In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DIEPTE - THEOLOGIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DIEPTE - THEOLOGIE

17 minuten leestijd

Hoe komt het toch dat de bevindelijke (onderwerpelijke) en de voorwerpelijke richting in het Nederlandse protestantisme elkaar zo moeilijk kunnen vinden?

De bevindelijke richting

Voor onze r.-k. lezers: Onder de bevindelijke richting verstaan wij hen, die er de nadruk op leggen dat het geloof, waardoor wij zalig worden, persoonlijk beleefd moet worden. Het moet een zaak van het subjekt, de persoon (het onderwerp), zijn. Wij moeten ook in onszelf bevinden dat de dingen die in de Schrift beschreven staan, ook aldus zijn. We moeten de waarheid van al die heerlijke beloften ook in ons ervaren. Voor hen is een belangrijke tekst: „Gij gelooft dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen" (Jak. 2 : 19). Terecht trekken zij daaruit de konklusie dat niet ieder geloof zalig maakt, maar slechts een levend geloof. Dat betoogt Jakobus overigens in dat hele gedeelte (vs. 14-26).

De voorwerpelijke richting

De voorwerpelijke richting legt er echter de nadruk op dat het geloof op een voorwerp, dus op iets buiten de mens, is gericht, nl. op Gods genadige belofte in Jezus Christus. Hun kerntekst is: „Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben" 0oh. 20 : 29). Het hangt dus niet af van onze ervaring, onze bevinding, ons „zien", zo beweren zij terecht.

Ja maar… en tóch!

Akkoord, zo zegt dan weer de bevindelijke richting; wij worden niet zalig, ómdat ons geloof levend is, maar enkel omdat Christus voor onze zonden gestorven is; we worden gerechtvaardigd enkel door de gerechtigheid van Christus, die ons langs de weg van het geloof, van buiten af, wordt toegerekend.

Maar … al is dan dat levende karakter van ons geloof niet de grond van onze zaligmaking - die grond is en blijft Christus alleen - dat neemt niet weg dat de Bijbel duidelijk zegt dat een mens zonder een levend geloof niet zalig wordt. We worden dus niet zalig door (vanwege) ons levende geloof, maar we worden ook niet zalig zonder een levend geloof. Wanneer je dus in jezelf niets bemerkt van je geloof, dan ga je voor altijd verloren. Het minste dat we van ons geloof, wil het zaligmakend zijn, in onszelf motten ervaren, is dat het een stimulans in ons is tot goede werken, tot een leven van dienende liefde: „Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood" (Jak. 2 : 26).


Hiernaast een moderne uitbeelding van het offer van Abraham in de buurt van Tel Aviv. Dat offer is slechts te verstaan vanuit de diepte-theologie. Elke gewone theologie die dit prachtige verhaal met logische begrippen en stellingen aannemelijk probeert te maken, breekt er de tanden op stuk. De waarheid, de ondergrond en achtergrond van deze opdracht van God aan Abraham kun je slechts „schouwen" vanuit een innerlijke visie op Gods rechtvaardigheid en barmhartige liefde, zoals die zich in haar hoogste vorm geuit heeft op Golgotha


Ja maar, zo komt dan de waarschuwende vinger van de voorwerpelijke richting naar voren, loopt u niet het gevaar dat u aldus veel te veel bezig bent met uzelf? Vervalt u dan niet onvermijdelijk tot een leer over de kenmerken van het waarachtige, zaligmakende geloof? En geeft u dan niet vrij baan aan allerlei „keurmeesters", die menen te kunnen uitmaken wie wél en wie niet het echte geloof heeft, keurmeesters die niet meer de Schrift, maar hun eigen bevindingen tot norm stellen?

Ja, antwoordt dan de gezonde bevindelijke richting, dat gevaar zien wij ook wel, maar dreigt bij u niet een nog veel groter gevaar nl. dat men bij u zich zonder waarachtige bekering de naam van „christen" en van „kind Gods" aanmatigt en met een volkomen werelds hart door het leven gaat en tenslotte met een ingebeelde hemel op grond van uw prediking toch nog naar de hel gaat?

Overbrugging?

Is er geen mogelijkheid om die „ja maar" 's en die „en toch" 's wat dichter bij elkaar te brengen? Ik dacht van wél, nadat ik een artikel gelezen had van de Joodse schrijver Abrama Joshua Heschel in zijn boek „The insecurity of freedom" (Uitg. Schockem Books, 200 Madison Avenue, New York City 10016). En ik meen dat onze r.-k. lezers ook veel kunnen hebben aan de gedachten die Heschel daarin ontvouwt, omdat ze dan wellicht wat beter kunnen begrijpen, waarom wij zoveel bezwaar hebben tegen de leer van het eerste Vatikaanse Concilie dat het geloof zou bestaan in „het aannemen van de waarheden die God heeft geopenbaard".

