In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

de gemeente en haar ambtsdragers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

de gemeente en haar ambtsdragers

8 minuten leestijd

Het waardevolle van dit artikel bestaat daarin dat Schillebeeckx vanuit een uitvoerige dokumentatie een vergelijking maakt tussen het ambt in de eerste duizend jaar (vooral van vóór het concilie van Nicea) en de ambtsopvatting zoals die daarna in de R.-K. Kerk is gegroeid. Ik wil het artikel op de voet volgen en er de belangrijkste stellingen uit naar voren halen.

S. gaat uit van de experimenten met nieuwe vormen van gemeente-zijn, de zogenaamde basisgemeenschappen in de R.-K. Kerk. Dat zijn kleinere groepen van christenen, die een intense onderlinge gemeenschap kunnen en willen beoefenen. Ze ontstaan en ontwikkelen zich los van de kerkelijke hiërarchie (het officiële kerkbestuur). Volgens S. „vertonen zij een duidelijke verwantschap met de bijbelse en patristische (= van de vroegere kerkvaders) visie op het ambt . Maar deze „kritische herinneringen aan de voorbije geschiedenis hebben een toekomst-openende kracht".

Vanuit de Geest en de gemeente

De ambtsopvatting van de eerste duizend jaar typeert S. als „pneumatologischecclesiaal". Pneumatologisch = een ambtsopvatting die het ambt vooral ziet als gave van de Heilige Geest; ecclesiaal = die het ambt vooral ziet voortkomen uit de gemeente.

Vanuit het Nieuwe Testament moet „de gemeente van God" getypeerd worden als „een broederschap, waarin de in de wereld heersende machtsstrukturen wor den afgebroken (Mt. 20 : 25 - 26; Lk. 22 : 25; Mk. 10 : 42 - 43); allen zijn gelijkwaardig; men zou kunnen zeggen: alleen de geringere, de arme en verdrukte is „gelijkwaardiger" (om een bekend gevleugeld woord om te duiden: „all men are equal, but some are more equal")".

(Ik kan het niet eens zijn met de opvatting van S. die het „fundament van de apostelen en profeten" in Ef. 2 : 20 historisch wil bezien. Hij beschouwt nl. deze apostelen en profeten als de stichters van de eerste gemeenten. Maar dat is in strijd met de funktie van de profeten zoals die beschreven wordt in 1 Kor. 14, vooral vs. 1 en 3)

Chalcedo

De binding van het ambt aan de gemeente is helder vastgelegd in het concilie van Chalcedon in 541, dat uitsprak: „Als aan iemand niet op een duidelijke wijze een plaatselijke gemeente is toegewezen", dan „besluit het hoogheilig concilie dat hun „ordinatio" (aanstelling) van nul en generlei waarde is… en dat ze dus bij geen enkele gelegenheid funkties mogen uitoefenen". Mijn vraag: zou het niet goed zijn dat men ook in de protestantse kerken zich daarop opnieuw ging bezinnen, nu er steeds meer predikanten „in algemene dienst" worden aangesteld. Is het niet een stuk onwaarachtigheid, wanneer men, om hun predikantschap te kunnen handhaven, spreekt van een „formele" band met de vorige gemeente?

„Een ander belangrijk gevolg van deze ambtsopvatting was dat een ambtsdrager die, om welke reden dan ook, ophield voorganger van een gemeente te zijn, ipso facto (= door het feit zelf) weer leek werd, in de volle zin van het woord".

„De visie achter dit alles is: niet wie „wijdingsmacht" bezit, mag de gemeente voorgaan en daarom ook in de eucharistie (= viering van het Avondmaal) voorgaan, maar de door de gemeente aangeduide of aanvaarde leider krijgt door deze invoeging in een bepaalde gemeente alle bevoegdheden die voor de leiding van een christelijke gemeente nodig zijn". „Conclusie uit dit alles is: een situatie waarin een gemeente geen eucharistie zou kunnen vieren, omdat er geen bisschop (in het NT: „opziener". HJH) of presbyter (= ouderling) aanwezig is, was in de oude kerk ondenkbaar".

Geen priesters

Zeer interessant is wat S. schrijft over de voorgangers als priesters:

„Vooral uit de pre-Niceense literatuur blijkt dat de oude kerk er moeite mee had de kerkelijke voorgangers „priesterlijk" te noemen. Volgens het Nieuwe Testament was alleen Christus en de christelijke gemeente priesterlijk; de voorgangers staan in dienst van Christus en van het priesterlijk Godsvolk, maar werden zelf nooit priesterlijk genoemd. Cyprianus had echter, als een der eersten, een duidelijke voorliefde voor de oudtestamentische priesterlijke offerterminologie, waarmee hij de christelijke eucharistie vergelijkt. Zo groeide echter in feite de sacerdotalisering (= verpriesterlijking) van het vocabulaire (= woordenboek, woordgebruik) van het kerkelijk ambt, zij het .eerst in allegorische zin (= zinnebeeldig). Bovendien is ook Cyprianus de eerste die van de „sacerdos" d.i. destijds de bisschop als voorganger van de gemeente en daarom ook van de eucharistie, zegt dat deze dit doet „ vice Christi", inJezus plaats. Augustinus daarentegen blijft weigeren bisschoppen en presbyters (= bijbels: opzieners en ouder lingen. HJH) in eigenlijke zin priesters te noemen, in de zin van bemiddelaars tussen Christus en de gemeenté".

