HET NAAKTE GELOOF
In het licht van het Woord van God, los van alle theologie en filosofie, zie ik de naaktheid, de hulpeloosheid, van mijn geloof. Met zulk een leeg geloof kan ik mij nauwelijks staande houden tegenover hen die zich hullen in de glinsterkleding van een overvloed van prachtige (vrome) menselijke woorden.
Ik wil niemand aanklagen. Deze ontdekking van mijn zwakke geloof is voor mij een verbazing, want tegelijkertijd predik ik het Woord en zie dat dit Woord wonderen teweegbrengt in hen die zichzelf hebben opgegeven en aldus, leeg van zichzelf, naderen tot de bron van het leven.
Uit die bron alleen kunnen we de Geest van de Zoon tot ons drinken. „En aangezien gij kinderen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!" (Gal. 4 : 6).
Terwijl ik dit schrijf, is het oktober en zijn hier rondom ons heen in Ponferrada (provincie Leon in Spanje) de bergen al bedekt met sneeuw. Ternauwernood vijf of zes rozen hebben nog weerstand kunnen bieden aan de kou. Als ik daarnaar kijk in de steeds zwakker wordende zonnestralen, dan voel ik mij genoopt om het stilzwijgen te verbreken. En als ik dat stilzwijgen verbreek, dan is dat niet om anderen te beschuldigen, maar om mezelf te zien zoals ik ben: een mens met weinig geloof tegenover de beloften van leven, die in Christus ja en amen zijn (2 Kor. 1 : 20).
Als je de grootheid en rijkdom van die beloften ziet in de tegenwoordigheid van de Heilige Geest, dan moet je als gelovige wel uitroepen: Vader, wat is mijn geloof nog gering!
Ik denk nu aan dat verhaal dat we in onze Bijbelstudie tegenkwamen in het 14e hoofdstuk van Markus. Petrus wandelt over de golven de Heere tegemoet, maar begint te zinken vanwege zijn gebrek aan geloof. Toen reageerde ik aldus: „Heere, groot zijt Gij in Uw Woord. U laat mij daarin zien, wie en wat ik ben. Ik zou niet in de golven wegzinken zoals Petrus, want met dat beetje geloof dat ik heb, zou ik mij nooit buiten het schip begeven".
Misschien glimlacht iemand, wanneer hij deze totale eerlijkheid van mij ziet, waarmee ik dat op papier zet. Maar op dat moment had ik eerder de neiging om mijzelf uit te huilen voor mijn Heiland die daar vóór mij stond, voor mij, kleingelovige, die bezig was voor anderen dit Schriftgedeelte te verklaren.
Maar van de andere kant was daar de vreugde van de gemeenschap met hen, die geloven dat, waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, Hijzelf in hun midden is (Matth. 18 : 20). De heerlijkheid daarvan kun je eigenlijk alleen maar kennen door beleving, niet door te proberen ze te analyseren en te verklaren.
En nu ik het over die gemeenschap der gelovigen heb: wat je wél kunt verklaren is de verbazing van Paulus over de uitzinnige Galaten. Zij hadden immers heel duidelijk de gemeenschap in de Heilige Geest ervaren, toen zij tot geloof kwamen. Dat was gebeurd door het horen van het Evangelie van de genade van Jezus Christus. Maar ze waren die gemeenschap in de Geest vergeten om te „eindigen in het vlees". Ze zochten hun heil in „het vlees", in allerlei wetten, ceremoniën en liturgieën. Maar de werken van het vlees zijn: „echtbreuk … afgoderij… veten" (Gal. 5 : 20). „Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede…" (Gal. 5 : 22).
Deze liefde, deze vreugde en vrede heb ik gezien in hen die de ceremoniën en verordeningen van hun kerk, die zich in een soort christelijke partij-politiek opstelt tegenover andere kerken, verlaten hebben en alleen zijn gaan steunen op het Woord van God als gids naar het Leven en naar de gemeenschap in de Geest. Het is de Geest die vanuit deze blijdschap hen doet uitroepen: „Zolang, Heere, heb ik gemeend dat ik in U geloofde, terwijl ik U zocht met mijn eigen werken, mijn eigen prestaties. Wat een dwaasheid! Ik dank U, Vader, dat Gij zoveel geduld hebt gehad met mij en dat Gij mij nu deze vreugde schenkt van mij geborgen te weten in u, door Uw Woord en in Uw Geest".
Ja, deze volkomen zekerheid dat wij kinderen van God zijn, kunnen wij hebben op grond van Gods belofte en door het getuigenis van de Geest, ook al weten we dat we nog niet zijn zoals de Heere van ons verlangt. Maar wij verwachten in geloof dat Christus Zich in ons leven zal openbaren en dan zullen wij ook eenmaal met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kol. 3 : 4). „En eenieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf gelijk Hij rein is" (1 Joh. 3 : 3).
Er is iets in het Woord dat wij alleen maar kunnen ontdekken, wanneer we dat Woord samen tot ons drinken. En er is iets in ons dat het Woord alleen dan aan ons ontdekt, wanneer wij samen luisteren naar het Woord.
Wij mogen niet slechts ontvangers zijn van het Woord, maar ook doorgevers van dat Woord, niet slechts een ontvangtoestel, maar ook een zendapparaat.
Anders lopen we gevaar om alleen maar bewaarders van het Woord te worden. Dan willen we dat Woord beschermen met een konkrete vorm van liturgie en met een vorm van kerk-zijn, waardoor wij ons afschermen en afsluiten van andere gelovigen. En zulk een kerk wordt steeds bestuurd door leiders, die van het levende Woord een begrippenstelsel hebben gemaakt en de kerkleden hebben gesteld onder hun menselijke wetten en verordeningen, dus onder „het vlees". Maar daardoor hebben ze zich verwijderd van de levende werkelijkheid van het geloof, van deze hoop die ons reinigt, van dat leven dat verborgen is met Christus in God, van deze nieuwe mens, die herschapen is naar het beeld van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