Het ware heiligdom heeft geen muren

Het artikel van Heschel is getiteld: „Depth theology". Hij begint met deze vraag: „Wie kunstprodukten zoekt, kan die b.v. vinden in de musea. Wie literatuur zoekt, kan die vinden in de boeken b.v. in de bibliotheken. Maar waar is de plaats waar men godsdienst kan vinden? Bevatten de uiterlijke symbolen zoals die bewaard worden in tempels en kerkgebouwen of de leerstukken en dogma's die in boeken zijn neergeschreven, de totaliteit van de godsdienst?"

Zijn antwoord luidt dat we nooit de godsdienst kunnen beschouwen als iets dat je kunt isoleren, als iets dat een bestaan in zichzelf heeft, een „Ding an sich". Het is bijzonder treffend om van deze Jood te horen: „Het ware heiligdom heeft geen muren".

Godsdienst, zo zegt hij verder, heeft altijd de neiging om een doel op zichzelf te worden. De officiële godsdienst is vaak méér bezig geweest met het vastleggen, het heilig verklaren van vooroordelen dan met het worstelen om de waarheid, met het verstenen van het heilige meer dan met het heiligen van het profane (to petrify the sacred than to sanctify the secular).

„Godsdienst is teruggebracht tot instituut, symbool, theologie. De godsdienst heeft dan geen kontakt met de vóór-theologische situatie, de vóór-symbolische diepte van het bestaan".

Wij moeten op zoek gaan naar de existentiële vragen, waarop de godsdienst een antwoord tracht te geven. Daarvoor is nodig dat we van de ene kant proberen te beluisteren wat er in de diepte van de menselijke ziel plaatsgrijpt, maar van de andere kant moeten we ook luisteren naar wat de godsdienst als antwoord daarop meent te kunnen geven. „De godsdienstige waarheid schijnt niet in een luchtledig".

Godsdienst zonder hart

Heschel erkend de objektieve waarde van de dogma's, de liturgie, het sakrament, de kerkorde, de traditie. „Maar er is iets anders dat van dat alles het vitale ingrediënt is, datgene wat het leven geeft aan al die objektieve waarden van de godsdienst. Dat is het hart van de godsdienst en juist dat is vaak onbeschrijfelijk. Maar ontbreekt dat, dan hebben we alleen maar met een uiterlijke godsdienst te maken".

„Sommigen beschouwen die objektieve gegevens van de godsdienst als zó onaantastbaar en zó heilig dat ze nauwelijks enige waarde hechten aan dat innerlijke element van de ware godsdienstigheid. Dan wordt het Woord wel verkondigd en de daad waartoe dat Woord oproept, wordt volbracht, maar de ziel is dan stil, de dimensie van de diepte wordt dan gemist".

Gewone theologie en diepte-theologie

Heschel beschrijft daarna het onderscheid tussen de gewone theologie, die zich bezighoudt met de objektieve waarden van de godsdienst (hij noemt die „theology" zonder meer), én de diepte-theologie.

En hij verwijst dan naar de psalmen. „De psalmen zijn geen theologische verhandelingen. Ze zijn de geboorteweeën van de theologie. De woorden van de psalmen raken de diepten van de verhouding tussen de mens en God van waaruit elke waarachtige theologie ontstaat".

De (gewone) theologie is vaak belast geweest met een zucht om toch vooral de inhoud van het geloof, het dogma, te grijpen en te omlijnen. Maar de daad van het geloven en vragen als: „Wat is het dat in de mens het geloof teweegbrengt? Wat is eigenlijk geloven?" - dat alles behoort tot het onderzoekingsterrein van een speciaal soort theologie, die we zouden kunnen noemen: diepte-theologie".

De diepte-theologie probeert de diepten van het geloof na te gaan, datgene op te sporen wat aan het geloof voorafgaat. Dat is een levend iets en kan dus niet gevangen worden in begrippen en stellingen. Je kunt zodoende allerlei onderwerpen van twee kanten beschouwen: vanuit de gewone theologie en vanuit de diepte-theologie.

„Zo b.v. de vraag of Mozes de schrijver is geweest van de Pentateuch (de eerste vijf boeken van de Bijbel). Het antwoord op die vraag hangt af van twee uitgangspunten: 1. Mozes was een profeet, d.w.z. geïnspireerd door God, ontvanger van goddelijke openbaring; 2. Mozes schreef de Pentateuch. Het eerste uitgangspunt is een geheimenis, iets dat wij ons niet kunnen voorstellen en zeker niet in begrippen en stellingen kunnen vastleggen. Het tweede uitgangspunt is echter wel voor ons toegankelijk, want dat is een daad die nagegaan kan worden en beschreven kan worden in de termen van plaats en tijd".

