INDIEN IEMAND TOEDOET OF AFDOET......
(Openb. 22:18-19)
Zo las ik in een preek, die mij werd toegezonden: „ Wanneer ge hier aan deze kant niet als een reddeloze en radeloze en redeloze voor God hebt leren kruipen, dan zijt ge niet Zijn beminde".
Mijn vraag is: Waar staat dat in de Bijbel? Ik lees in mijn Bijbel nergens van zulk een voorwaarde. Ik hoor de Heere Jezus enkel spreken over geloof: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven" (Joh. 6 : 47). Hoe kan Christus zulk een belofte met zulke kracht („Voorwaar, voorwaar!") verkondigen, wanneer behalve het geloof in Hem ook nog vele andere dingen nodig zijn o.a. het „kruipen voor God als een radeloze, redeloze en reddeloze"? Ergens anders las ik een uiteenzetting over „zien is nog geen hebben". Daarin worden zij veroordeeld, die beweren dat God het oprecht meent, wanneer Hij de heilsweldaden in Christus uitstalt en dan iedereen uitnodigt: „O al gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk!" (Jes. 55 : 1).
Volgens deze schrijver mag je niet zo maar komen. Je moet afwachten totdat God het je geeft. De leer dat je zo maar mag komen op grond van de uitnodiging Gods in Zijn Woord, noemt hij „vuile onzin, die tot de vuilnisbelt gedoemd moet worden".
Blijf af van het tere geheimenis Gods
Ik heb mij daarover zeer verbaasd en mij afgevraagd: Hoe kan een oprecht gelovige toch zo iets beweren?
Ik dacht: misschien bedoelt hij dat een komen uit eigen kracht (dus een geloven dat alleen maar op een eigen wilsbeslissing berust) geen enkele waarde heeft voor God, omdat zulk een geloof enkel uit ons zondige vlees voortkomt. Dan kan ik het daarmee eens zijn. Inderdaad, slechts een geloof dat gewekt wordt door Gods Woord en door Zijn Geest, is een geloof waardoor wij God behagen (Hebr. 11 : 6). En het is goed, wanneer dat telkens benadrukt wordt.
Maar… het is niet aan mij om te oordelen of iemand die op grond van de uitnodiging Gods („komt en koopt zonder geld" d.i. zonder ook maar enige tegenprestatie van goede werken daar tegenover te kunnen stellen) de weldaden van Christus heeft aangenomen, dat heeft gedaan op grond van een puur menselijke wilsbeslissing of dat het een geloof is dat uit God is geboren. Dat is het geheimenis tussen God en de ziel van de mens, het geheimenis van de werking van de Heilige Geest. Daar moet ik van afblijven.
Die uitnodiging van het „komen om niet" wordt herhaald aan het slot van de Bijbel: „En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet" (Openb. 22 : 17). Let wel, er staat: „NEME het water des levens". Wij mogen die tekst niet moedwillig veranderen in: „WACHTE AF, totdat het hem gegeven wordt". Dat mag vooral niet, omdat onmiddellijk daarop vers 17—18 volgt, waarin degenen die het wagen om iets toe te voegen aan of af te nemen van de woorden van de Schrift, bedreigd worden met de vreselijke plagen, die in het boek Openbaring beschreven staan.
Protestantse pausjes
Laten wij ons bewust blijven van ons eigen arglistige hart (Jer. 17 : 9) en van de listen van de satan, die zich probeert voor te doen als „een engel des lichts" (2 Kor. 11 : 14).
In ons hart zitten allerlei verkeerde neigingen o.a. de machtswellust en heerszucht. Het is voor de gevallen mens heerlijk om te kunnen heersen over de anderen. De geschiedenis laat ons zien, hoe allerlei dictators zich niet bekommerden om de honderdduizenden doden, die in hun oorlogen vielen. Ze zagen maar één doel en daarvoor moest alles en iedereen wijken: hun eigen eer, de vestiging van hun absolute macht.
Maar datzelfde zien we op geestelijk gebied. Het pausdom is er het meest duidelijke voorbeeld van. De pausen hebben een machtssysteem opgebouwd, waardoor ze alle mensen willen doen sidderen voor hun geestelijke macht, alsof zij de sleutels van hemel en hel in handen hebben, in dié zin dat zij wetten kunnen uitvaardigen waardoor zij de hemel toesluiten en de hel openen voor allen die hun wetten niet willen volbrengen.
