PROFETIE OF FANTASIE?
Onder deze titel is een bundel overdenkingen verschenen over geestelijke bewegingen, die in onze tijd bijzonder onze aandacht vragen. Het boek staat onder redaktie van Ir. J. van der Graaf en ds. C. Snoei en is verschenen bij „Echo" in Amersfoort. Wij zouden dit zeer waardevolle boek graag bij u willen aanbevelen. Daartoe dienen dan onderstaande beschouwingen.
Ketterse onderscheidingen
Vooraf wil ik echter enkele vragen en bedenkingen naar voren brengen om daarna met des te meer vreugde te kunnen citeren uit al het rijke dat ons in deze bundel geboden wordt.
Die bedenkingen heb ik tegenover de bijdrage van dr. J. Broekhuis: „De onbetaalde rekeningen van de kerk (over groepen en sekten)". Dat geldt met name zijn schematisering in „sektarische groepen, sekten, groepen met sektarische neigingen". Onder deze laatste rekent hij dan o.a. de B.E.Z., Campus Crusade, de Navigators, Youth for Christ.
Dat onderscheid deed mij denken aan het r.-k. kerkrecht, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen „verdachten van ketterij, ketters en te vermijden ketters". In can. 2316, 2319 par. 2, 2320, 2332, 2340 par. 1 en2371 wordt omschreven wie als verdachten van ketterij (suspecti de haeresi) moeten beschouwd worden en in can. 2315 welke straf zij moeten ondergaan, wanneer zij, na vermaand te zijn, de grond van de verdenking van ketterij niet hebben weggenomen.
Vervolgens zijn er nog heel wat meer canones van het Kerkelijke Wetboek, die handelen over de echte ketters. Wat de straf betreft: alle ketters, dus b.v. alle protestanten, belopen automatisch de r.-k. kerkelijke ban. Officieel moet een protestant die rooms wordt, dan ook eerst ontslagen worden van deze ban. Tegenwoordig zullen veel priesters, althans in Nederland, die kerkelijke bepaling wel aan hun laars lappen.
En dan is er nog een bepaald soort ketters, die gestraft worden met de „excommunicatio pro vitandis", een kerkelijke ban, op grond waarvan zij vermeden moeten worden. Krachtens can. 2259 par. 2 mogen deze geëxcommuniceerden niet alleen niet deelnemen aan de communie (deelnemen aan de r.-k. viering van het Avondmaal), maar ze mogen zelfs niet de mis bijwonen. Willen ze dat tóch, dan moeten ze desnoods met geweld uit de kerk verwijderd worden. Ze mogen niet op gewijde grond, dus op een rooms kerkhof, begraven worden en als dat toch is gebeurd, dan moeten hun lijken later worden opgegraven om in profane grond gestopt te worden (aldus can. 1242).
Kerkelijke rechter?
Vanuit deze achtergrond kunt u misschien begrijpen dat ik een tegenzin kreeg in deze indeling in drie soorten en nog meer in het onderbrengen van verschillende bewegingen onder één van die soorten. Stelt dr. Broekhuis zich, hoewel ongewild, dan toch niet op als een soort kerkelijke rechter? En verval je dan niet heel gemakkelijk in willekeur? Heeft dr. Broekhuis echt wel voldoende studie gemaakt van - om maar één voorbeeld te noemen - de Belgische Evangelische Zending om gerechtigd te zijn die kerken het brandmerk op te drukken van „groepen met sektarische neigingen"? En zou hij daartegenover niet veel beter sommige kerken, waar de deur van het Evangelie nauwelijks op een kiertje wordt opengezet en waar elke evangelische vreugde meteen verdacht wordt gemaakt, niet minstens evenzeer moeten noemen onder de groepen met sektarische neigingen?
Vermoedelijk heeft dr Broekhuis konkreet willen zijn voor de eenvoudige kerkmensen. Door alles met de vinger aan te wijzen maak je het hen erg gemakkelijk. Maar maken we het hen op deze manier niet te gemakkelijk? Leren we hen dan niet op een onbijbelse (roomse) manier te vertrouwen op wat de kerkleiders zeggen?
Is het niet veel beter de dwaling tegemoet te treden in de kracht van de liefde en van de levende waarheid? Onder degenen die door dr. Broekhuis gerangschikt worden onder de „groepen met sektarische neigingen", bevinden zich heel wat oprechte gelovigen, die zich geheel inzetten voor de zaak van Gods Koninkrijk met een ijver, die we bij veel kerkmensen missen. Zij belijden met ons de redding door Christus, door genade en geloof alleen. Zou het in overeenstemming zijn met Paulus, die zozeer verkondigt dat wij elkaar moeten aanvaarden, wanneer wij deze broeders en zusters aldus openlijk van ons afstoten? Ik meen van niet.