„Nog een ander voorbeeld. Toen het volk Israël door de Rode Zee trok, gebeurden er twee dingen: 1. Het water werd in tweeën gespleten; 2. Alle afstand tussen God en mens werd opgeheven. Er was toen geen omsluiering meer, geen vaagheid. „Dit is onze God!", zo riepen de Israëlieten. Heel wat wonderen die in ruimte en tijd plaatsgrijpen, dringen niet door tot het hart, maar het wonder van de Rode Zee werd tot een lied, het lied aan de Schelfzee."

Woorden, doordrenkt van leven

„De (gewone) theologie verklaart; de diepte-theologie roept op; de theologie vraagt geloof en gehoorzaamheid; de diepte-theologie hoopt op beantwoording en op het grijpen van haar innerlijke waarde. De theologie houdt zich bezig met feiten, die blijvende betekenis hebben; bij de diepte-theologie gaat het over momenten. Dogma's en liturgieën zijn een permanent bezit van de godsdienst; de momenten van de diepte-theologie komen en gaan. De theologie werkt met abstrakties en zoekt het algemene te grijpen. Zij beweegt zich daarom buiten de stroom van de levende werkelijkheid. Zij beschermt en conserveert de wet en de wetmatigheid; ze waakt over de blijvende geldigheid van de tradities. Maar wanneer zij daarbij blijft staan en geen oog heeft voor de spontaniteit van de afzonderlijke mens en zich niet bekommert om de vraag of en in hoeverre datgene wat de theologie meent te hebben gevonden, ook weerklank heeft in het innerlijk van de mens, of en in hoeverre hij zich daarmee kan vereenzelvigen, dan glipt het eigenlijke van die overleveringen tussen de vingers van zulk een theoloog weg".

„Wat is het diepste van de heilige woorden, die door de traditie bewaard worden? Die heilige woorden zijn niet gemaakt van papier, maar van leven. Het is onze roeping, niet om in klanken te reproduceren wat op het papier geschreven staat, maar om het leven dat achter die woorden staat, te doen oplichten, zodat wij de harteklop erin kunnen beluisteren."

Ik ben het daarin geheel met Heschel eens. In mijn laatste boek schreef ik: „Wat moet de gemeente overdragen? Zijn dat de geschreven belijdenissen? Nee, daarvoor is de gemeente niet nodig. De tekst van de geschreven belijdenissen kun je kopen in de boekhandel. Maar de geest, de eigenlijke bedoeling, het leven van die belijdenisgeschriften, kan men niet kopen. Die kun je ook moeilijk vinden in boeken, die over die belijdenisgeschriften handelen. Die geest moet levend worden overgedragen. Dat is de goede, de bijbelse traditie … Slechts de Heilige Geest kan ons hart openen voor die visies. Maar de Heilige Geest doet dat gewoonlijk door middel van de gemeente, waarin Hij woont als in een tempel, en door de afzonderlijke gelovigen in wier lichamen Hij woont (1 Kor. 6 : 19)" (p. 46-47).

Pas op voor eigengerechtigheid

Het is ook bijzonder boeiend om deze gelovige zoon van het oude Verbondsvolk te horen zeggen:

„De diepte-theologie waarschuwt ons voor eigengerechtigheid, voor zelfvoldaanheid en zeker-zijn van onszelf. Zij legt er de nadruk op dat wij in onze leerstellingen en dogma's de diepten Gods nooit volledig kunnen weergeven. Wie kan immers God Zelf vinden in de spiegel van zijn eigen begrippen?"

Er is een verhaal over een Chassid (Joodse vrome), die luisterde naar een deskundige in de middeleeuwse Joodse scholastiek, die een uiteenzetting hield over de eigenschappen, die men met scherpe logische bewijzen aan God zou moeten toeschrijven. Na afloop gaf deze vrome Jood deze scherpe reaktie: Wanneer God zou zijn zoals u Hem beschreven hebt, dan zou ik niet in Hem geloven…".

Kristallisering, geen verstening

„De theologie loopt altijd het gevaar zichzelf al te ernstig te nemen, daar zij er immers naar streeft om definitieve formuleringen te geven voor de inhoud van het geloof. Daarom denkt zij gemakkelijk dat ze een adekwate uitdrukking heeft gevonden voor dingen die nooit geheel in woorden zijn te vatten".

