In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

BIDDEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BIDDEN

15 minuten leestijd

Bidden is het teerste dat bestaat. In het gebed nader je tot de Heilige, de Eeuwige, de Schepper van alle dingen. Daarin keer je terug tot de Bron van je bestaan, tot de wil van Hem, die in oeroude tijden besloten heeft dat jij er zou zijn; jij, heel persoonlijk, met dat onherhaalbare leven, met al dat eigen lief en leed. En als gelovige nader je dan tot God, die „ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde" (Ef. 1 :4).

Maar al is het gebed dan nog zo teer, toch mogen wij het voor elkaar uitspreken. Een brief die ik aan mijn vrouw schrijf, wanneer ik een verre reis maak, zal ik nooit publiceren. Zij is mijn vrouw en ik ben haar man. En niemand heeft iets te maken met onze innige verbondenheid.

Maar God behoort niet aan mijzelf alleen. Integendeel, Hij is de Schepper van alles en van allen. Hem komt alle eer toe. En die lofzang die wij aan Hem toebrengen, moet zo innig mogelijk gekleurd zijn. Wij moeten Hem hulde brengen met ons ganse hart. De aanbidding moet opstijgen uit heel ons wezen. Zeker, formule-gebeden kunnen ook hun waarde hebben voor de gemeenschap van de gelovigen. Maar wanneer wij God alleen maar grootmaken in formulegebeden, is er iets mis. God noemt ons Zijn kinderen en Hij wil onze Vader zijn. En kinderen spreken tot hun vader toch ook niet alleen in formules. Ja, dat gebeurt wel eens bij een feest b.v. een huwelijksjubileum. Dan worden stukjes voorbereid om daarna opgevoerd te worden. Gedichten worden voorgelezen, toespraakjes, meestal doorspekt met persoonlijke herinneringen, worden op papier gezet. Maar dat zijn de uitzonderingen.

Het is echter onjuist, wanneer de uitzonderingen regel worden. Dan wordt het gezinsleven tot sleur. Juist de spontaneïteit geeft er de fleur en de echtheid aan.

Valse schaamte

U hebt gemerkt in ons blad dat ik voorzichtig ben geweest met de publikatie van persoonlijke gebeden. Ik heb geluisterd naar de argumenten, die daartegen werden aangevoerd. Ze hebben mij echter niet kunnen overtuigen. De enige reden, waarom ik dan toch dergelijke gebeden in ons blad niet meer publiceer, is de liefde, die altijd rekening wil houden met anderen en niemands gevoel kwetst (1 Kor. 13:5).

Toch zijn er grenzen. Laat ik konkreet zijn. Ik heb twee keer in ons blad geschreven over het bidden in tongen. Sommige lezers zullen wel vermoed hebben dat mijn beschrijving daarvan geen theorie of veronderstelling was, maar voortkwam uit persoonlijke beleving. Ik heb echter niet willen zeggen dat ik dat bidden in tongen ook zelf praktizeerde. Maar de heer G. Roos, journalist van het Reformatorisch Dagblad, vroeg mij dat op de man af, in een interview dat later in het RD gepubliceerd is. Toen kon en wilde ik er niet omheen draaien en heb dus bevestigend geantwoord.

Toch bleef ik mij daar een beetje voor generen. Als academisch-gevormde, na twee jaar studie van de filosofie, vier jaar studie van de r.-k. theologie en nog twee jaar van de protestantse theologie, kun je dat niet maken. Het is zo irrationeel. Het is beneden je stand als intellektueel.

Na het lezen van wat Lydia (zie p. 5) daarover zegt, ben ik tot de overtuiging gekomen dat het onjuist is om je daarvoor te schamen en het dus voor je zelf te houden. Ik bemerkte nl. dat ik enorm gesterkt, bevestigd en vertroost werd door wat zij vertelde.

