In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Verbrokenheid des Harten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verbrokenheid des Harten

12 minuten leestijd

Dat is de grondhouding van elke waarachtige gelovige. Het kan bij de één meer, bij de ander minder aanwezig zijn, maar het mag in het geestelijke leven niet gemist worden. De een zal in de aanvang overweldigd worden door de heerlijkheid en de liefde van Christus en pas daarna een dieper besef krijgen van zijn eigen zondigheid, bij een ander is het precies andersom. Zij ontdekten die heerlijkheid en die liefde van Christus pas, nadat ze als zondaren naar Hem waren gevlucht. De Geest is als de wind, die waait gelijk Hij wil.

Wat deze verbrokenheid des harten is, kan alleen aangevoeld worden. Het is een doorleving, breed en diep, die eigenlijk niet onder woorden kan gebracht worden. Maar Jezus heeft die verbrokenheid prachtig getekend in de ontroerende gelijkenis van de farizeeër en de tollenaar in Lk. 18: 9-14.

En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelf vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en de anderen niets achten, deze gelijkenis:

Tegen deze groep was dus de gelijkenis gericht en de farizeeër die door Jezus ten tonele wordt gevoerd, is er een representant van. Wat voor typen waren het? Ze baseerden al hun verwachtingen op zichzelf. Er staat: „Zij vertrouwden op (epi) zichzelf'. Ze hebben het huis van hun heil op zichzelf gebouwd, dat betekent: op zand Zie Mat. 7: 24-27.

Wij zijn echter niet rein voor God vanwege het woord dat we over onszelf rondbazuinen, maar „gij zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb" (Joh. 15:3). We zijn dus niet eens rein en gerechtvaardigd vanwege ons geloof. God spreekt ons niet vrij van onze zonden, omdat we zulk een prachtig geloof zouden bezitten. Die vrijspraak is volkomen gebaseerd op iets buiten ons nl. op het woord (hier in de Hebreeuwse zin te verstaan als „dabar" = woord dat tegelijk daad is) van Christus. Ons geloof is alleen maar de toegangsweg tot dit rijke heil in Christus of ook wel het kanaal dat door God Zelf in ons gegraven wordt waardoor het heil van Christus ons toevloeit.

Een tweede karaktertrek van dit soort mensen is dat zij de anderen niets achten. Dat volgt uit het eerste. Vaag voelt elk mens wel aan dat je eigenlijk niet op jezelf kunt bouwen. Vaag voelt men wel aan dat je eigenlijk precies bent als alle anderen: ellendige egoïsten, slaven van je eigen „ik", je zondige begeerten.

Maar om dat wankele zelfvertrouwen wat op te vijzelen ga je dan jezelf vergelijken met de anderen. Je haalt dan het smerige in hen zo sterk mogelijk naar voren. En tegen die donkere achtergrond plaats je dan het afgodsbeeld van je eigen „ik". Van dat eigen „ik" ga je dan alleen maar de (vermeende) goede dingen met geweld omhoog roepenje wringt jezelf daarbij in zoveel bochten dat je daar tenslotte toch in slaagt. Je schrijft jezelf de meest verheven bedoelingen toe. En voor wat er dan misschien nog verkeerd aan je was, weet je allerlei verontschuldigingen aan te voeren. Je bent een geraffineerde advokaat voor je zelf en je wint het pleit altijd, want je hebt je tegelijk opgeworpen als de rechter over jezelf. Het is duidelijk dat dan je vrijspraak van te voren vast staat Je verlaat de rechtszaal waar je je eigen rechter en advokaat tegelijk was, met een klopje op je eigen schouders: „Bravo, je bent geweldig, je bent uniek. De anderen zijn niets, zijn lucht en gemenigheid, vergeleken bij jou".

Twee mensen gingen op in de tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de ander een tollenaar.

Inderdaad gaat het altijd slechts over twee typen mensen, dus niet over protestanten of rooms-katholieken, joden of heidenen en zelfs niet over zondaars en niet-zondaars, want zondaars zijn we allemaal. De mensen worden verdeeld in deze twee soorten. De ene soort vertrouwt helemaal op zichzelf en de andere soort heeft alle vertrouwen in zichzelf verloren, maar heeft in de plaats daarvan een wonderbaar vertrouwen in God gekregen. Tot welke soort behoort ü?

De farizeeën: een godsdienstige en politieke partij in Israël. Ze waren rechtzinnig (orthodox) in tegenstelling met de vrijzinnige Sadduceeën. Zij geloofden de Schrift „van kaft tot kaft". Daarom is watjezus over hen zegt, zeer leerzaam voor ons. Wij lopen ook het gevaar te steunen op onze orthodoxie en aldus een eigen gerechtigheid op te bouwen, die echter voor God niet kan bestaan. De farizeeën waren bovendien de leiders van het volk. Daarom moeten wij, predikanten, heel in het bijzonder ons spiegelen aan watjezus over hen zegt. Dezelfde verzoekingen komen ook op ons af nl. dat wij genieten van de macht die we over het „kerkvolk" kunnen uitoefenen, een macht zo groot dat wij in staat zijn hen van de levende Christus af te houden.