Heschel stelt dan de vraag, waarom dogma's en belijdenissen dan toch nodig zijn. Hij antwoordt:

„Wij kunnen niet blijvend in gemeenschap staan met het goddelijke. Slechts in zeldzame, vluchtige ogenblikken raken wij de Heilige. En hoe kunnen die momenten dan bewaard worden voor de lange uren van het dagelijkse leven? Hoe kan een intuïtie toch nog enigszins doortrillen in de begrippen, waarin we die intuïtie, dat innerlijke zicht, trachten weer te geven? Hoe kunnen we het onuitsprekelijke toch vangen in woorden? Hoe kunnen we zulk een dieppersoonlijke ervaring toch overdragen op elkaar? Dat is de taak van de theologie en van de belijdenissen. Zij moeten de leerstukken in woorden afbakenen, er innerlijke samenhang van laten zien. Ze moeten zoeken naar woorden, die toch nog enigszins doordrenkt zijn van de intuïtie, de ervaring, de bevinding, het innerlijke inzicht".

„Maar wij maken zo gemakkelijk een god van onze dogma's, een gesneden beeld dat we aanbidden, waar we onze gebeden naar opzenden".

„De diepte-theologie loopt gevaar een catacombe te worden voor het subjektivisme. Willen de bevindingen van de diepte-theologie toegankelijk worden van de ene mens naar de andere en van de ene generatie naar de andere, dan moeten ze gekristalliseerd worden en de gestalte van een dogma, een beginsel of een belijdenis aannemen. Maar kristallisering wordt gemakkelijk tot verstening. Of een godsdienst levend blijft, hangt ervan af of ze de spanning kan bewaren tussen het diepere inzicht én de leer, waarin dat inzicht gegoten wordt, tussen vaste liturgie én spontane beleving, tussen het instituut én de afzonderlijke gelovige".

Golvend over de eeuwen

„Ps. 23, de psalm van de Herder, levert zo goed als geen bijdrage tot het gebruikelijke begrippenarsenaal van de gewone theologie, maar is een van de belangrijkste uitdrukkingen van de diepte-theologie. De werkelijk grote gebeurtenissen worden niet gerapporteerd in de geschiedenisboeken. De datum van de slag bij Waterloo is exact terug te vinden in elk geschiedenisboek. Maar het moment, waarop deze regel werd geboren: „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken", is nooit vastgelegd. En toch heeft dat moment nooit opgehouden". Inderdaad, ps. 2 3 blijft zijn golven van vertroosting en vertedering nog altijd over de eeuwen heenzenden. En ieder die ontroerd wordt bij het lezen daarvan, staat dan in verbinding met dat éne moment, zoveel eeuwen geleden, toen voor het eerst deze woorden over de lippen van de psalmist kwamen.

Staande voor het Geheimenis

„Godsdienst begint met een aanvoelen van het onuitsprekelijke, van het geheimenis. Met geheimenis bedoel ik niet iets dat je nog niet weet, maar iets dat nooit gekend zal worden. We komen tegenover dat geheimenis te staan, terwijl we toch het wezen ervan niet grijpen kunnen. We zijn dan als doven, die de tonen zien, maar niet kunnen horen. Die hulpeloosheid breekt onze trots".

„Het gevoel voor het geheimenis geeft de grootheid aan de menselijke geest en vruchtbaarheid aan zijn ziel. Wij tasten het karakter van de mens aan, wij beledigen zijn ziel, wanneer wij beweren dat er in feite geen diepten zijn en dus ook geen afgronden in zijn gedachten".

„Er is maar één wettige uitdrukking van de religie en dat is het gebed". „Het doel van de diepte-theologie is niet om een leer op te bouwen, maar om de wortels van ons bestaan bloot te leggen".

De eenheid in de levende God

Ik hoop hiermee voldoende uit het artikel van Heschel te hebben vertaald, zodat u enigszins kunt aanvoelen wat hij bedoelt. Want meer dan een aanvoelen kan het niet worden, omdat de diepte-theologie zich juist bezighoudt met het in wezen niet-verwoordbare.

Waarom kunnen deze gedachten van Heschel m.i. dienen om de tegenstelling tussen de voorwerpelijke en de onderwerpelijke (bevindelijke) theologie te overbruggen? Omdat Heschel die tegenstelling tot een eenheid brengt, niet door die eenheid te zoeken in de theologie-bedrijvende mens, maar door die eenheid te zoeken in het voorwerp van de beide theologieën, de levende God, de God van Abraham, Izaäk en Jakob.

