HOOFDSTUK 3
MARKUS
In zijn poging om zich voor zichzelf en voor de anderen te rechtvaardigen, komt de mens er zelfs toe om het goede kwaad en het kwade goed te noemen.
Jezus stelt de vraag: „Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen, een mens te behouden of te doden?". Dan zwijgen ze; „ze", dat zijn de godsdienstige mensen van die tijd. Daaruit blijkt dat ze in hun hart staan aan de kant van het kwade en van de dood. Dat komt omdat ze denken dat het goede en het leven gelegen is in de vervulling van het sabbatsgebod op zichzelf.
Maar het goede en het leven is te vinden in Hem, die het leven en het licht is der mensen (Joh. 1 : 4).
Markus verhaalt: „Allen die enige kwalen hadden, overvielen Hem, opdat zij Hem mochten aanraken" (vs. 10). Dat was volkomen juist, want alleen zij die zich ziek wisten naar ziel of lichaam, strekten zich uit naar Hem, in Wie het leven was. Naar dat leven zochten niet zij die het in de sabbat zochten of in hun godsdienstige tradities, en evenmin de demonen, al riepen die luide: „Gij zijt de Zoon van God" (vs. 11).
Ook Zijn bloedverwanten zochten het leven niet in Hem, immers „zij gingen uit om Hem vast te houden, want zij zeiden: Hij is buiten zinnen" (vs. 21). Ze begrepen niets van Hem. Hij paste niet in het familieverband, want er was nog nooit een profeet uit hun midden opgestaan.
De heiligheid bestond volgens hen in het vervullen van hun tradities en menselijke voorschriften. Volgens hen was Christus bezeten door een onreine geest (vs. 3), omdat Hij de sabbat niet respekteerde, met zondaars at en dronk en melaatsen aanraakte.
Jezus ontmaskert hen en spreekt deze harde woorden: „Al de zonden der kinderen der mensen zullen vergeven worden,… maar zo wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid" (vs. 28-29). Zij hadden kunnen weten wat de profeet Jesaja over Jezus had gezegd: „De Geest van de Heere HEERE is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft" (61 : 1). Wanneer Christus door de Geest van God duivelen uitwierp, dan had dat voor hen een teken moeten zijn dat het Koninkrijk Gods gekomen was. Maar in plaats dat dit alles een oorzaak van grote vreugde voor hen was, lasterden zij de Heilige Geest Zie ook 2 Kor. 4 : 4.
En wat moeten we dan van die kerken zeggen, die niet of nauwelijks een plaats toekennen aan de Heilige Geest? Voor zulke kerken is het voldoende, wanneer je een goede leer aanhangt en een gezonde traditie in acht neemt en je „christelijk" gedraagt Dan mag je je al nabij Christus weten.
Maar zij vergeten, zoals ook Zijn bloedverwanten dat vergaten, dat Jezus een vraag stelt aan allen die op vlees en bloed hun vertrouwen stellen; „Wie is Mijn moeder of Mijn broeders?" (vs. 33). Wie is Mijn gemeente, wie is een christen? Velen zullen op die vraag antwoorden: Wij weten dat Maria de moeder van Jezus is en dat mijn kerk de ware is en dat ik een christen ben, omdat ik tot die ware kerk behoor. Zo dachten ook zij die Jezus omringden; „Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U' (vs. 32).
Maar Christus antwoordde: „Zo wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en Mijn moeder" (vs. 35). En wat is de wil van God' „En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat eenieder die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwig leven hebbe" (Joh. 6 : 40).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
