In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Hem binnenlaten als je ZALIGMAKER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hem binnenlaten als je ZALIGMAKER

16 minuten leestijd

Wat we tot nog toe over geloven hebben gezien, lijkt heel eenvoudig. Dat is het ook tot op zekere hoogte. Je hoeft geen studiekop te zijn om het te kunnen begrijpen. Dat heeft Jezus ook Zelf gezegd: „Ik dank U, Vader… dat Gij deze dingen aan de kinderkens hebt geopenbaard". Inderdaad, wat we tot nog toe over geloven hebben gezegd, kan zelfs een kind volgen.

En toch heeft Jezus ook gezegd „Ik dank U, Vader… dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt" (Mat. 11 : 25). Hoe komt dat?

Dat komt omdat geloven betekent Hem bij je binnenlaten als je Zaligmaker. Daar zit de moeilijkheid

Als u Jezus als uw Zaligmaker toelaat, dan belijdt u enkele zeer vernederende dingen omtrent uzelf nl.:

1. Dan erkent u dat u een dóór en dóór zondig mens bent, zó erg dat u zelfs niet zo maar gevangenisstraf, maar de dood en zelfs de eeuwige dood hebt verdiend

2. Dan erkent u tegelijk uw onvermogen om zélf die schuld te voldoen. U doorziet dan uw zondige aard en weet en belijdt dat alles wat uit u voortkomt, met zonde bevlekt is en dat u dus nooit meer door een goed leven in orde kunt maken wat u verkeerd deed tot nog toe. Integendeel, u voorziet dan dat u die schuld die u bij God hebt, alleen nog maar groter zult maken.

3. Dan erkent u dat slechts Iemand anders, nl. de mens-geworden Zoon van God, uw schuld voor God vereffenen kan en dat Hij dat ook voor u heeft willen doen. U belijdt dan dus uw volstrekte afhankelijkheid van die Andere.

En als u dat allemaal oprecht meent, dan blijft er niets meer van u over dan één hoopje ellende. Dan kunt u alleen maar als een tollenaar achter in de tempel nederig het hoofd buigen, u op de borst kloppen en het voor God uitschreien: „O God wees mij, zondaar, genadig" (Lk. 18 : 13).

En daar komt ons zondige hart tegen in opstand We vinden die prijs te hoog. We willen wel graag uit onze ellende verlost worden, maar het moet niet ons hele „ik" kosten.

Een voet tussen de deur

Hoe moeilijk het is om dit totale bankroet van jezelf te erkennen, blijkt ook wel uit de geraffineerde manier, waarop sommige christenen toch nog iets van zichzelf overeind proberen te houden. Ze zijn daarbij een slachtoffer van de duivel met zijn vele listen. Die probeert althans een voet tussen de deur te zetten. Hij fluistert zulke vrome mensen toe: „Het is dwaasheid dat je zo maar bij God zou kunnen komen, zonder enige grondige voorbereiding van jouw kant. Nee, goede werken kun je Hem inderdaad niet aanbieden, maar wel…".

En zo leven die christenen dat Jezus slechts dan als Zaligmaker bij je wil binnenkomen, wanneer er heel diepe gevoelens van verslagenheid en schuldgevoel in je aanwezig zijn.

MAAR… nergens in de Bijbel lezen we dat Jezus een bepaalde diepte van zondebesef eist als voorwaarde om als Zaligmaker bij een mens te willen binnenkomen. Het is voldoende dat wij het met ons hart eerlijk menen, wanneer wij belijden: „O God, wees mij, zondaar, genadig".

Daar kunnen allerlei gevoelens bij te pas komen. En bij de één zullen die gevoelens dieper zijn dan bij de ander. Dat kan voortkomen uit het feit dat de genadige inwerking van God bij de één veel radikaler is dan bij de ander „…zoals God een ieder de mate des geloofs gedeeld heeft" (Rom. 12:3). Het kan ook samenhangen met iemands karakter of aanleg.

