In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

GOD IS ÉÉN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GOD IS ÉÉN

9 minuten leestijd

Dat is de grondbelijdenis van Israël, die ook door Jezus herhaald wordt: „Hoor, Israël, de Heere, onze God, is een enig Heere" (Deut. 6 : 4; Mk. 12 : 29). Dat is dus ook de belijdenis van de gemeente van Christus.

Zeker, Christus heeft ons nog veel méér over God geopenbaard. Hij heeft ons geleerd dat er inderdaad slechts één God is, maar tevens dat dit leven van deze éne God zich ontvouwt in drie Personen, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Maar de grondbelijdenis blijft: Er is één God en God is één. Nog vóór de belijdenis van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is er de belijdenis van de éne God. Ons gebedsleven moet dan ook allereerst gekeerd zijn naar deze éne God, „want in Hem leven wij en bewegen ons en zijn wij; gelijk ook enigen van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook Zijn geslacht" (Hand. 17 : 28).

Wie is God?

De profeten van Israël worden niet moede ons in te prenten dat deze God geen onbewogen Gedachte is, maar een God die voortdurend handelend optreedt ten behoeve van Zijn volk, hetzij om het te beschermen tegen vijanden van buiten af, hetzij om Zijn volk te vermanen of te vertroosten.

Niets ontgaat aan deze God. En Jezus sluit zich helemaal aan bij die leer van het Oude Testament De hemelse Vader weet alles van ons: „En ook uw haren van het hoofd zijn alle geteld" (Mat. 10 : 30).

Deze God neemt ook steeds het initiatief. Hijzelf treedt met ons in verbinding en schenkt Zijn Zoon als zoenmiddel voor onze zonden, toen wij nog vijandig tegenover God stonden. Hijzelf sluit een genadeverbond met ons. Dat gaat eenzijdig van Hem uit, want wij wilden dat eigenlijk niet.

Gods eigen wezen

Maar God is niet alleen Iemand die handelt, naast de vele mensen en engelen die ook handelend optreden. Hij is ook Ierland met een eigen natuur, een eigen aard, totaal verschillend van de onze. En in Zijn genadige goedheid heeft Hij ook iets willen openbaren van dat innerlijke wezen van Hemzelf. Hij doet dat in Zijn Woord.

Met een variant op het gedicht van Guido Gezelle zou ik willen zeggen: „Als de ziele luistert, spreekt het Woord een taal die leeft".

Ik heb altijd de indruk gehad dat de protestanten, met name de calvinisten, daar niet veel oog voor hebben gehad Zij zagen God vooral als de Handelende, en daarom gemakkelijk als de Gebiedende, als een God die alles ordent en regelt Zeker, vanuit een innig geloof konden ze ook bij Hem rusten als bij hun Vader in Wie zij zich geborgen weten op grond van het verzoenende middelaarschap van Christus. Maar ook dat rusten had en heeft meestal iets van een rusten van de werken. En dat is ook op zichzelf volop bijbels. Immers: „want wie ingegaan is in zijn rust, heeft ook zelf van zijn werken gerust gelijk God van de Zijne. Laten wij ons dan benaarstigen om in die rust in te gaan" (Hebr. 4 : 10 - 11).

Een andere rust

Ik meen echter dat God in Zijn Woord nog een andere rust aan ons biedt nl. de rust in de geloofsaanschouwing van Zijn aanbiddelijke wezen.

Soms treedt die heerlijkheid van Gods wezen duidelijk in de teksten naar voren, maar die heerlijkheid straalt haar gloed door alle woorden van de Bijbel heen. Ik zou dat willen vergelijken met de zon, die zo juist is ondergegaan en die je dus niet ziet, maar die de hele hemel blijft kleuren: rood, oranje, geel en goud. Uit dat avondrood kun je enigszins opmaken, hoe groots het licht van de zon moet zijn. Misschien kunnen we nog beter de vergelijking maken met het morgenrood. Wij zien God niet rechtstreeks, maar Zijn glans is indirekt te bespeuren in het goud van de ochtendstond, in de woorden van de Bijbel.

Een duidelijk voorbeeld is Rom. 11 : 33 - 36. Nadat Paulus Gods verborgen heilshandelen met het volk Israël heeft beschreven, roept hij uit: „O diepte van de rijkdom, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen] Want wie heeft de zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen".

Deze woorden zijn niet zo maar een konklusie van Paulus uit het voorafgaande. Wanneer je die woorden proeft op de tong van je ziel, dan smaak je daarin iets van Gods glorie. Paulus dringt daar even door tot de diepten Gods. Het is alsof Gods licht even openwaaiert naar ons toe. Door deze woorden van Paulus klinkt de aanbiddende verwondering. Hier is een geloofsaanschouwing van de majesteit Gods.