Ik spreek méér in tongen dan gij allen (1 Kor. 14: 18)

En dat niet, omdat zij een persoon met gezag is. Nogmaals, ik had nooit van haar gehoord en ze zal ook wel nooit in een handboek voor de theologie geciteerd worden. Maar wél, omdat ik ervoer: Dat is het; zó heb ik het ook beleefd. Het is net of het een bevestiging is van de echtheid en de bijbelse juistheid van je eigen ervaring, wanneer je een andere gelovige hoort uitspreken wat God ook in jou uit genade bewerkt heeft.

Ik herinnerde me toen ook ineens dat Paulus schreef: „Ik dank mijn God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen" (1 Kor. 14 : 18). NB: Uit wat Paulus daar verder over schrijft, blijkt duidelijk dat hij daarmee niet een vreemde taal bedoelt, die hij heeft aangeleerd, maar een taal, al of niet bestaande, die uit zijn geest voortkomt.


GEEF ALTHANS HET RIJKE WOORD AAN DE ZEER ARME KINDEREN VAN DE ESTADO DO ESPIRITO SANTO (STAAT VAN DE HEILIGE GEEST) IN BRAZILIË.

ELK NIEUWE TESTAMENT KOST ƒ 2,63. ER ZIJN ER 200.000 NODIG. GIRO 901.000 t.n.v. 1RS TE VELP. MET VERMELDING: NTEsp.


Paulus erkent dus openlijk dat hij in tongen bidt, en nog wel: méér dan gij allen. Hij doet dat om de Korinthiërs een beetje tot bescheidenheid te brengen. Zij gaven blijkbaar geweldig op over die gave. En ze wilden die zelfs uitoefenen in de gemeente, zonder dat er een vertolking bij was. Naar aanleiding daarvan geeft Paulus dan zijn regels van orde:„ En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten hoogste drie, geschiede, en bij beurte; en dat één het uitlegge" (1 Kor. 14 : 27).

Tot onderlinge opbouw

Als Paulus zijn spreken in tongen al publiceert met het doel om de Korinthiërs te vermanen, dan ligt het zeker in zijn lijn, wanneer we daarover spreken of schrijven met het doel om elkaar op te bouwen in de gemeenschap van de Heilige Geest. Maar ik wil nu eerst hieronder laten volgen wat Lydia erover zegt. Op p. 41 vertelt ze dat ze bezig was met het lezen van 1 Joh. 1. De woorden: „En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij", hadden een intens gevoel van jubel in haar teweeg gebracht. Dan gaat ze in haar beschrijving aldus verder:

Na ongeveer vijf minuten, was ik weer voldoende bedaard om verder te kunnen lezen, waar ik gebleven was. Met enige moeite hield ik mijn gevoelens in bedwang, tot ik aan het eind van het zevende vers kwam: „…en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde."

Toen ik aan de laatste woorden kwam, die over het reinigen van zonde gingen, sprong de blijdschap opnieuw in me op. Ik was niet langer in staat om de woorden, die ik las, uit te spreken. Ik begon te stamelen, terwijl ik elke lettergreep twee of drie keer herhaalde. Ik moest beslist iets binnen in me tot uiting brengen en toch ontbrak het me aan woorden, waarmee ik dat kon doen en ook begreep ik niet, wat ik nu zo graag wilde uitdrukken.

Ik wachtte een ogenblik, tot de vreugde weer gezakt was en ging verder met lezen. Ik worstelde me door vers 8 heen, maar kon nauwelijks vers 9 afmaken: „Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid." Het woord reinigen liet de blijdschap weer hoog opstijgen zodat ik niet meer kon blijven zitten.

Tot op dat moment in mijn leven, was ik me er nooit zo bijzonder van bewust geweest, dat ik zonden had gedaan. Eigenlijk, als ik mezelf zo eens vergeleek met de mensen om me heen, vond ik mezelf wel goed. En toch bewerkten de woorden, die ik zojuist gelezen had, in mij een geweldig gevoel van reinheid. Ik zou nooit geloofd hebben, dat een mens zich zo schoon kon voelen. Mijn hele innerlijke wezen leek te zijn overstroomd met een geweldig stralend licht. Terugkijkend op mijn verleden, verwonder ik me erover, dat ik me nooit eerder had gerealiseerd, hoezeer ik Gods vergeving nodig had. In het licht van wat ik nu zag, waren woorden niet in staat om mijn dankbaarheid uit te drukken.