Afscheidsgeschenk

S. wijst erop dat het Avondmaal een afscheidsgeschenk is van Christus Zelf aan de gemeente. „De gemeente heeft daarom als gemeente van Christus een onvervreemdbaar recht op het vieren van de eucharistie". Ik meen ook dat dit bijbels is en heb daarom in mijn boek „Zij is Mijn Bruid" de vraag gesteld, waarom een gemeente niet het Avondmaal zou mogen vieren, wanneer er geen predikant beschikbaar is. Waarom mag zij dan niet aan een van haar ouderlingen opdragen om voor te gaan bij de viering van het Avondmaal?

„Dat echter willekeurig elke gelovige zou kunnen voorgaan in de eucharistie is hiermee geenszins gegeven. In de huisgemeenten van Korinthe waren het de gastheren die voorgingen in de huiselijke eucharistieviering; maar dezen waren tegelijk ook voorgangers van die huisgemeenten".

Geen priester- of domineestekort

„De oude en vooral sinds het Tweede Vatikaanse Concilie de hedendaagse kerk kan zich geen christelijke gemeente voorstellen zonder eucharistieviering. Er is een wezenlijke band tussen de plaatselijke ecclesia (= gemeente) en eucharistie (= Avondmaalsviering). In de pre-Niceense kerk gold zelfs, blijkbaar vanuit Joodse modellen, dat waar minstens twaalf familievaders (dus twaalf gezinnen) vergaderd zijn, zij recht hebben op een voorganger en dus ook op iemand die voorgaat in de eucharistievierende gemeente".

Volgens S. kan er daarom vanuit de visie van de oude kerk nooit sprake zijn van een priestertekort (of in de protestantse kerken: van een domineestekort). Immers de gemeente heeft recht op de Avondsmaalsviering en kan, desnoods elke keer opnieuw wanneer zij samenkomt, iemand aanwijzen om voor te gaan bij de Avondmaalsviering, die dus gedurende die dienst alle bevoegdheid daartoe heeft.

Verband van kerken?

Daarover schrijft S.: „In de oudheid was de universele kerk geen grootheid boven de plaatselijke kerken. Aanvankelijk bestond er niet eens een bovenregionale organisatie, al groeiden wel vlug patriarchaten en metropolitische kerken, waarin verschillende locale kerken in een bovenstedelijke eenheid werden samengebracht". „Het Tweede Vatikaanse Concilie heeft de oude gedachte van de universele kerk heropgenomen. Dit concilie spreekt van de „plaatselijke kerkgemeenten, waarin en waaruit de ene en enige katholieke kerk bestaat. Men behoort derhalve tot de universele kerk, omdat men tot een plaatselijke gemeente behoort en niet andersom".

Kerkorde

„De- zij het veranderlijke- kerkorde is voor de christelijke gemeenten een zeer groot goed. In een of andere vorm behoort de kerkorde tot de concrete wezenlijkeverschijning van de „Gemeenten van God": de Kerk. Maar die kerkorde is er niet omwille van haarzelf. Zoals het ambt staat ook zij in dienst van de apostolischegemeenten (daarmee bedoelt S. de gemeenten die voortbouwen op de leer van de

(Vervolg zie pag. 18)

(Vervolg van pag. 15)

apostelen. HJH) en mag zichzelf niet tot doel worden, noch worden verabsoluteerd, temeer niet daar blijkt dat zij in alle periodes van de kerk metterdaad met handen en voeten in een concrete, geconditioneerde geschiedenis staat (= een geschiedenis die niet over de mensen heenzweeft, maar waarin de mensen zelf leven en er deel van uitmaken; een geschiedenis dus die heel konkreet is en gebonden is aan allerlei voorwaarden en voorveronderstellingen. HJH). Bepaalde, door vroegere kerkelijke en maatschappelijke situaties in het leven geroepen vormen van kerkorde (en dus ook van toelatingscriteria voor de ambtsdragers) komen echter op een bepaald ogenblik historisch aan hun grenzen; dit is overigens sociologisch aanwijsbaar".

De funktie van experimenten

S. laat dan zien, hoe zulk een overleefde kerkorde steeds meer tekort schiet en eerder remmend dan bevorderend is voor een bloeiend leven van de gemeente. Vanzelf ontstaan er dan pogingen om te komen tot een nieuwe vorm voor het gemeente-zijn. „Deze kunnen en mógen ook mislukken; daarvoor zijn het precies experimenten. De mislukkig is geen blaam, maar een fase binnen het zoeken naar een nieuwe christelijke trouvaille (= vondst)".

Zulk een experimenteren heeft echter het karakter „van wat voorlopig „illegaliteit" moet heten. Dit is geen nieuw verschijnsel in de kerk; zo is het altijd geweest". S. toont aan dat dit door de vroeg-scholastiek zelfs tot een beginsel was verheven. „Daaruit blijkt dat er, kerkhistorisch, ook een weg bestaat waarop christenen van onderop, vanuit de basis, een kerkelijke praxis kunnen ontwikkelen die voorlopig in concurrentie met de officieel geldende kerkelijke praxis treedt, maar in haar christelijk verzet uiteindelijk zelfs de dominante (= overheer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

de gemeente en haar ambtsdragers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's