DE BIDDENDE KERK
Onder deze titel verscheen een bundel studies over het gebed, aangeboden ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Theologische Hogeschool te Kampen, onder redaktie van dr. C. Trimp, prijs ƒ 27,50. Kan ook bij ons besteld worden. Terecht wordt op de omslag vermeld dat dit boek niet een verzameling is van populaire verhalen of meditaties over het gebed, maar wel van opstellen met theologisch gehalte.
Wij zijn erg blij met deze opstellen. Hoezeer ook allerlei meditatieve overdenkingen over het gebed van grote waarde kunnen zijn voor het geestelijke leven van veel christenen, toch moet de basis daarvoor gelegd worden door studies, die grondig nagaan wat de Schrift daarover zegt.
Abba-Vader
Het boek opent met een studie over „Abba, Vader". Door sommigen wordt reeds lang beweerd dat de naam „Abba" een voor de Joden stotend-familiaire klank zou hebben gehad. Dat woord zou dan het beste in het Nederlands kunnen worden weergegeven met „pappa". Dat zou dus inhouden dat de Heilige Geest ons ertoe zou brengen om God aan te spreken met de naam van „Pappa".
Prof. van Bruggen meent dat dit niet juist is. Hij schrijft: „De nieuwtestamentische schrijvers geven het altijd weer met „Vader, o Vader, mijn Vader" (Pater), maar nooit met het Griekse kinderwoord voor een vader: pappas, pappa, pappias" (p. 35).
Gebed en ascetiek
Dat is de titel van de zeer boeiende bijdrage van dr. J. Douma. Wij citeren daaruit:
Het lijkt een hachelijke zaak om in een tijd waarin de meeste theologen wereldomspannende activiteiten aan hun hoofd hebben, een oud vak onder het stof vandaan te halen dat hen naar het bidvertrek wil voeren: de ascetiek. Toch zijn we zo vrij aan dit vak z'n verdiende plaats in de theologische bezinning terug te geven.
Zelfs voor de naam behoeven we niet terug te schrikken. Hij kan misverstand wekken. Moet het christelijk leven ascetisch zijn? Worden we niet via Voetius en a Brakel naar een kloosterlijk leven geleid in plaats van het zicht op de wereld te houden?
Het is goed zich dat laatste niet te laten ontnemen. En daarom kunnen we beter aan Kuyper herinneren, die in 1880 bij de opening van de Vrije Universiteit de bekende woorden sprak: „ Geen duimbreed, waarvan de Christus niet roept: „Mijn"!", zonder die weer te vergeten toen hij enkele jaren later een uitgebreidpleidooi voerde voor het vasten. Het een kan dus met het ander samengaan, al lijkt dat in het rijke Westen, waarin ook theologen moeilijk verder komen dan praten over een nieuwe levensstijl, haast een onmogelijkheid.
Nu gaat het in de ascese niet om de onthouding, maar om de oefening. Het vasten is er voor het bidden, zodat die twee in de Schrift ook voortdurend samengaan (bv. Matth. 17:21; Lu2:37; Hand. 10:30; 13: 2v.; 14:23). De asceet is de zich trainende gymnast, die voor zisport wat laat staan om in conditie te komen en te blijven.
De beelden zijn bijbels. Een vuistvechter moet niet zo maar in de lucht slaan, doch zijn lichtuchtigen en het in bedwang houden (1 Cor. 9:26 v.). Dat past Paulus op zichzelf toe: hivelen tot Christus brengen, maar moet dan zelf niet afgewezen worden. Je moet rekening hmet wat Christus gezegd heeft over de hele wereld winnen en intussen schade lijden aan je ezielfMatth. 16:26). Dezelfde apostel roept Timotheüs op zich te oef enen in de godsvrucht. woord „gymnadzein" wordt hier gebruikt, afkomstig uit de sportwereld. Het geestelijk levvraagt training en training is er niet zonder onthouding. Hetgeen nog wat anders betekent onthouding om de onthouding. Want daartegen keert Paulus zich, als hij onmiddellijk lvolgen: „ de oefening van het lichaam is van weinig nut" (1 Tim. 4:8).„ Bedoeld is niet wagymnastiek noemen, maar het zichzelf op lichamelijk gebied allerlei beperkingen opleggenzou men daardoor iets bereiken op de weg der verlossing. De apostel ziet in deze onthoudinthodiek op zichzelf weinig nut. Onthouding is beter dan losbandigheid en zij kan en moet ook in dienst gesteld worden van een hoger doel, vgl. bv. Mare. 9:29 (var. lect.), 1 Cor. 8:13. In die zin vergt het christelijk leven het in bedwang houden van de lichamelijke driftebegeerten, Rom. 13:14; 1 Cor. 9:27. Maar het zich daarop concentreren als doel in zichzelf brengt geen wezenlijk nut."