Maar zijn er ook niet allerlei protestantse pausjes, die er, wellicht zonder het te beseffen, plezier in hebben, wanneer de mensen sidderen van angst onder hun prediking en zich blind toevertrouwen aan de door hen uitgestippelde wegen en paadjes naar de genade Gods? Ook zij beschouwen zich praktisch onfeilbaar. Ze nemen het iemand hoogst kwalijk en verwijzen hem soms zonder meer naar de hel, wanneer die het waagt met een beroep op de Schrift zijn wetten over de wegen en paadjes des heils in twijfel te trekken.
In de wurggreep van de angst
Paulus voelt zich genoodzaakt om tegenover de Korinthiërs te roemen op eigen bevindingen. „Omdat velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen" (2 Kor. 11:18). Hij voegt er dan meteen aan toe dat dit roemen volgens hem onwijs is, maar hij meent het toch te moeten doen als een middel om de Korinthiërs van onder de dwaling van de wets-predikers vandaan te halen.
Ik meen dat ik het voorbeeld van Paulus moet volgen, nu het over zulk een belangrijke zaak gaat. Maar ook ik voeg er aan toe: in wezen is zulk een roemen dwaas.
Ook ik heb als een reddeloze, redeloze en radeloze voor God leren kruipen in het klooster. De eeuwigheid van de hel, dat verblijf temidden van de afschuwelijke demonen in een onuitblusbaar vuur, kon mij zozeer aangrijnzen, dat ik het niet meer kon uithouden in de kloosterkapel. De angst greep mij naar de keel en dreigde mij te wurgen, als ik er aan dacht dat ik daar ooit in terecht zou komen. Ik móést die kapel verlaten en kreeg ook van de overste verlof om, wanneer het te erg werd, wat in de tuin van het klooster te gaan wandelen.
Maar ik denk er niet aan te beweren dat iedereen zulk een verscheurende angst moet hgehad en dat anders zijn geloof en bekering niet echt zou zijn.
Verpletterend schuldgevoel
Ik heb ook een stukmakend schuldgevoel gehad. Dan was het of de toorn Gods mij terecht kon verpletteren. Die zelfveroordeling is zo verschrikkelijk. Dan is er nergens een uitvlucht meer voor je. Je staat dan voor God en kunt alleen maar zeggen: „Ik heb het verdiend. Verwijs mij maar naar de eeuwige hel. Hoe erg dat ook is, maar zelfs het vuur van de hel kan mijn schuld voor U niet wegbranden". Eigenlijk is dit schuldbesef niet onder woorden te brengen. Het is zo absoluut, zo radikaal. Je keert je dan verwoed tegen jezelf. Het is een bittere zelfaanklacht. Je wordt je eigen rechter, omdat je je vereenzelvigt met de eeuwige Rechter en Hem volkomen gelijk geeft.
Dat absolute is juist het eigene van het schuldbesef. Je kunt en wilt dan niet meer onder die zelfbeschuldiging vandaan.
Maar ik denk er niet aan te beweren dat iedereen zulk een hartstochtelijk schuldbesef hebben gehad, wil zijn bekering echt zijn.
Tranen van berouw
Maar ik heb ook de hete tranen van het berouw gekend. Ik weet ook hoe heerlijk het is om jezelf, je schuld en verlorenheid, voor God uit te schreien.
Die tranen van het berouw welden in mij op, toen ik Gods grenzeloze barmhartigheid in Christus ging zien. Dat „zien" maakte van de ene kant mijn schuldbesef nog groter. In het licht van deze nameloze liefde stak de duisternis van mijn liefdeloosheid en zelfzucht nog schriller af.
Maar van de andere kant trok dat „zien" mij onweerstaanbaar tot deze Vader der erbarming. Ik voelde mij als de verloren zoon in de omhelzing van de vader van de gelijkenis (Lk. 15).
Deze ontmoeting met de vergevende God betekent een stuk vertedering, waar je evenmin de juiste woorden voor kunt vinden. Dat is zo rijk, zo rein, dat de tranen van de verootmoediging én van het beleven van de verzoening als warme golven door je geest, ziel en lichaam heentrekken.
Ik gun dit aan iedereen. Het is zo wonderbaar bevrijdend. Het is een diepe innerlijke reiniging. Het is de verrukking om zulk een genadige God.
Maar ik denk er niet aan om te beweren dat iemand die déze diepte van het berouw niet heeft gekend, niet echt bekeerd zou zijn.
In het paradijs
En dan de ervaring van de heiligheid Gods! Die kan zo hevig in mij zijn, dat ik er bijna bang van word.