Die gevoelsberoeringen vormen echter niet het wezen van het oprechte zondebesef. Geloof is niet een zaak van emotie, van gevoelsberoeringen. Geloof is een zaak van ons hart, van ons diepste zelf, van ons„ik".

Dergelijke christenen blijven echter volhouden dat er eerst heel wat aan je gebeurd moet zijn, voordat er sprake kan zijn van een oprecht zondebesef. Volgens hen moet je enkele keren aan de rand van de wanhoop hebben gestaan. Je moet over de grond gekropen hebben van afschuw over jezelf. Pas dan zal Gods welbehagen op je kunnen rusten.

MAAR.. het welbehagen van God rust nooit op ons op grond van iets in ons, ook niet op grond van ons berouw, onze wanhoop, ons gevoel van ellende of van wat dan ook. God kan alleen maar welbehagen in ons hebben vanwege Zijn Zoon, op grond van wat Hij heeft gedaan en geleden; nooit op grond van wat wij gedaan, geleden of ondervonden hebben.

Daarom beweren deze christenen ook dat men niet of nauwelijks tot echte heilszekerheid kan komen. Wanneer iemand al heel jong getuigt van zijn zekerheid dat God hem in Christus genadig is, dan wordt dat in dergelijke kringen slechts met wantrouwen beluisterd.

MAAR… Jezus heeft toch gezegd „Ik dank U, Vader… dat Gij dit aan kinderkens hebt geopenbaard".

In mij woont geen goed

Nee, dat is juist het meest vernederende voor ons dat God zo barmhartig is dat Hij ons wil aanvaarden zoals we zijn. Hij verlangt geen opgepoetste zondaars. Hij doorziet ons immers tot op de bodem Hij doorschouwt onze geheimste bedoelingen. Hij weet dat wij nooit los kunnen komen van onszelf en dat we, zelfs in onze vroomheid en in ons zondebesef, altijd weer onszelf willen zoeken. We willen zo graag iets bijzonders zijn. We willen uitblinken door het meest donkere zondebesef, door allerlei belevenissen van onszelf: „Wij hebben dit en dat allemaal doorgemaakt!".

Begrijpt men dan niet dat God moet walgen van zulke vroomheid' Paulus heeft het toch duidelijk gezegd: „Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont" (Rom 7 : 18). Wij kunnen God nooit iets aanbieden dat Hem ook maar op een of andere manier aangenaam kan zijn. Het is arrogantie, aanmatiging van onze kant, wanneer wij denken dat ons zondebesef zo zuiver en zo diep kan zijn dat dit voor God een reden is om ons in genade aan te nemen.

We zijn slachtoffers van het noodlot, dus…?

In de R.-K. Kerk werd deze leer van het lijdelijk afwachten vooral verdedigd door de Spaanse dominikaan, D. Banez (1528-1604). Volgens hem beslist God eerst wie Hij tot de eeuwige heerlijkheid bestemt en schenkt daarna aan zulk een gepredestineerde de middelen, waardoor deze die heerlijkheid kan bereiken nl. het geloof en de goede werken. Ook aan het seminarie in Wittem, waar ik theologie studeerde, was men deze opvatting toegedaan. Destijds kon het soms als een ontzetting over mij komen: God heeft tóch al beslist of ik bestemd ben voor de hemel of voor de hel.

Tegenover deze leer van Banez stond die van de Jezuïet, L. de Molina (15 35-1600). Volgens hem kijkt God eerst in de toekomst wat een mens met zijn vrije wil zal doen en beslist pas daarna of hij een mens op grond van zijn goede werken bestemt voor de hemel of vanwege zijn slechte daden voor de hel.

Tegenwoordig is deze theologische diskussie in de R.-K. Kerk verstomd, maar het banezianisme leeft voort onder een heel praktische vorm bij hen die nergens meer over willen nadenken. Ze vluchten voor de eigen verantwoordelijkheid. Ze laten zich meesleuren met de stroom van hun eigen driften. Ze laten zich beheersen door een noodlotsgedachte: alles is toch al beslist; wij kunnen er toch niets meer tegen doen; laten we daarom genieten zoveel als maar kan; „pluk de dag, want morgen zijn we allemaal dood".

