OKKULTE KRACHTEN
Tegenwoordig wordt onder christenen erg veel gesproken en geschreven over okkulte krachten. Ik vraag me af of dat altijd wel helemaal gezond is.
De Bijbel spreekt afkeurend over de Atheners, omdat „zij hun tijd tot niets anders besteedden dan om wat nieuws te zeggen of te horen" (Hand. 17 : 21). Er is ook een ongezonde sensatiezucht. We hebben de neiging om op anderen indruk te maken. En dat gebeurt vooral door het zogenaamde „doemdenken" en het „doempraten". Dergelijke mensen speculeren (vaak onbewust) op onze menselijke neiging om te griezelen, om te rillen bij allerlei spookverhalen.
Dat is ook de psychologische achtergrond geweest van de heksenwaan en de verschrikkelijke heksenvervolging, die tot in de tijd van de Reformatie heeft voortgeduurd. Dat kan een epidemie worden, een bedreiging voor de geestelijke volksgezondheid.
Als ik sommige boekjes lees over okkultisme, en uit gesprekken bemerk welk een indruk dergelijke boekjes ook op oprechte gelovigen maken, dan vraag ik me af of we weer zulk een tijd van massa-angst (en massahysterie) voor allerlei okkulte krachten tegemoet gaan.
Moet ik 's nachts om de fabriek sluipen?
Er zijn er die stad en land afreizen om de christenen te waarschuwen voor allerlei okkulte machten. Op grond daarvan worden bepaalde geneesmiddelen afgekeurd, omdat de uitvinder ervan een vrijmetselaar was. Maar moet ik dan nagaan welke de levensbeschouwing is van de uitvinders van de medicijnen die de dokter mij eventueel voorschrijft?
Van andere medicijnen wordt beweerd dat ze 's nachts om twaalf uur in de fabriek bereid worden en wel door schudden of wrijven. Maar moet ik op dergelijke beweringen afgaan of zelf 's nachts rond zulk een fabriek sluipen om na te gaan wat daar precies gebeurt, voordat ik in geweten rustig van die medicijnen gebruik mag maken?
Het lijkt mij verstandiger te luisteren naar wat Paulus over deze dingen zegt.
Geldt ook voor christenen een „kousjer"-wet?
In 1 Kor. 10 : 23- 33 behandelt Paulus de vraag of je in de vleeshal niet zorgvuldig moet nagaan of het daar verkochte vlees niet aan de afgoden geofferd is geweest. Ds. F. Pop merkt op:, Joden mochten in een vleeshal inkopen doen, mits het dier door een Jood geslacht was, niet met een heidense cultus in aanraking was gekomen en in de hal zich geen voor Joden verboden vlees bevond (Strack-Billerbeck III, p. 420). Zij moesten derhalve terdege navraag doen voor zij tot de koop konden overgaan".
Je zou verwachten: dat moeten de christenen natuurlijk ook doen, want als er iets besmet is met okkulte krachten, dan toch zeker het aan de afgoden geofferde vlees.
Maar wat is het verrassende antwoord van Paulus?
„Alle dingen zijn mij geoorloofd"
Dat stelt Paulus met nadruk voorop. En hij motiveert dat aldus: „Want de aarde is des Heeren". En in Rom. 14, waar hij over hetzelfde probleem handelt, zegt hij: „Wij zijn des Heeren" (vs. 8). Alles op aarde behoort daarom toe aan de kinderen Gods.
Hij laat dit beginsel slechts in de praktijk inperken door de liefde tot de ander. Wanneer wij door gebruik te maken van onze vrijheid die wij in Christus hebben, anderen aanstoot zouden geven, dan zegt Paulus: „Een ieder zoeke wat van de ander is".
Voor ieder persoonlijk geldt: „Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil". („Alles wat in de vleeshal wordt verkocht, moogt gij etens, zonder uit gewetensbezwaar navraag te doen". RKVert.).
Gemeenschap met demonen?
Maar is Paulus dan niet met zichzelf in strijd? Immers in vs. 18-22 heeft hij zich duidelijk uitgesproken tegen het deelnemen aan een offermaaltijd in een heidense tempel.
Toch niet; want daar gaat het over een bewust deel nemen aan zulk een offermaaltijd. En Paulus zegt dan ook niet:, Je MAG dat niet doen", maar: , Je KUNT dat niet doen". „Gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren en aan de tafel der duivelen" (vs. 21).
En dat is vanuit de gedachtengang van Paulus ook volkomen konsekwent. Wanneer je iemand zou moeten verbieden geen deel te nemen aan dergelijke offermaaltijden, dan is dat het duidelijkste bewijs dat hij geen echte gemeenschap met Christus heeft. Want als gelovige weet je dat je in Christus alles hebt en dat het dus dwaas is om nog op iets anders buiten Christus te steunen b.v. op de demonen, de afgoden.
Maar iemand die niet bewust de gemeenschap met de demonen zoekt, moet zich niet bang laten maken voor de macht van die demonen, en dus ook niet voor hun okkulte krachten.
Reizigers(sters) met verbodsbordjes
Dat is immers de inhoud van zijn loflied op het geloof. „Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heerë" (Rom. 8 : 37 - 39).
Paulus zou het dus beslist niet eens zijn met die sprekers (of spreeksters) die het land doortrekken met in hun koffers allerlei verbods- en waarschuwingspaaltjes die ze overal neerplanten: „Verboden toegang! Pas op! Okkult mijnenveld!" Paulus schrijft: „Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?" (Kol. 2 : 20). (, Als gij door uw sterven met Christus bevrijd zijt van de machten van de kosmos, waarom laat gij u dan verordeningen opleggen, als zoudt gij nog'in die wereld leven? Raak niet aan, proef niet, blijf eraf!" RKVert.).