Ik kan die ervaring niet oproepen, maar wel voorbereiden. Dan voel ik mij net als wanneer je een dierbare gast verwacht. Dan zorg je ook dat alles in je huis er gezellig uitziet. Zo kan ik dan ook proberen het stil in mij te maken. Dan druk ik alle wereldse gedachten uit mij weg. Dan reinig ik mij door de verootmoediging en doordat ik het bloed van Gods Zoon over mij afroep. Dan is alles in mij in een gewijde spanning.
Maar het besef van Zijn aanwezigheid heeft toch altijd iets plotselings. Ik ervaar het steeds als een genade, die over mij komt. De Heere openbaart Zich aan mij, wanneer Hij wil, niet wanneer ik wil.
Maar als Hij dan komt, dan is het alsof ik helemaal wordt uitgetild buiten en boven dit aardse. Ik meen Paulus te begrijpen, wanneer die zegt: „En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied is, weet ik niet, God weet het) dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken" (2 Kor. 12 : 3-4).
Maar ik denk er niet aan om te beweren dat iemand die dit niet op deze manier heeft ervaren, niet echt kind van God zou zijn.
Mijn Liefste
En ik ken de eenheid met Christus en ervaar die als een wonder. „Ik in u en gij in Mij", deze woorden van de Heere doorleef ik geheel en al. Hij leeft in mij en ik leef in Hem.
Ik mag met Hem spreken. En ik weet dat Hij mij antwoordt. Ik zie Hem en ik zie dat Hij naar mij ziet, vol erbarming, in eeuwige liefde, naar mij, die Hem dierbaar ben, omdat ik door Hem gekocht ben met de dure prijs van Zijn bloed.
Mijn ogen rusten in de Zijne en de Zijne in mij. Hij is voor mij als de geliefde van het Hooglied. Ik hoor Hem roepen: „O gij bewoonster der hoven, de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen". En ik antwoord: „Kom haastig, mijn Liefste, en wees Gij gelijk een ree of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen" (Hl. 8 : 13-14).
Maar ik denk er niet aan om te beweren dat iemand die niet op dezelfde wijze de eenheid met Christus ervaart, niet Zijn eigendom zou zijn.
Tot in de toppen van je vingers
En ik ervaar de volle gloed van de Heilige Geest. Dan is het alsof Hij mijn ganse ziel in beweging zet, alsof alles in mij begint te zingen van de heerlijkheid Gods. Dan is er een intense begeerte in mij om God groot te maken. Bijna gulzig haal ik dan de lofzangen Gods naar mij toe en leef er mezelf in uit.
Dan merk ik dat de Heilige Geest werkelijk in de lichamen woont van Gods kinderen (1 Kor. 6 : 19). Want dan is het of een warme stroom door mijn lichaam trekt, tot in de toppen van mijn vingers.
Dan beleef ik de „onuitsprekelijke zuchtingen", waarmee Hij in mij bidt (Rom. 8 : 26). Dan hoor ik Hem het halleluja roepen. Dan laat ik mij met Hem meedrijven in de verheerlijking van de Zoon en van de Vader (Joh. 16 : 14).
Maar ik denk er niet aan om te beweren dat iemand die niet deze zelfde bevinding van de Geest heeft, niet met Hem zou zijn vervuld.
Laten wij Christus verkondigen
Ik begrijp niet goed hoe mensen die deze heerlijkheid Gods in zichzelf ervaren hebben, met zoveel gemak aan anderen voorschrijven dat God met die anderen precies zo moet handelen als Hij dat met hen persoonlijk heeft gedaan. Hebben zij dan echt wel de volmacht en de vrijheid des Geestes doorleefd? zo vraag ik mij dan af. Hebben zij hun bekering dan wel als een wonder gezien, waarover ze zich altijd weer verbazen: Zulk een heilig God die in zulk een groot erbarmen naar hen, zulke grote zondaars, heeft omgezien?
Ik kan er wel inkomen wanneer zij zich zorgen maken over een lichtzinnige prediking. Die zorgen ken ik ook. Ik houd soms ook mijn hart vast, als ik sommigen hoor „getuigen". Dan komen ook bij mij vragen op: Hebt u wel iets van de ontzagwekkende heiligheid Gods gezien? Hoe kunt u dan bijna familiaar over Hem spreken?
Maar ik leg al die zorgen aan de voeten van de Heere. Ik weet dat ik Christus moet en mag verkondigen. Dat is genoeg. In Hem woont al de volheid der godheid, zelfs lichamelijk (Kol. 2 : 9). Als wij maar op Hem vertrouwen, dan mogen wij alles aan Hem overlaten. Hij wil dan een kromme prediking recht trekken. Hij leidt de Zijnen door Zijn Geest en niet door ónze geest. En het voedsel voor Zijn schapen is Zijn Woord, niet óns woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1981
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