De leer van Molina heeft ook zijn praktische vorm in onze tijd bij hen die zich storten in allerlei aktiviteiten, die menen zelf het Koninkrijk Gods op aarde te kunnen vestigen. Zij verwachten alles van hun wil en ze kennen geen besef meer van afhankelijkheid; ze zijn elk Godsvertrouwen kwijt.

Verzet

Wanneer een mens goed begrepen heeft dat hij alleen maar kan gered worden van de eeuwige straf die hij verdiend heeft, door Jezus als Zaligmaker bij zich binnen te laten, dan kan er in hem een hevig verzet tegen deze prediking ontstaan. Hij voelt dan aan dat het niet zo maar een leuke vergelijking is van Paulus, wanneer hij zegt dat wij moeten sterven aan ons zondige „ik". Hij beseft dan dat dit een bloedige werkelijkheid is en dat dit sterven gepaard gaat met zijn hartebloed Elk mens heeft immers in zich de drift van de zelfhandhaving. Met hand en tand verdedig je je eigen „ik". Je begint te grommen en desnoods te slaan, wanneer iemand dat „ik" wat al te dicht wil benaderen of dat „ik" zelfs in het nauw drijft Dat is dan ook de reden, waarom het Evangelie wanneer het zuiver wordt gepredikt, althans aanvankelijk altijd vijandschap verwekt. Dat zit hem niet in dat Evangelie zelf, maar in die taaie zelfhandhaving van ons. Wij willen ons eigen „ik" niet prijsgeven in de dood met Christus.

Dat verzet kan soms weken, maanden en jaren duren. Het kan zelfs uitgroeien tot haat De vervolging van de christenen is een uiting van die haat Maar ook de felheid waarmee sommigen de christenen die het echte Evangelie verkondigen, bestrijden en bespottelijk trachten te maken, is een uiting van diezelfde haat.

Gebroken

Een duidelijk voorbeeld van zulk een christenen-hater was Paulus. Hij hield razzia's tot in de buitenlandse steden. Dan sleepte hij de gearresteerde christenen voor de Hoge Raad van de Joden. Daar werden ze dan bont en blauw geslagen, „gegeseld", en zelfs vaak ter dood gebracht Lees het verhaal van de steniging van Stephanus in Hand 7 : 5 4 - 60, vooral vs. 58, waar staat dat Paulus die toen nog de naam droeg Saulus, de kleren van de beulen bewaarde als teken dat hij mee de verantwoordelijkheid voor die moord droeg.

Maar op de weg naar Damascus verscheen Jezus hem, die hem zei: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?". Toen werd deze Saulus innerlijk volkomen gebroken. Hij gaf zijn zelfhandhaving tegenover Christus op en werd de machtigste verkondiger van het christendom.

Ook voor u die dit leest en die nog niet tot de geloofsovergave aan Christus gekomen bent, zijn er twee mogelijkheden. Ofwel u geeft na kortere of langere tijd uw verzet tegen Jezus op en geeft u helemaal over aan Hem Ofwel u verhardt zich in dat verzet en laat dat verzet uitgroeien tot haat tegen het Evangelie, al bent u zich daar misschien niet van bewust

Lauw

De Bijbel geeft een duidelijk voorbeeld van „christenen" die zich tegen het Evangelie verzetten, terwijl ze zich daar niet van bewust waren. Dat waren de leden van de gemeente van Laodicea Jezus zegt van hen: „Gij zegt Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan geen ding gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt".

Jezus betitelt hen als lauwe mensen. Ze worden nergens meer heet of koud van. Hun christendom is alleen maar sleur, hun kerkgang niet méér dan traditie. Ze hebben misschien nog wel de mond vol van Christus, maar ze laten Hem buiten de deur van hun hart

En wat is het oordeel datjezus over hen uitspreekt: „Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, zal Ik u uit Mijn mond spuwen" (Openb. 3 : 1 4 - 22).

Ik heb u nooit gekend!