De tollenaar: „een Jood die van de Romeinse belastingadministratie de inning van een deel van de belastingheffing had gepacht". „Het spreekt vanzelf dat de Joden die om zichzelf te verrijken zich in dienst stelden van de vreemde overheerser ten nadele van hun volk, bij hun landgenoten in verachting stonden". (Prof. Grosheide in „Bijbelse Encyclopedie"). Daarom is het des te opmerkelijker dat Jezus één van hen nl. Levi, andere naam: Matthëus, tot één van Zijn twaalf apostelen koos.

Zij gingen op - de tempel lag nl. op een berg in Jeruzalem. Volgens de traditie is het de berg Moria, waar Abraham zijn zoon moest offeren.

De farizeeër, staande, bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.

Staande: dat is de typische houding van de mens, die rechtvaardig is in eigen ogen. Hij meent zichzelf overeind te kunnen houden, wanneer hij voor God verschijnt.

Bad bij zichzelf: Er staat eigenlijk: naar zichzelf toe, pros heauton d.i. met de akkusatief die een beweging uitdrukt. Inderdaad, dit was wel een bidden met woorden, maar niet een werkelijk bidden. Deze man bereikte niet de echte, de levende God. Hij richtte zich slechts tot een god zoals hij die zich had voorgesteld, een denkbeeld over God dat hij zichzelf had gevormd, een god als wensdroom van zijn zondig hart, maar niet de God van de Bijbel. Daarom was het een bidden naar zichzelf toegekeerd, een aanbidding van zichzelf.

O God, ik dank U. Het is duidelijk dat deze man twee wezenlijke elementen van de waarachtige bekering overslaat nl. de kennis van de ellendige, verloren toestand, waarin je verkeert vanwege je zondigheid, en het weten dat je uit louter genade daaruit verlost bent. Hij begint meteen maar te danken. Dat klinkt erg vroom. Hoeveel „vrome" gebeden worden er door ons niet vaak naar de hemel opgezonden, die echter op onszelf terugvallen, omdat ze niet opkomen uit een verbroken hart dat zich echter verzoend weet met God door Zijn barmhartigheid in Christus?

… dat ik niet ben gelijk de andere mensen. Wat kom je er dan zelf goed van af, vooral wij, brave burgermensen, wanneer je je met de anderen vergelijkt! Maar God kijkt niet in de eerste plaats naar de uiterlijke daden, maar naar het hart. En hoe was dat hart van die farizeeër?

Hij zij dat hij geen rover was. Maar … plaats hem eens in een bankkluis, waar de briefjes van duizend met hele pakjes voor hem liggen. Nee, hij zal ze niet meenemen. Waarom niet? Omdat hij bang is voor zijn goede naam en voor de politie. Maar kijk eens naar zijn ogen, hoezeer die deze rijkdom daar vóór hem wel zouden willen opvreten.

Geen overspeler? Maar Jezus heeft gezegd: „Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen. Maar Ik zeg u dat zo wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft reeds overspel in zijn hart met haar gedaan" (Mt. 5: 27-28). Als deze farizeeër een knap meisje ziet met veel sex appeal, wat gaat er dan in hem om? Blijft hij dan volkomen onbewogen, ook als zo'n meisje zich vleiend aan hem opdringt?

Dat is het watjezus ons leren wil: wees voorzichtig met je roem op je uiterlijk goede gedrag. God ziet verder. God ziet wat er sluimert op de bodem van ons hart. Jezus wil ons daar niet op wijzen om ons tot sombere mensen te maken, maar om ons te brengen tot de verbrokenheid des harten, waardoor we niets meer van onszelf verwachten, maar alle vertrouwen stellen in Hem alleen als onze volkomen Zaligmaker.

Of ook gelijk deze tollenaar. Uit die paar woorden proefje de harde liefdeloze houding van deze farizeeër. Hij veroordeelt radikaal deze medemens. Hij ziet hen nauwelijks staan. Hij ziet dus ook niet die ootmoedige houding van de tollenaar. Of als hij die wél heeft gezien, dan zal hij er deze verklaring aan hebben gegeven: Die tollenaar ziet nu blijkbaar in wat voor een slecht mens hij is; maar hij moet niet denken dat het nu zo maar meteen met God in orde is; hij zal pas mogen rekenen op vergeving wanneer hij heel wat goede daden daartegenover heeft gesteld.

Ik vast tweemaal in de week; ik geef tienden van al wat ik bezit.