Geen ascetiek dus om onthouding te prediken. Er zijn hoofd- en bijzaken. Zo gaat het in ascetiek niet om het vasten naast het bidden, maar om het vasten ten behoeve van het bid (pag. 112-113).
Een biddend leven: Theodorus à Brakel
Dit is de titel van een paragraaf uit het opstel van Douma. We citeren:
Het is in deze nachtelijke oefeningen dat a Brakel de zoete gemeenschap met God smaakt op wijze die hij slechts bij benadering kan verhalen. Als de ziel zo met God en haar Zaligmakeliefde verenigd is, opgetrokken in God, in Christus, „ hoe zoude ik alle die zoete woorden prijzinge van Gods heerlijkheid ende Majesteit, liefde ende barmhartigheid, konnen verhdie de ziele als dan God ende haren Zaligmakergeeft. O daar is dan zo een zoetegemeenzame eeninge der liefde, ende zoete t'zamen sprekinge tusschen God ende de ziele ende haren Bgom Christum!" Dat is niet te verhalen of met woorden uit te drukken.
Er gebeurt wat ook Paulus is overkomen: de ziel wordt opgetrokken in God, en de geestevermaking en zoetigheid die in God is, vloeit in de ziel die met zijn tegenwoordigheid, volheiheerlijkheid vervuld wordt. Het is het begin van de hemel, met een gemeenschap hoger dtussen Adam en God (omdat Adams genade nog stond buiten de hoge genade en liefde van eeuwige ontferming in Christus) en dieper dan die van de engelen (omdat hun verheerlijkinGod niet uit bevinding is). (Pag. 98-99)
Ik ben het echter ook eens met de kritiek die Douma naar voren meent te moeten brengen. Theodorus a Brakel heeft niet voldoende het onderscheid gezien tussen het bewuste gebedsleven en de gebedshouding, die het leven van een gelovige kenmerkt, ook als hij zich niet bewust in het gebed tot de Heere richt.
Meester Eckhart heeft dat zó geformuleerd „Het echte bezitten van God hangt af van het hart, van een innige, geestelijke gerichtheid op God en van een innerlijk streven naar Hem, niet van een voortdurend en regelmatig aan Hem denken" (Uit De Bijbel en het Christendom, II p. 83).
Trappen in het geestelijk leven
Er zijn mensen, die meteen boos worden, wanneer er over verschillende graden van intensiteit in de gemeenschap met God wordt gepraat. Ze wijzen zo iets honend af. Ze willen niet weten van hogere begenadiging of van een second of third blessing. Alle christenen moeten volgens hen op hetzelfde niveau staan. Douma toont echter aan de hand van de Dordtse Leerregels aan dat dit niet juist is:
De Dordtse Leerregels onderrichten ons tenslotte ook over trappen in het geestelijk leven. Van hun verkiezing en zaligheid worden de uitverkorenen „te zijner tijd, hoewel bij onderscheidtrappen en met ongelijke mate, verzekerd" (1,12). De middelen moeten waargenomen en naatijd van „overvloediger genade" moet vurig verlangd worden. Het „hoe langer hoe meer" uiHeidelbergse Catechismus (antw. 115) keert terug in de Leerregels die de gelovige op de weg de heilige oefeningen plaatsen. De gelovigen moeten „ zich zonder ophouden benaarstigen en bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat zij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld vernieuwd worden", zegt de Catechismus. Aan deze voortgangpaart zich Gods genade, diweg naar de volmaaktheid steeds overvloediger wordt geschonken. (pag. 111)
Wij menen dat deze citaten voldoende zijn om u enigszins het waardevolle van dit
boek te laten aanvoelen. We hebben echter ook een paar
Vragen
Prof. Dr. H. J. Schilder schrijft: „Het koningschap van Saul, en daarna dat van David, is een geschenk van het roepen, klagen, pleiten, bidden niet alleen van het volk en van de voorbidder Samuël, maar reeds van het gebed van Hanna" (p. 118). Ik heb daar grote moeite mee. Het vragen van het volk om een koning wordt immers aldus door de Heere Zelf gekarakteriseerd: „Zij hebben u niet verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn" (1 Sam. 8:7). Hoe kan dan dit vragen gezien worden als een waarachtig bidden voor Gods aangezicht, wanneer de Heere als achtergrond van dit vragen ziet een verwerpen van Hemzelf als Koning?