De christen-mystici der eeuwen

Een weerglans van deze geloofsbeleving van Paulus is te bespeuren bij de mystici van de kerk der eeuwen. Ook bij hen valt iets te beluisteren van wat Paulus heeft meegemaakt „En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied is, weet ik niet, God weet het), dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken" (2 Kor. 12:3-4).

Ook zij zijn opgetrokken geweest in God. Zij verkeerden in ekstase (ek = uit; stase komt van stasis=staan; dus: buiten zichzelf staan). Deze ekstase kan volkomen rustig gebeuren. Ik meen zelfs dat de kern van de echte ekstase een diepe stilte is. Je wordt dan weggetrokken van jezelf, zodat het lijkt alsof je buiten jezelf staat. Paulus schrijft immers ook dat hij niet meer weet of dat zich in of buiten het lichaam voltrok.

Die ervaring komt over de mysticus zoals de wind ineens kan opsteken en over de velden gaat waaien. De ekstase overvalt hem. Het is dan alsof hij in de wolk Gods gehuld wordt. Hij heeft dan even - het duurt zelden lang- zulk een diepe gemeenschap met God dat het lijkt alsof hij iets van het wezen van God Zelf schouwt. In die momenten is er een intense verrukking, die met geen woorden zijn te beschrijven. De ervaring van de Heilige Geest die je aangrijpt en je naar Christus uitdrijft, is nog enigszins, zij het tastend, te verwoorden. Maar ditgeloofszien van de heilige God gaat de menselijke begrippen, en daarom ook de menselijke woorden, verre te boven.

De mysticus treedt dan een andere wereld binnen, een wereld waar alles heilig en zuiver is. Het is een stille verrukking. Het is verwondering, eerbied, nameloze eerbied Dan schreit het in je, dat wel, maar het zijn de tranen van de herkenning, omdat je dan zo dicht staat bi j je Schepper, die bron uit Wie je bent voortgevloeid door Zijn machtige Schepperswil. Dan beleef je even, hoe God jou als mens bedoeld had nl. als Zijn evenbeeld en gelijkenis. Dan ben je Zijn natuur deelachtig (2 Petr. 1:4). Dan smaak je Zijn goedertierenheid (1 Petr. 2:3; ps. 34:9).

Niemand kan Gods aangezicht zien

Dan ervaart men God als God, dus niet als Vader, Zoon of Heilige Geest. Jesaja beschrijft deze beleving in zijn roepingsvisioen. „In het jaar, toen koning Uzzia stierf, zo zag ik de Heere, zittende op een hoge en verheven troon en Zijn zomen vulden de tempel" (Jes. 6:1).

Dat is het typische van de beleving van de mysticus. Nooit ziet hij God rechtstreeks. Jesaja zag slechts de zomen van het kleed van God. Dat lezen we ook in Ex. 24 : 10: „En zij zagen de God van Israël en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen en als de gestalte des hemels in klaarheid". En vol verbazing vertelt Mozes: „Doch Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen Israëls; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden".

Want als Mozes enige tijd later aan God vraagt: „Toon mij nu Uw heerlijkheid" (Ex. 33 : 18), dan antwoordt Hij: „Mij zal geen mens zien en leven". De Heere schenkt hem dan wel déze gunst: „Gij zult Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden" - „Gij zult Mij van achteren zien, want Mijn gelaat zal niemand zien." RK Vert (vs. 23).

Ook aan Elia openbaarde God Zich niet rechtstreeks, maar slechts in „het suizen van een zachte stilte" (1 Kon. 19 : 12).

Uit al die voorbeelden blijkt echter wel dat het gaat over een ervaring van God als God, zij het dan op indirekte wijze, als de nagloei van de avondzon of als het vooruitsturen van de glans van de dageraad door de morgenzon.

De reinigende vuurkool

En toch kan een mens dan zozeer vervuld worden met ontzag, dat hij het nauwelijks meer kan uithouden. Jesaja schreef: „En (de serafs) zeiden: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heerscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! zodat de posten van de dorpels zich bewogen van de stem van de roepende; en het huis werd vervuld met rook. Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga, daar ik een man ben van onreine lippen en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben de Koning, de HEERE der heerscharen, gezien".

Maar dan komt een van de serafs naar hem toe met een gloeiende kool van het altaar in zijn hand. Hij raakt daarmee de lippen van Jesaja aan en dan zegt de seraf: „Uw zonden zijn verzoend". Dat is duidelijk het beeld van de verzoening, die van de offerande van Christus uitgaat. Door het geloof mogen wij nu weten dat wij niet meer hoeven te naderen tot de berg Sinai', die zelfs Mozes met vrees en beven vervulde (Hebr. 12 : 21), maar dat wij mogen opgaan naar „de berg Sion en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem… en tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed der besprenging".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

GOD IS ÉÉN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1980

In de Rechte Straat | 32 Pagina's