat helemaal in tegen het „vlees" d.i. de natuurlijke mens. Want het Evangelie stelt de mens in staat van beschuldiging. Het laat zien dat wij ons ganse bestaan verzondigd hebben en dat we daarom de toorn Gods en de eeuwige dood verdiend hebben. Dat Evangelie vertelt ons ook dat wij zelf ons nooit met God kunnen verzoenen en dat we die verzoening integendeel slechts als een genadegeschenk uit de handen van Christus kunnen ontvangen.

Dat alles gaat radikaal in tegen onze zondige zelfhandhaving. Iemand die nog nooit verzet in zich heeft gevoeld, toen hij het Evangelie hoorde verkondigen, heeft het nooit goed begrepen. Als we het wél goed begrepen hebben, móet alles in ons daar tegen in opstand komen, omdat het niets meer van onszelf overlaat.

Getuigenis én aanklacht

Zij zei nog: „Niet ons oordelen of terechtwijzen is een kracht Gods, maar het Evangelie is een kracht Gods tot behoud van de mens (Rom. 1 : 16 -17), wanneer hij gelooft. Christus heeft ons opgedragen: Verkondigt het Evangelie aan de ganse schepping".

Dat is ook wel zo, maar de apostelen hebben niet alleen getuigd, maar ze hebben ook aangeklaagd. Lees maar de eerste preek van Petrus op de pinksterdag. Hij striemt zijn toehoorders door hen te verwijten dat ze de Messias, de Zoon van God, door de handen van heidenen hebben laten vermoorden en Hem de vreselijke kruisdood hebben laten sterven. En het gevolg? „En toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in hun hart en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u…" (Hand. 2:37 - 38). En er kwamen er op die dag drieduizend tot geloof in Christus en zij lieten zich dopen (vs. 41).

En overigens: zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gaat het profetisch getuigen steeds samen met de profetische aanklacht. Er is geen enkel boek van het Nieuwe Testament dat uitsluitend het Evangelie verkondigt. Steeds worden licht en duisternis tegenover elkaar gesteld. We moeten niet bijbelser willen zijn dan de Bijbel en christelijker dan Christus Zelf. Want ook Hij uitte Zich in Mat. 2 3 in zeer felle bewoordingen tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën: „Wee u, gij huichelaars!"

Geen geweld, geen vlees

Zij hield mij ook nog deze tekst voor: „Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de Heere der heerscharen" (Zach. 4 : 6). Maar daar wordt het geweld van mensen gesteld tegenover de Geest des Heeren. De Geest Zelf echter brengt ook kracht. „Maar gij zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, die over u komen zal" (Hand. 1 : 8). En de komst van de Geest gaat volgens de profetie van Joël ook gepaard met het vuur van het oordeel: „bloed en vuur en rookdamp".

„Bent u niet te veel gaan steunen op uw „vlees", uw uitgebreide kennis van de Schrift? „En geldt dan niet: …opdat geen vlees zou roemen voor Hem (1 Kor. 1 : 29)."? Zo vroeg zij mij.

Een zeer goede vraag. Altijd moeten wij onszelf laten doorlichten door de Heere en moeten we in het licht van Zijn Woord en Geest nagaan wat ons ten diepste drijft. En het is zo mooi dat wij, in de gemeenschap der heiligen, elkaar dergelijke vragen kunnen en mogen stellen. Zo werken we mee aan de opbouw van elkaar, en heel in het bijzonder aan de opbouw van het lichaam van Christus.

Ik heb mezelf daarom ook opnieuw onderzocht. Ik meen echter dat ik in dit boek niet „vlees tot mijn arm stel" (Jer. 17:5), d.i. dat mijn eigenlijke motieven waarom ik dit boek publiceer, niet in mezelf gelegen zijn. Ik zeg dit slechts aarzelend en met grote huiver. Want ik weet van de onvermoede duistere diepten van het menselijke hart.

De eer van God voorop

Maar het eigenlijke motief waarom ik meen dit boek in deze vorm te moeten publiceren, de vorm dus van getuigenis én aanklacht, is dat ik na hernieuwd luisteren naar de Bijbel tot de overtuiging kwam, dat de eer van God voorop moet staan.

Zeker, het heil van de naaste is eveneens heel belangrijk. Maar de liefde tot de mede-mens blijft het tweede gebod, hoezeer dat tweede gebod dan toch ook weer gelijk is aan het eerste (Mat. 22 : 39).

Het optreden van deze paus is een vreselijke aantasting van de eer van Christus. Hij verdringt Christus veel meer van de Hem toekomende plaats dan de onmiddellijk voorafgaande pausen. Hij trekt de wereld rond en laat zich overal bejubelen als de Christus op aarde. Hij benadrukt ook heel sterk de verering van Maria als middelares van alle genaden en als moeder van de kerk. Daarin zit opgesloten dat Maria eerder bereid zou zijn om ons te helpen dan haar Zoon, Jezus Christus. Pas als Maria tussen beide komt, wordt Christus bewogen tot vergeving en barmhartigheid. Ik kan dit niet anders zien dan als een naar beneden halen van de liefde van Christus en van de liefde van de Vader. Paulus schrijft: „Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" (Rom. 8 : 32). Nee, zegt Rome; nee, zegt vooral deze paus, dat doet God alleen wanneer Maria als moeder daar bij haar Zoon op aandringt.

