In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

BARAK NR. 9

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BARAK NR. 9

7 minuten leestijd

In september 1960 werd Brazilië opgeschrikt door het verschijnen van het dagboek van Carolina Maria de Jesus. Een journalist, Audalio Dantas, ontmoette Carolina, die woonde in een van de achterbuurten van Sao Paulo, toevallig op straat, hoorde van haar dagboek, dat zij gedurende vijf jaar in een aantal oude, uit de vuilnisbak opgediepte schriften had opgetekend, las het en besloot onmiddellijk het uit te geven. Het verwachte resultaat bleef niet uit: er ging een schok door het land.

Een boek, geschreven in de hel

Met slechts twee jaar lagere school schreef Carolina geen litterair meesterwerk. Maar haar stijl is direct en aangrijpend. Zij vertelt van de favela, de houten-ketenbuurt, waar zij met haar drie onwettige kinderen, elk van een andere vader, woont. Mannen heeft zij leren wantrouwen. Om brood en rijst te kunnen kopen raapt zij papier en oud ijzer, verkoopt het en is blij met de paar kwartjes die het opbrengt. De buurt is een hel. Haat, jaloezie, alcohol, ziekte en honger bepalen het leven van de dag. Vooral de honger: die is er altijd en wordt steeds erger.

Bij een petroleumlamp schrijft de vitale Carolina 's nachts haar dagboek. In korte, primitieve zinnen schetst zij een leven, waarvan de wereld geen vermoeden heeft.

Na veel zoeken

„Barak nr. 9"is de titel van de Nederlandse vertaling van het boek van Carolina Maria deJesus. Ik had het in Buenos Aires mogen inzien ten huize van dr. René Padilla. Ik probeerde de Engelse vertaling te krijgen. Het was daar echter allang uitverkocht. Dhr. Griffiths stuurde mij echter een exemplaar te leen uit een Britse bibliotheek.

Ds. van Hattem van Ponta Grossa schreef mij dat er ook een Nederlandse vertaling moest zijn, want de kolonie van Carambei in Brazilië bezat een exemplaar. We belden verschillende Nederlandse antiquariaten op. Nergens meer verkrijgbaar. Gelukkig echter kon ik een exemplaar te leen krijgen van de bibliotheek van de Rijksuniversiteit van Utrecht. En daaruit citeren wij dan. Allereerst iets uit de inleiding door de vertaalster, mevr. J. v.d Besselaar-v.d. Kallen:

Het uitbraaksel van een monster: São Paulo

São Paulo, de snelst groeiende stad ter wereld! De stad met haar enorme fabriekscomplexen, imposante wolkenkrabbers, verblindende lichtreclames, talloze filmpaleizen, de fascinerende stad, die haar rijkdom en weelde overmoedig ten toon spreidt en waar het geld voor het rapen lijkt te liggen. Auto's jakkeren langs brede boulevards; iedereen heeft er haast om zijn aandeel in de welvaart te bemachtigen. Het is een wereldstad in de steigers: overal wordt gebroken en gebouwd. Er zijn prachtige villawijken, waar de koffiekoningen resideren, met wie de nieuwe adel - de grote industriëlen - in pracht en praal wedijvert.

Naar deze lokkende stad trekken jaarlijks duizenden Brazilianen uit het binnenland, vooral uit het Noorden, om er hun geluk te beproeven. De stad puilt uit en wordt monsterachtig groot. De buitenwijken worden wanordelijk volgebouwd met onooglijke hutjes, niet veel beter dan die in het binnenland. Enige jaren later worden ook die hutjes verdrongen door betere huizen. Niet te stuiten is de groei van deze dynamische stad. En de arme drommels zoeken hun heil weer verderop.

Maar ook in de binnenstad komen deze armzalige achterbuurten voor. Op driehonderd meter afstand van de grote Avenida Tiradentes, die de stad verbindt met de grote autobaan naar Rio de Janeiro, stroomt de rivier de Tietê. In de onmiddellijke omgeving van deze Avenida zijn er nog straten met stenen huizen, maar al gauw houden de straten op en begint een ander Sao Paulo, minder bekend, maar niet minder reëel. Het is een modderig stuk grond, dat zich uitstrekt tot aan de rivier, waar een groep armen hun hutten hebben opgeslagen. Ze zien er zo mogelijk nog ellendiger uit dan de hutten in het binnenland, omdat alle binding met de natuur hier verdwenen is. Dit is geen primitiviteit meer, het is stadsafval. Hier geen bamboe of leem, maar wat oude planken, blik en karton. Hygiëne is er een onbekend begrip. Vuile, afstotende armoede. En een nog grotere morele ellende. Uitgestotenen, die van het vuilnis van de rijke stad leven. Driehonderd meter verder begint het asfalt, het comfort, het vertier, het menselijk leven. Hier leeft de mens in een sub-humaan stadium. Dit is geen begin, maar een eind.

Het leven is onverbiddelijk voor de armen

Zulk een achterbuurt heet in Brazilië favela. De schrijfster van dit boek, Carolina Maria de Jesus, heeft jarenlang met haar drie kinderen in de favela van de Tietê in Sao Paulo gewoond.