En verder lezen we: „Maar dit woord was kwaad in de ogen van Samuël, als zij zeiden: „Geef ons een koning om te richten" (vs. 6). Hoe kunnen we dan nog staande houden dat Samuël om het koningschap gebeden zou hebben?
Schilder schrijft ook nog: „Daarbij (in het boek Richteren. HJH) wordt er refreinmatig nadruk op gelegd dat Israël in machteloosheid verzinkt, wanneer het geen koning heeft. Hiermee eindigt het boek, 21 : 25, en dezelfde klacht was reeds eerder te beluisteren (17 : 6; 18 : 1; 19 : 1). Met andere woorden, Richteren demonstreert de noodzaak van het theocratische koningschap" (p. 120-121).
Is deze konklusie echter wel juist? Zou in het licht van Sam. 8 dat droevige refrein niet deze betekenis kunnen hebben: De Heere had rechtstreeks Zijn volk als Koning willen leiden. Hij zou dat doen door op Zijn tijd de nodige richters en profeten op te wekken. Maar dan verwachtte Hij dat zij in gelovige afhankelijkheid zich voortdurend tot Hem zouden wenden in het gebed, opdat Hij uitkomst zou geven in hun noden. Israël heeft echter dat diepe geloofsvertrouwen niet kunnen opbrengen. Ieder deed maar wat goed of kwaad was in zijn eigen ogen. Daarom moest er wel een koningschap komen, maar de reden daarvoor was de hardheid van hun harten. En Samuël moet aan Israël aankondigen dat zulk een koning wel orde op zaken zal stellen, maar tevens het volk zal uitbuiten. En uit Zijn genadige goedheid gebruikt de Heere dan zelfs die komende koningen om de grote Koning, Christus, aan te kondigen en af te beelden; zoals de Heere wel vaker het goede haalt uit het kwade dat wij hebben gedaan. Maar de vraag om het erfelijke koningschap was zonde, was tegen Gods bedoeling. Israël had daardoor God Zelf als hun direkte Koning verworpen.
Een tweede vraag heb ik over de opmerking van prof. Douma: „Huisgezinnen waar het zo gebeurt (als in het gezin van Theodorus à Brakel - het houden van huisgodsdienstoefeningen. HJH), zijn als kleine gemeenten, waarvan Paulus in Col. 4:15 en 1 Kor. 16 : 19 spreekt" (p. 100).
Ik waag het te betwijfelen of dit een juiste exegese van die teksten is. Immers dan zou Paulus die huisgezinnen als voorbeelden van echte bijbelse huisgezinnen hebben gesteld tegenover de andere huisgezinnen in Efeze en Laodicea, nl. als kleine gemeenten. Ik meen dat uit niets blijkt dat dit de bedoeling van Paulus is geweest Integendeel, de tekst wijst in een andere richting. Er staat: „Groet Nympha en de gemeente, die bij haar aan huis is" (tèn kat' oikon autès ekklèsian". Kol. 4 : 15). Als Paulus het als prof. Douma had bedoeld, dan had er moeten staan: „Groet Nympha en haar huisgezin, dat als een gemeente is".
Ik meen dat de meest voor de hand liggende verklaring is: Binnen de éne gemeente te Laodicea („Groet de broeders, die in Laodicéa zijn en…") en te Efeze (1 Kor. 16 : 19) waren er broeders en zusters, die in het huis van Nympha en van Aquila en Priscilla als kleine gemeente ook, dus niet uitsluitend, afzonderlijk samenkwamen.
Een bepaalde weerzin moest ik overwinnen, toen ik de bijdrage van prof. Kamphuis ging lezen: „Gebed en excommunicatie in de Kerkorde".
Een eerste reden van die weerzin was de herinnering aan de schorsingen en uitzettingen, die tot gevolg hebben gehad in 1944-1945 dat de Vrijgemaakte Kerken ontstonden en die enkele jaren later weer tot gevolg hadden dat de Vrijgemaakte Kerk buiten Verband ontstond. Het stuit mij tegen de borst dat broeders en zusters toen buiten de kerk werden gezet en dat ook toen dat gepaard zal zijn gegaan met gebed aan beide kanten, zowel van de uitgezetten als van de uitzetters.
En een tweede reden van weerzin was dat het gebed over zo iets droevigs als de noodzaak van het breken van de broederband gebaseerd wordt op een kille bepaling van een door mensen opgestelde kerkorde.
Maar leest u het zelf, dan kunt u nagaan of mijn weerzin terecht was of niet. Wij moeten ons immers niet laten leiden door gevoelens, ook niet gevoelens van weerzin, maar door het Woord Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1980
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