„Staat dan in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt en wordt niet weer met het juk der dienstbaarheid bevangen" (Gal. 5 : 1 . „Laat u niet opnieuw het slavenjuk opleggen" RKVert.).
Een konkreet voorbeeld. Ds. Shadrach Maloka heeft aangetoond dat het lied „Kumba Ja, My Lord" uit de Satanskerk stamt en een aanroeping is van de duivel. Als je dat lied tot nog toe misschien vaak gezongen hebt zonder te weten wat de betekenis ervan was, word dan nu niet beangst en zit er niet over in of je nu misschien met okkulte krachten besmet bent. Wie Christus toebehoren door de gelovige overgave aan Hem, mogen zeker weten dat ze bij Hem volkomen veilig zijn. Door het geloof alleen! En niet door het geloof plus een bezweringsrite, waardoor je pas echt van de boze machten bevrijd wordt.
„U bent okkult gebonden, dus…"
Ik heb een keer een juffrouw op bezoek gehad, die beweerde: „U kunt nog niet zuiver over alles oordelen, want u bent nog okkult gebonden, omdat u zolang in het rooms-katholicisme hebt geleefd en later ook nog veel kontakt hebt gehad met pinstermensen".
Gelukkig ben ik er te nuchter voor dan dat ik mij door dergelijke kletspraat van de wijs zou laten brengen. Maar hoeveel andere gelovigen zullen niet in de war worden gebracht, wanneer ze iemand met veel stelligheid zo iets horen beweren. Ik kan me niet meer herinneren welk middel ze aanprees om van die okkulte gebondenheid bevrijd te worden. Moest dat misschien door een soort duivelsbezwering zoals men die in de R.-K. Kerk kent? Elke priester krijgt vóór zijn priesterwijding ook de wijding tot exorcist (= duivelbezweerder).
Helaas heb ik die leer nu juist ook bij sommige pinkstermensen aangetroffen. Als ik bv. vanuit de Bijbel probeerde aan de tonen dat de Doop bedoeld is als uitdrukking en bevestiging van het genadeverbond dat God heeft gesloten in het bloed van Christus, dan kreeg ik van zulke mensen, wanneer ze geen weerwoord hadden op mijn bijbelse argumenten, te horen: „Och, het heeft geen zin verder met u te praten, want u bent nog bezeten door een leer-duivel en die moet er eerst bij u worden uitgedreven".
Christus is een VOLKOMEN Zaligmaker
Laten we toch Christus verkondigen, Christus alleen. In hem hebben we alles. Hij is onze rechtvaardigmaking én onze heiliging. Hij is niet een halve, maar een volkomen Zaligmaker.
„Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing" (1 Kor. 1 : 30).
Hij is het die ons geheel en al bevrijdt. Wanneer we in Hem zijn, dan hebben de machten der duisternis geen vat op ons, althans niet blijvend. Wanneer wij in volle vertrouwen de Naam van Jezus over ons afroepen, slaan de demonen op de vlucht.
CHRISTUS EN CULTUUR, prof. dr. K. Schilder, geannoteerd door prof. dr. J. Douma, 144 blz. ƒ 24,50.
Hoezeer ik er ook mijn best voor heb gedaan, het spijt mij te moeten zeggen dat dit boek mij beslist niet aanspreekt. Het staat voor mijn besef erg ver weg van de eenvoud van de prediking van Christus. Ik weet niet wat ik als arme zondaar, die van genade moet leven, moet beginnen met allerlei uitspraken in dit boek. Ik noem er enkele:
„Jezus" heeft geen aanwijzingen voor de kunsthistorie gegeven, hoewel Hij het ontbreken van beeldende kunst in hetJodendom als een leemte moet hebben gevoeld. Ook gaf hij geen polemiek of apologetiek ter zake van de cultuurtheorie, hoewel de verhellenisering van het joodse leven Hem is opgevallen (p. 10).
Hoe weet Schilder dat allemaal? Door redenering? Dat zal wel, want S. is niet iemand die op bijzondere, aan hem gegeven, openbaringen zou steunen. Maar kunnen wij door middel van redeneringen doordringen in het innerlijke leven van Jezus en aldus te weten komen wat Hij als een leemte moet hebben gevoeld en wat Hem al of niet is opgevallen?
De zin van de cultuurgeschiedenis is Christus, in zijn dubbele betekenis als Heiland-Verlosser en Heiland-Wreker. In Christus wordt het leven, ook het cultuurleven, gesaneerd. Zo kwam Paulus als één stuk cultuur-gezondheid het cultuurdronken Rome binnen (p. 19).
De cultuurbouw van de kerkmensen is inhoud van de belofte (p. 22). Onthouding van cultuurwerk is altijd zonde (p. 25). Christus luistert niet alleen naar onze stemmingsgebeden, maar ziet toe op ons handelen om eschatologisch uit de wereld te halen wat er in zit (p. 29). Als kerkvorst is Christus koning over de wereld. Neemt men de kerk weg, dan wijkt het wezenlijk humane (p. 27).
Ik mis in heel het boek een besef van de diepte van onze schuld en verbrokenheid en onmacht. Maar misschien vinden anderen dit allemaal wél in dit boek. Bij mij komt alles over als een triomfalistisch cultuur-optimisme. Maar dat wil niet zeggen dat Schilder dat ook zo bedoeld heeft. Ik merk zelf vaak genoeg dat wat ik schrijf, bij sommigen anders overkomt dan ik bedoelde. Daarom ben ik erg voorzichtig geworden in mijn oordeel over de wezenlijke bedoelingen van een mede-gelovige, dus ook van Schilder.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 november 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