Carolina, een negerin, die trots is op haar zwarte huid, is in 1914 geboren in het plaatsje Sacramento in de Staat Minas Gerais. Ze heeft twee jaar lagere school gevolgd, waar ze leerde lezen en schrijven. Toen besloot haar moeder- van haar vader spreekt ze niet in haar dagboek - op een fazenda te gaan wonen, zodat de mogelijkheid om nog langer naar school te gaan voor haar ophield. Eerst huilde het begaafde meisje erg,omdat ze het zo jammer vond, dat ze niet meer naar school kon. Ze had zelfs onderwijzeres willen worden. Maar het leven is onverbiddelijk en vraagt kleine meisjes van haar soort niet, wat zo zoal graag willen. In 1937 besloot zij te doen, wat zovelen anderen deden en nog doen: zij nam de trein naar Sao Paulo. Toen ze daar aankwam, dacht ze, dat er een groot feest was: zoveel mensen op straat en zo goed gekleed! Ze werkte lange tijd als dienstmeisje in verschillende huizen, tot ze een kind kreeg: Joao José. Toen werd het moeilijker voor haar om als dienstmeisje emplooi te vinden. In 1945 kwam ze in de favela aan de rivier de Tietê terecht. Daar kreeg ze nog twee kinderen erbij: José Carlos en Vera Eunice. Ze woonde er in Rua A- de straten worden er met letters aangeduid - Barak no. 9- In die keet schreef Carolina haar dagboek in twintig schriften, die ze voor het merendeel in vuilnisemmers gevonden had. Want zó verdiende Carolina vele jaren haar karige kost: ze raapte papier, oud ijzer en vodden, en kon geen vuilnisemmer voorbijgaan zonder erin te snuffelen.

Zo begint het dagboek:

15 juli 1955

Verjaardag van mijn dochtertje Vera Eunice. Ik was van plan een paar schoenen voor haar te kopen. Maar de duurte van de levensmiddelen verhindert je te doen wat je zo graag zou willen. Tegenwoordig zijn we slaven van de duurte. Ik heb een paar schoenen in de vuilnisemmer gevonden, ik heb ze gewassen en opgeknapt om ze haar te laten dragen. Ik had geen rooie cent om brood te kopen. Dus maakte ik drie flessen schoon, en ruilde ze in de winkel van Arnaldo. Hij hield de flessen en gaf mij brood. Ik ging het geld ontvangen voor het papier. Ik kreeg er 65 cruzeiros voor. Ik kocht voor 20 crs. vlees, 1 kilo spek en 1 kilo suiker en voor 6 crs. kaas. En het geld was op.

Ik ben gewend aan de slechtheid van de mensen

28 juli

Ik ben ontdaan. Ze hebben mijn vijf zakken die in gebruik om papier te rapen, verbrand. Ik voel geen wrok. Ik ben al zo gewend aan de slechtheid van de mensen. Ik weet dat ik de zakken erg zal missen.

In een volgend nummer hopen we meer uit dit boek te citeren.

ARGENTINIË

In A rgentinié had ik een gesprek met een predikant, wiens naam ik veiligheidshalve niet noem. Ik maakte enkele aantekeningen, die ik hieronder laat volgen.

Argentinië wordt in feite geregeerd door ongeveer 50 families, die de kapitaalbezitters zijn. Ze brengen het grootste gedeelte van het jaar door in het buitenland in een altijd durende vakantie als in een luilekkerland. Ze hebben hun mannetjes in Argentinië die hun zaken behartigen en die ervoor zorgen dat het geld hen blijft toestromen in hun luie ligstoelen aan lekkere stranden.

Wanneer een regering een klein beetje doet voor het welzijn van de armen, dan zorgen deze 50 rijke families ervoor dat die regering gewipt wordt.

Argentijnen die wat al te duidelijk protesteren tegen deze schending van mensenrechten, tegen deze moderne slavernij, verdwijnen geruisloos om nooit meer terug te keren. Ze worden over de grens tussen dood en leven gezet. Een heel enkele krijgt verlof om naar het buitenland te gaan en mag dus in leven blijven. Helaas werkt de R.-K. Kerk met de regering mee. Dat komt, omdat zij met gouden banden aan de regering is vastgeklonken. Elke priester krijgt 80 procent van het inkomen van een jurist. Dat is een riant salaris. De R.-K. Kerk móét dus wel haar mond houden.

In Brazilië zijn er nog al wat bisschoppen - en bisschoppen met naam, zelfs kardinalen - die zich onafhankelijk tegenover de regering opstellen. Maar hier in Argentinië niet.

De Argentijnen zijn over het algemeen wat verstandelijker, de Brazilianen zijn meer gevoelsmensen. Misschien is dat de reden, waarom de pinksterbeweging zulk een grote aanhang heeft in Brazilië en maar weinig leden telt in Argentinië. Argentinië telt vermoedelijk 400.000 protestanten, maar Brazilië zeker drie miljoen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

BARAK NR. 9

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's