Imitatie?
Met veel instemming las ik de bijdrage van drs. Exalto over „Geest en ambt". Toch zijn er na lezing een paar vragen overgebleven.
Bijzonder goed vond ik zijn opmerking in de richting van sommige (al te) vrije groepen:
„Maar is de Geest dan niet vrij, kan men zeggen. Hij is even vrij als Hij in volledige vrijheid vrij wil zijn. Wij mogen Hem niet een vrijheid opdringen die Hijzelf niet begeert". Maar minder goed kan ik mij vinden in het volgende: „Men kan zeggen: Maar wij trachten in onze groepen dat oude christelijke samenleven juist te herstellen. Onze vraag is dan: wat is dat anders dan imitatie? De pogingen die daartoe steeds weer in de geschiedenis der kerk ondernomen zijn, heben bitter weinig opgeleverd. Ze liepen uit op verwilderingen ondergang" (p. 122). Hierover graag de volgende vragen:
1. Is het niet gevaarlijk, als we een poging om terug te keren naar bijbelse vormen van gemeente-zijn, een imitatie noemen? Welk weerwoord hebben we dan nog tegenover hen die het samenwonen zonder getrouwd te zijn en de homosexuele verbintenis, vormen die door de Bijbel veroordeeld worden, ook verdedigen met eenzelfde argument: We mogen de ethische vormen van het NT niet zonder meer overnemen; dat is imitatie?
2. De Reformatie is een terugkeer geweest, niet slechts naar de inhoud van de bijbelse verkondiging, maar ook naar meer bijbelse vormen van gemeente-zijn. De Reformatoren hebben het pausdom afgewezen met een beroep op het NT. Het herstel van de bijbelse vorm van gemeente-zijn, waarbij niet één persoon over de gemeente heerst, maar waarbij de gemeente geleid wordt door het college van ouderlingen, hebben zij niet beschouwd als imitatie van de Nieuw-Testamentische gemeente. En als anderen dan nog verder gaan en zeggen: „We moeten ook ruimte geven aan de profeten, zoals Paulus dat doet in 1 Kor. 14", waarom zou dat dan meteen als imitatie moeten worden afgewezen?
3. In elk geval is de poging van de Reformatie om terug te keren naar een meer bijbelse vorm van gemeente-zijn, zeer gezegend; daarin zal drs. Exalto het zeker met mij eens zijn.
Dat zijn dan enkele weder-vragen op de vraag die drs. Exalto stelde: „Wat is dat anders dan imitatie?".
Israël
In dit boek komt herhaalde malen een oproep voor om ons opnieuw te bezinnen op het vraagstuk Israël. Hebben we in het verleden Israël als volk niet al te gemakkelijk volkomen van de kaart geveegd. Ir. v.d. Graaf haalt verschillende argumenten naar voren, die ervoor pleiten dat we mogen uitzien naar een bekering van „gans Israël". Hij schrijft o.a.: „Mogen we niet zeggen dat het,. tot het einde" van 1 Thess. 2 verband houdt met het „totdat" uit Rom. 11:25, zodat we zeggen mogen dat de toorn inderdaad over Israël is gekomen, maar tot het door God bepaalde einde?" (p. 53).
Ook ds. G. Hette Abma denkt in diezelfde richting: „De trouw van God is gelukkig oneindig veel groter dan de schuldige afwijzing van de Messias door Israël. Niet het ontrouwe volk spreekt het laatste woord, maar de getrouwe Verbondsgod. Wie anders wil denken, komt onherroepelijk in remonstrantse vaarwateren. Gelukkig zijn de genadegiften en roeping van God onberouwelijk (Rom. 11 : 29)" (p. 65).
Ook aangaande het duizendjarige rijk vraagt Abma terecht om een herbezinning. „Het kerkelijke denken over deze zaken is eeuwenlang op beslissende wijze gestempeld geweest door de inzichten van Augustinus. Volgens deze kerkvader is het onschriftuurlijk om te veronderstellen dat Israël nog zal delen in bijzondere privileges" (p. 65). Augustinus was zozeer onder de indruk gekomen van het edict van keizer Constantijn in 325, toen het christendom tot staatsgodsdienst werd verklaard, dat hij meende dat daarmee het duizendjarige rijk was aangebroken.