Ja, hij weet het allemaal precies op te sommen wat voor goeds hij allemaal gedaan heeft. Uiterlijk is dat ook zo. Maar waarom deed hij dat alles? Jezus heeft op andere plaatsen de farizeeërs ontmaskerd als mensen die slechts hun eigen eer zoeken. Hoe kan hij toch denken dat God zulke „goede" werken kan aanvaarden, wanneer die uit een vuil hart voortkomen?

Lezer(es), kijk eens in uzelf. Hoe vaak zit ook u misschien God (en andere mensen) voor te rekenen wat voor goed u allemaal niet gedaan hebt. Houd er toch mee op, want dat is de beste manier om u een plaats in de hel te verzekeren. Pas als u er grondig van overtuigd bent dat er NIETS goeds in u wordt gevonden (Rom. 7:18), nu niet en nooit niet, pas dan opent zich voor u de weg des heils. Luistert u maar naar het vervolg van deze gelijkenis.

En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig.

Van verre staande. De farizeeër had zich blijkbaar zo ver mogelijk naar voren opgesteld. Daar hoorde hij thuis, zo dacht hij. Dat was de hem toekomende plaats, want God moest wel erg trots zijn op zulk een nauwgezette wetsvolbrenger. Maar de tollenaar wist dat hij niet waard was tot God te naderen. Slechts schoorvoetend was hij de tempel binnengekomen en was helemaal achterin blijven staan.

Hij wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar de hemel. Let op: er staat niet dat hij dat niet durfde. Zeker, dat zal ook wel het geval zijn geweest. Hij wist dat hij voor God een volstrekt onwaardige was.

Hij erkende ook ten volle zijn eigen onwaardigheid. Hij durfde niet, maar hij wilde ook niet zijn ogen naar de hemel opheffen. Hij onderschreef ten volle het vonnis dat over hem zou moeten uitgesproken worden: Je bent niet waard om voor God te verschijnen.

Hij sloeg zich op de borst. Hij sloeg zich niet voor het hoofd. Dat doen wij als we iets doms hebben gedaan. Dan zeggen we: hoe heb ik toch zo dwaas kunnen handelen!

Hij sloeg zich op de borst. Dat betekent dat hij zijn hart, zichzelf, aanklaagde voor God. Hij weet ook: ik heb niet alleen verkeerde dingen gedaan, maar ik bén verkeerd. Dat drukt hij ook uit in zijn gebed: O God, wees mij, zondaar, genadig. Hij vraagt niet om de vergeving der zondea Hij weet dat dit niet genoeg is. Het kwaad zit veel dieper. Het kwaad zit in zijn hart Hij weet dat hij een zondaar is.

Lezer(es), bent ü al eens tot die oprechte belijdenis gekomen: O God wees mij zondaar, genadig? Of hebt u het niet verder gebracht dan de bede: Vergeef mij mijn zonden?

De tollenaar vraagt alleen maar om genade. O God, wees mij, zondaar, genadig. Hij weet dat dit dan vanzelf betekent de vergeving der zonden, maar ook verdere innerlijke reiniging, zodat hij voortaan als een vernieuwd mens kan leven en niet meer als slaaf van zijn vroegere zondige gewoonten en begeerten. Iemand die allleen maar de vergeving der zonden verlangt, maar niet een radikale innerlijke verandering, ontvangt ook de vergeving der zonden niet, want dan zit hij er eigenlijk nog met zijn hart aan vast.

Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die.

Meer dan die. Betekent dit dat de farizeeër ook wel gerechtvaardigd naar huis ging, alleen iets minder dan de tollenaar? Nee, dat is niet de betekenis van het Griekse woord „para", dat hier door Lukas gebruikt wordt. Para heeft als grondbetekenis, althans wanneer het zoals hier met de akkusatief gebruikt wordt, „er langs" of „er over heen". We moeten het dus zó verstaan dat de rechtvaardiging aan de farizeeër voorbijging. Ze zou er ook voor hem geweest zijn, als hij zijn zelfvoldane houding had laten varen en ook als verloren zondaar had gepleit op Gods genade alleen.

Ik zeg u: De, Jezus Christus. Dat zegt Hij ook tot u, wanneer u tot diezelfde houding bent gekomen als van de tollenaar. Laat dan toch alle poging tot zelfrechtvaardiging voor God varen! Zie toch voorgoed in dat u op grond van uw eigen goeie gedrag nooit voor God kunt bestaan. Wat u ook doet, nooit kunt u op grond van wat u doet of bent, aangenaam worden in Gods ogen.

Maar zodra u uzelf voor altijd hebt afgeschreven en daarom dan ook alleen op Christus vertrouwt, staat Hijzelf vóór u en zegt het heel persoonlijk tegen u: Ga gerechtvaardigd naar huis. Wat een heerlijkheid en vrede dit van Hemzelf te mogen horen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

Verbrokenheid des Harten

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 maart 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's