Zo zijn er ook heel wat kerkmensen die vaak de naam van Christus op hun lippen nemen en die zelfs vechten voor de christelijke beginselen in de strijd tegen de vrijzinnigheid, in het verenigingsleven en de politiek maar die nooit tot persoonlijke geloofsovergave aan Christus zijn gekomen. Daarom walgt Jezus van hen en spuwt hen uit Zijn mond, want Jezus ziet heel goed dat ze bij al die aktiviteit alleen zichzelf zoeken. Ze zijn immers nog onbekeerd Ze hebben dus hun eigen „ik" nog volledig op de troon zitten. Ze hebben tot nog toejezus aan de deur van hun hart laten kloppen, maar nooit echt open willen doen.

Dat verschijnsel kan zich zelfs voordoen bij mensen, die beweren allerlei gaven des Geestes te hebben ontvangen, maar die vol geestelijke hoogmoed zitten en stinken van zelfvoldaanheid „Velen zullen te dien dage tot Mij roepen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam duivelen uitgeworpen en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt" (Mat. 7 : 22 - 23).

AJdit soort „christenen" hebben nooit een persoonlijke relatie met Christus gehad Ze hebben nooit écht hun schuld voor Hem uitgeschreid en ze hebben zich daarom ook nooit in verbrokenheid des harten en in geloofsvertrouwen aan Hem overgegeven. Er is nooit een innerlijk gesprek ontstaan tussen Jezus en hen. Ze hebben in hun gebeden wat woorden naar de hemel opgezonden, maar die hebben Jezus, de Voorspreker bij de Vader, nooit bereikt „Ik heb u nooit gekend".

Verzoening

Wanneer u Jezus als Zaligmaker in het huis van uw hart binnenlaat, komt ook de Vader mee. „… en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken" (Joh. 14 : 23). „En toen hij nog ver van hem was, zag zijn vader hem en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende viel hij hem om zijn hals en kuste hem. En de zoon zeide tot hem; Vader, ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed en doet het hem aan en geeft een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten; en brengt het gemeste kalf en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden; en hij was verloren en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn" (Lk. 15 : 20 - 24).

Kunt u zich een beetje indenken welk een intense vreugde dat betekent5 Dan slaat de Vader Zijn armen om je heen. Hij omhelst je en kust je. Wat een vertedering! Hoe innig is deze ontmoeting met de heilige God die het heel direkt tegen je zegt „Het is je vergeven. Ik wil over je verleden niet meer praten. Ik wil er zelfs niet meer aan denken (Hebr. 8:12). Ik wil al je zonden werpen in de diepte van de zee (Micha 7:19). Want je was verloren en bent nu teruggevonden; je was dood en je bent levend geworden, levend gemaakt door Mijn eigen Zoon, die de dood die jij had verdiend, op Zich heeft genomen en voor jou het eeuwige leven heeft verworven".

Wat een rust, wat een veiligheid „De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen" (Deut. 33 : 27 NBG).

„Laat ons afleggen alle last" (Hebr. 12 : 1)

Onze verzoening met God is volkomen, wanneer wij ons in geloof geheel aan Jezus als onze Zaligmaker hebben overgegeven.

Dat betekent dat we de schuld van het verleden op geen enkele wijze meer hoeven mee te torsen naar de toekomst We hoeven dus niet te proberen die schuld te vereffenen door boetedoening of door heel erg ons best te doen.

Natuurlijk zullen we het kwade dat we hebben aangericht moeten herstellen voorzover dat mogelijk is. Maar God wil niet dat we dat herstel zien als een aflossing van de schuld die we tegenover Hem hebben. Die schuld is geheel en al gedragen en weggenomen door Zijn Zoon, toen Hij voor onze zonden stierf aan het kruis. We mogen met een volkomen nieuwe lei beginnen. Paulus schrijft dat het gerechtelijke bewijsstuk dat voor God tegen ons getuigde, en dus ook de lijst van onze zonden, door Jezus aan het kruis is geslagen ten teken dat Hij die rekening voor ons heeft betaald. Ieder die in geloof naar dat kruis ziet, kan er tegelijk de rekening zien hangen van zijn eigen zonden, a.h.w. met de handtekening van Jezus eronder, geschreven met Zijn eigen bloed: „voldaan door Jezus". Jezus heeft Zelf gezegd „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven" (Mat 11 : 28).