Abma zegt echter: „Het Oude Testament staat vol met onvervulde profetieën. We kunnen deze woorden niet wegens vermeende onuitvoerbaarheid doodzwijgen. We mogen ze ook niet door onze vergeestelijking laten buikspreken. De profeten spreken niet over het Koninkrijk Gods als een geestelijk begrip, maar als het goddelijk bestuur over de tastbare aarde" (p. 66).
De charismatische beweging
Bijzonder blij ben ik ook met de uiteenzetting van ds. Bouw over de charismatische beweging. Hij probeert het positieve in deze beweging naar voren te halen, en daar ben ik blij om. Maar ik meen dat hij zich toch wel wat kritischer had mogen opstellen. Hij schrijft:
„Allereerst zou ik er op willen wijzen dat de zgn. historische kerken bijzonder veel kunnen leren van wat er binnen de charismatische vernieuwing plaats vindt. Wie op een ongenuanceerde wijze alles wat er in de charismatische beweging leeft, afwijst, heeft onvoldoende deze beweging leren kennen en doet te kort het Nieuw- Testamentische getuigenis aangaande de persoon en het werk van de Heilige Geest" (p. 93).
„Wat we vooral nodig hebben is een geest van verootmoediging en schuldbelijdenis over de zondige verdeeldheid van de kerken, die zich naar de Reformatie willen noemen. We mogen de charismatische beweging niet beschuldigen van een niet voldoende aandacht hebben voor kerkelijke strukturen, wanneer we zelf vaak nauwelijks verontrust zijn over „tien keer gereformeerd". Is er vaak niet meer sprake van een kerkistische zelfhandhaving dan van gehoorzaamheid aan de Schrift?" (p. 104).
Gaven van de Geest
Ook de bijdrage van ds. G. Biesbroek over „De gaven en de vrucht van de Heilige Geest" heb ik met veel instemming gelezen. Ds. Biesbroek is het niet eens met hen, die menen dat deze gaven des Geestes alleen bestemd waren voor de begintrjd van het christendom. Zo schrijft hij:
„Konkluderend mogen we dus op grond van de Schrift zeggen dat de gave van het spreken in tongen niet iets is dat per se beperkt moest blijven tot de beginfase van de christelijke kerk. We mogen er dus om bidden".
Ik ben het ook geheel met hem eens, wanneer hij daaraan toevoegt: „Alleen moeten we ons wel realiseren dat het spreken in tongen niet aan allen gegeven wordt en ook niet hèt bewijs is van de vervulling met de Heilige Geest, zoals men dat in pinksterkringen stelt" (p. 133-134).
De doop met de Heilige Geest
Daarover schrijft ds. C. den Boer vanuit de Schrift met grote openheid. We citeren: „Houden we vast dat de gave van de Heilige Geest (zoals de doop met de Heilige Geest ook wel genoemd wordt) steeds komt in de weg van bekering en geloof, maar dat zij tegelijk toch ook een verdieping betekent, die er de dimensie van Pinksteren aan geeft. Geen plus in de zin van een extra gift, los van het voorafgaande. Maar een uitbouw en doorbraak van wat er reeds was door de krachtige werking van de Pinkstergeest. Het kind wordt een man in Christus" (p. 150).
„Soms is de doop met de Heilige Geest iets dat onmiddellijk volgt op het komen tot bekering en geloof. Soms volgt hij eerst (veel) later. Duidelijk is in ieder geval dat men deze doop met de Heilige Geest niet kan beschouwen als een niet noodzakelijk toevoegsel". „Wij zouden onszelfzeer te kort doen, als wij niet zochten te leven uit de volheid van Christus, waarmee de Geest van Pinksteren onder ons woont" (p. 151-152).
Naar aanleiding van Hand. 4 : 31 schrijft hij: „Blijkbaar is het vervuld worden met de Heilige Geest geen eenmalige zaak. Het herhaalt zich. Het is in elk geval niet iets, waarover men eens en voor altijd beschikt. De Heilige Geest komt dan ook steeds weer opnieuw in Zijn doorbrekende kracht in een weg van hartelijke toewijding aan God. Hij komt in de weg van het gebed" (p. 154).
Uit deze citaten blijkt voldoende de grote waarde van dit boek dat we dan ook van harte bij u aanbevelen. U kunt het ook bij ons bestellen. Prijs ƒ 18,90 plus verzendkostenƒ 2,75, totaal dus ƒ21,65. Uitgave Echo, Amersfoort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