Groet hem niet

Johannes, de apostel der liefde, schrijft: „Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis en zegt niet: Wees gegroet; want die tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken" (2 Joh. 1011).

Wat bedoelt Johannes met „deze leer"? In elk geval dat wij in Jezus Christus een volkomen Zaligmaker hebben en dat Zijn liefde alles overtreft, ook de liefde van Zijn eigen moeder. Die liefde is immers zó groot dat Hij de 99 schapen achterlaat om het éne dat in de wildernis verloren dreigt te gaan, op te zoeken. Deze goede Herder heeft niet nodig dat mensen Hem aansporen zorg te dragen voor Zijn schapen.

„Zeg niet (tot hem die deze leer niet brengt): „Wees gegroet", aldus Johannes. Maar honderdduizenden, miljoenen, lopen uit om deze paus toe te juichen, wanneer hij ergens verschijnt, deze witte figuur in de gedaante van de engel des lichts.

Protestantse kerkleiders verdringen zich om bij hem te worden toegelaten.

In Duitsland was er slechts één lutherse bisschop, die bedankte voor deze „eer".

En de massa's juichen…

Van 16 tot 27 februari trekt deze paus naar het Verre Oosten. Dan gaat hij naar de Philippijnen en zal daar de eerste Filippino, nl. de priester Lorenzo Ruiz, zalig verklaren en daarmee de rooms-katholieken uitnodigen ook deze heilige aan te roepen als middelaar tussen God en de mensen. Dat zal oorzaak zijn van een wilde geestdrift bij de Filippino's, hun eerste nationale zalig-verklaarde! En wat een macht zullen ze toeschrijven aan deze man in zijn witte kleding, die blijkbaar kan kijken tot over het graf en die met stelligheid kan beweren dat deze Lorenzo Ruiz de zalige aanschouwing van God is deelachtig geworden en daarmee het groene licht heeft gegeven voor een massale religieuze hulde aan deze mens op grond van zijn goede werken, waarmee hij het „eeuwige leven waarlijk verdiend heeft" (Concilie van Trente, zesde zitting, canon 32).

Zelf ben ik tien dagen in de Philippijnen geweest en heb daar de ontstellende stoffelijke en geestelijke armoede van de massa's gezien. De mensen zijn er bezeten door allerlei demonische angsten. En zij zullen zich zeker vergapen aan de vergulde schijn van deze witte gestalte. Enkele uren zal daar hun religieuze honger worden gestild met dit surrogaat van de waarachtige Christus.

Daarna trekt hij verder naar het eilandje Guam, waar hij symbolisch alle inwoners van Oceanië, de mensen op de eilanden van de uitgestrekte Stille Oceaan, wil begroeten. Tenslotte belandt hij dan in Japan.

Men verwacht dat hij in 1981 ook naar Lourdes zal gaan voor het „Eucharistische Congres" en tevens een bezoek zal brengen aan Genève, de zetel van de Wereldraad van Kerken.

En wanneer komt hij naar Nederland? Zullen ook hier dan de tienduizenden samenstromen om voor hem neer te vallen en hem hulde te bewijzen als de vertegenwoordiger van Christus op aarde?

DE NOODKLOK BLIJFT LUIDEN

Wij herhalen nog even: Om aan on2e verplichtingen in 1981 te kunnen voldoen, zijn nodig ƒ 152.800. Zie het artikel „Onze Financiën", van onze penningmeester, IRS, dec. p. 28-29- Hierin zijn uiteraard nog niet begrepen de tekorten over 1980. Tot onze grote vreugde mogen we echter berichten dat in de maand december reeds…/ 75.000,- is binnengekomen! Héél, héél hartelijk dank! We zijn er nog niet, maar we zijn wel al een heel eind in de goede richting.

GETUIGEN VAN JEHOVA IN PORTUGAL

In het dagblad „Correio da Manha" las ik dat de Getuigen van Jehova een nieuw gebouw in gebruik genomen hebben in Carnaxide. In die streek leven er meer dan 12.000 Getuigen van Jehova. Hun feestelijke samenkomst begon 's morgens om 9.00 uur en eindigde 's middags om 6.00 uur. Ze waren met 1103. De krant besteedde een halve pagina aan dit nieuws en drukte daarbij twee foto's af, één van het nieuwe gebouw en een ander van enkele bezoekers.

De Getuigen van Jehova tonen een bewonderenswaardige ijver voor de verbreiding van hun dwaling, méér dan sommige christenen voor de verbreiding van de waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

HET ZWAARD OVER DE HERDER

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 1981

In de Rechte Straat | 32 Pagina's