Elk waarachtig geloof bereikt de levende God. Maar deze levende God is onuitsprekelijk. De mens die Hem door het geloof heeft gezien, kan alleen maar uitroepen: „Wee mij, want ik verga, daar ik een man van onreine lippen ben en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de Heere der heerscharen gezien" (Jes. 6 : 5). Deze ontzettende spanning kan alleen maar tot de rust van het ziele-evenwicht komen, wanneer deze mens die tegenover Gods heiligheid ontdekt is aan zijn zondaar-zijn, van diezelfde God te horen krijgt: „Uw zonde is verzoend" (v. 7).

Wat doet nu de (gewone) theologie? Die probeert die heiligheid van God, ons zondaar-zijn en de verzoening met de barmhartige God door middel van begrippen en stellingen toegankelijk te maken. De bedoeling daarvan is: 1. dat we daarop kunnen rusten, ook wanneer deze diepe ervaring geweken is, maar niet als definitief rustpunt, doch tegelijk als hulpmiddel om daardoor steeds weer opnieuw te komen tot deze existentiële ontmoeting met de levende God. 2. Deze theologie is daarom in staat de verschillende gelovigen met hun eigen-gekleurde Godsontmoeting tot onderlinge kommunikatie te brengen; immers die Godsontmoeting is in zichzelf uiterst persoonlijk; ze wordt pas enigszins toegankelijk via de algemene begrippen, al is het gevolg daarvan wel dat het persoonlijke eruit weg-verbleekt. 3. Daardoor kan deze theologie de gemeente van Christus helpen bij het onder woorden brengen van haar belijdenis: theologia ancilla ecclesiae = de theologie dienstmaagd van de gemeente.

Maar deze (gewone) theologie kan de diepte-theologie beslist niet missen. Die diepte-theologie moet de gewone theologie er altijd weer aan herinneren dat haar bron de Onuitsprekelijke is en haar uitgangspunt het Geheimenis Gods. Vergeet zij dat, dan wordt zij zelfvoldaan, dor en in wezen humanistisch.

Een mens komt niet tot zondebesef uitsluitend door de begrippen, die de gewone theologie hem aanreikt over de heiligheid Gods, want die begrippen zijn een menselijk maaksel. De levende God kan niet gegoten worden in beelden, ook niet in denk-beelden. De levende God openbaart Zich door Zijn levende Geest, die daarbij het Woord gebruikt als voertuig van dat leven dat ons diepste innerlijk aanraakt en ons op de knieën brengt.

Behoefte aan diepte-theologie

In IRS heb ik de laatste jaren voornamelijk geprobeerd ruimte te geven aan deze diepte-theologie. Er zijn in ons land reeds heel wat prachtige boeken verschenen over de gewone theologie. De lezers van IRS zullen er echt geen behoefte aan hebben om ook in IRS nog eens zulke theologie voorgeschoteld te krijgen. Ze kunnen die ruimschoots, en vaak veel deskundiger, lezen in hun eigen kerkelijke bladen. Maar in ons land is er wel behoefte aan meer diepte-theologie. Wel begeef je je dan op gevaarlijk terrein; ik bedoel dat je dan gemakkelijk verkeerd wordt verstaan. Zo reageerde iemand op het artikel op p. 2 van IRS juni met de opmerking dat dit je reinste transcendente meditatie zou zijn. Ik heb hem gevraagd: Hoe kunt u dit toch beweren, terwijl ik in datzelfde artikel heb geschreven: God wil een Vader voor je zijn ; maar alleen wanneer je tot Hem naderen wilt in Zijn Zoon"?

In dat artikel had ik geprobeerd enigszins onder woorden te brengen wat het betekent dat je als aller-eenzaamst mensje je oog mag richten op de Onuitsprekelijke, op het Geheimenis, op de levende God. Als je dat probeert, dan kun je geen gebruik maken van de termen van de gewone theologie, omdat die krachtens haar aard met algemeen geldende begrippen werkt, terwijl het bij de diepte-theologie juist gaat over het allerpersoonlijkste.

Maar wanneer de diepte-theoloog zich steeds laat leiden door het Woord Gods, en door de belijdenis van de kerk der eeuwen, hoeft hij niet bang te zijn. Dan vaart hij op een veilig kompas.

NB. Ook mijn boekje „Wat is geloven?" is een poging om op eenvoudige, voor iedereen verstaanbare, wijze de „onuitsprekelijke en heerlijke vreugde", waarmee de gelovige zich verheugt in Christus (1 Petr. 1 : 8), onder woorden te brengen. Het is dus tevens een poging tot populaire diepte-theologie.

(Het kan nog enkele weken duren, voordat het boekje kant en klaar van de pers komt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DIEPTE - THEOLOGIE

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 september 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's