DE ADEM VAN DE ALMACHTIGE
Met mijn gelovig verstand weet ik dat ik in Jezus Christus voor God kan bestaan. Ik weet dat ik met Hem spreken mag, dat ik mijn ogen mag opheffen om Hem te aanschouwen in Zijn heerlijkheid, zoals Hij Zich in de Schrift en in de schepping aan mij openbaart.
Maar wat is dat moeilijk! Ik besef, ik ervaar het bijna lijfelijk, dat Hij mij zo maar wegblazen kan. Immers „de Geest Gods heeft mij gemaakt en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt" (Job 33 :4).
Ik moet mij dwingen om staande te büjven tegenover Hem. Maar Hij vraagt daar Zelf om. Voortdurend roept Hij ons tot Zich. Dat kan zijn om ons te vermanen: „En de Heere God riep Adam en zeide tot hem: Waar zijt gij?" (Gen. 3 : 9). „Daarna antwoordde de Heere Job uit een onweder en zeide: Gord nu als een man uw lendenen, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij" (Job 38 : 1, 3).
Of om ons te vertroosten. Ps. 131 vergelijkt de gelovige met een kind dat zo juist de borst heeft gehad en nu stil en verzadigd tegen zijn moeder rust. En ook Ps. 62 spreekt over die vredige stilte bij God: „Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil".
De adem van de almachtige is warm en levenwekkend. Die Adem kan als de Heilige Geest zo maar ineens over je komen, zoals de wind plotseling kan opsteken op een zomerse dag om ons met zijn zwoelte te omwaaien. Dan snuif je met die wind tegelijk de geur op van de bloemen en van de ganse frisse natuur om je heen.
Zo is er ook een onuitsprekelijke zoetheid, (De Dordtse Leerregels gebruiken ook dat woord „zoet" om het wonder van de wedergeboorte te beschrijven), wanneer je je gedragen weet in de armen van God.
Dan wordt alles stil in je. Dan komt de adem van de Almachtige over je en word je vervuld met een onbeschrijfelijjk ontzag. Je wilt terugdeinzen en kunt het toch ook weer niet, want de ervaring van Gods aanwezigheid is één en al verrukking. Uit dat besef van Gods heilige tegenwoordigheid stijgen in de Bijbel al die lofzangen en dankzeggingen omhoog. Maar ze zijn slechts het gevolg van die aanwezigheid Gods. Die aanwezigheid zelf is eigenlijk niet weer te geven. Wil je dat tóch proberen, dan voel je meteen de armoede van de menselijke taal. Je moet dan je toevlucht nemen tot beelden. Maar God staat zo ver af van het gewone leven. Niets en niemand kan Hem omvatten. Beelden en gelijkenissen kunnen slechts uit de verte iets over Hem zeggen.
De geur van de Oneindige trekt dan door je ziel heen en roept de verhevenste gevoelens in je naar omhoog. Het zijn gevoelens van reinheid, geluk, ontzag, huiver, vrede, verootmoediging, harmonie, liefde. Het is eigenlijk een mengeling van al die gevoelens.
Het is een stamelen én een hijgen: „Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was en Die is en Die komen zal" (Openb. 4: 8).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juni 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