Zure mannen van de wet

Het is te begrijpen dat mensen die een hoge dunk van zichzelf hebben, zulk een vergevende liefde van God veel te vérgaand vinden. Dat God een streep haalt door alle schuld van het gehele verleden, zonder dat de zondige mens daar een tegenprestatie tegenover hoeft te stellen, is volgens hen in strijd met de heiligheid van de wet. Dat is er een spelletje van maken.

Jezus heeft gedurende Zijn gehele leven last van dat soort mensen gehad Ze zwermden als vliegen om Hem heen, van die lelijke steekvliegen - je weet welineens merk je aan de pijn in je kuiten, meestal in de zomer wanneer je wilt genieten van de heerlijke natuur, dat ze zich stiekem in je hebben vastgezogen. Met het oog op dergelijke zwartkijkers heeft Jezus de gelijkenissen uitgesproken over het verloren schaap, de verloren penning en de verloren zoon in Lk. 15, maar vooral ook de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar „En Hij zeide ook tot sommigen die bij zichzelf vertrouwden dat zij rechtvaardig waren en de anderen niets achtten, deze gelijkenis…" (Lk. 18:9).

Konkreet

Ik meen dat ik nu toch wat konkreter moet zijn. Ik doe dat niet graag, want ik houd er niet van iemand pijn te doen.

Het is dus niet waar dat Jezus van ons eist dat wij een bepaalde vernedering ondergaan, wil God zich opnieuw met ons verzoenen, wanneer wij weer zonde hebben bedreven. Het is niet waar dat wij onze „zware zonden" aan een priester moeten biechten. Hij vraagt niet deze uiterste beschaming, met name van een meisje, een vrouw, dat zij haar sexuele misstappen aan een andere man die er overigens niets mee te maken heeft, belijdt, onder de bedreiging dat, als ze dat niet wil doen, ze verdoemd zal zijn in de eeuwige hel.

Zelf heb ik vroeger als rooms-katholiek heel erg geleden onder die leer en toen ik eenmaal priester was, heb ik gemeend ditzelfde ook van anderen te moeten eisen. En wat een martelingen heb ik in die biechtstoel niet gezien; mensen die jarenlang een „doodzonde" hadden verzwegen en die het er eindelijk uitgooiden uit pure angst voor de hel.

Hoe kan men toch denken dat de God van de Bijbel dit wiP Is dat de vader uit de gelijkenis van de verloren zoon in Lukas 15? Is dat die liefdevolle Zaligmaker, Jezus Christus, zoals Hij ons in de Bijbel getekend wordt?

Ik kan in dit korte geschrift niet dieper ingaan op de bijbelse argumenten, waarom de leer van de verplichte biecht onjuist is. Dat heb ik gedaan in mijn boek „Hand in hand met Rome?" (uitg. T. Wever, verkrijgbaar in de boekhandel; kan ook besteld worden bij Stichting I.R.S., Parkstraat 52, Velp G. Prijs ƒ 8,20). Zeker, er staat wel in de Bijbel dat wij elkaar onze zonden moeten belijden (Jak. 5 : 16). Wanneer wij iemand onrecht hebben aangedaan, dan moeten wij dat herstellen. Maar iemand die oprecht tot bekering is gekomen en de barmhartige lief de Gods aan den lijve heeft ervaren, kan niet.met haat en bitterheid in het hart jegens een medemens blijven zitten. Hij zal zijn schuld voor de ander belijden en alles weer in orde maken.

Maar dat is een gevolg van, niet een voorwaarde voor de bekering en voor het geloof in Jezus Christus. Die gelovige overgave aan Hem heeft nog heel wat méér tot gevolg. Dat zien we in het nu volgende hoofdstuk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Hem binnenlaten als je ZALIGMAKER

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's