Ik probeerde niet langer te lezen en ging naar bed. Terwijl ik wachtte tot de slaap zou komen, wist ik, dat er mensen en situaties waren, waar ik voor moest bidden, maar elke keer als ik dat probeerde te doen, merkte ik, dat ik inplaats daarvan God aan het danken was, dat mijn schuld vergeven was en dat ik gereinigd was van al mijn zonden. Hoe meer ik God daarvoor dankte des te groter werd mijn blijdschap.

Plotseling merkte ik zoiets als een stem, die in mijn borstkas woorden sprak in de één of andere vreemde taal. „Erna had gelijk", dacht ik, „je hebt het overdreven en nu gaat het de verkeerde kant met je op!"

Ik legde mijn hand op mijn mond om de vreemde woorden te beletten naar buiten te komen - maar de druk in mijn borst nam toe. Ik durfde niet hardop te spreken, maar ik zei in mezelf: „God, als dit, wat binnen in mij is, niet van U komt, neem het dan alstublieft weg…"

Ik wachtte een poosje, maar de stem was er nog steeds. „God als u me deze woorden geeft", ging ik verder, „help me dan niet bang te zijn. Help me ze te accepteren!" Ik nam mijn hand van mijn mond.

Onmiddellijk begonnen de vreemde woorden, die ik in mijn borst gehoord had naar buiten te vloeien over mijn lippen en ik realiseerde me dat ik het zelfwas, die ze uitsprak. Het was moeilijk te geloven, dat ik naar mijn eigen stem luisterde. Welke taal sprak ik? Ik had een vrij goede kennis van zowel Engels als Duits, het was geen van beide. Hoe kon ik zo duidelijk woorden uitspreken, die ik nooit eerder had gehoord? En toch hadden ze een ritmische schoonheid die bijna klonk als poëzie.

Terwijl deze nieuwe manier van spreken maar door bleef gaan, werd de geweldige druk binnen in mij langzamerhand verlicht. Deze woorden in de onbekende taal spraken datgene voor me uit, waarmee ik zolang tevergeefs geworsteld had in mijn eigen taal. Hoe langer de woorden stroomden, des te dieper werd mijn gevoel van bevrijding en vervulling. Zoals een snelstromende rivier stukken puin voor zich uit drijft, zo spoelden deze onbekende woorden de laatste barrières van vrees en zelfbewustzijn weg. Tenslotte hield de taalstroom op en een diepe stilte volgde. Nooit eerder in mijn leven had ik zo'n volkomen ontspanning beleefd. Mijn gedachten en mijn lichaam waren beiden volkomen rustig. Mijn ogen waren gesloten en toch voelde ik mij niet slaperig.

Een zoete spanning ontlaadt zich

Ja, dat is het. Zo heb ik het ook ervaren. De aanwezigheid van de Heilige Geest in je en over je wordt als een heilige spanning, die zich ontladen moet. Ook ik kende die bange vraag: Is dit wel van God? „Het" komt immers helemaal van buiten. Je hebt het niet in je macht. En het dringt zich in je op en het dringt in je door. J e kunt het nauwelijks uithouden. Het is alsof je ziel uit elkaar dreigt te springen door een zoete en heilige kracht.

Maar die bange vraag verdwijnt meteen, wanneer ik met mijn verstand over de Bijbel strijk. Ik weet immers dat ik mijn zondigheid doorzie en belijd. Ik weet dat ik mijn vertrouwen geheel en al stel op Jezus Christus. En dan is het God Zelf, de hemelse Vader, die het mij persoonlijk verzekert: „Maak je geen zorgen; dit wat je overweldigt, komt van Mij; dit is Mijn Geest en de Geest van Mijn Zoon, die Ik over je heb uitgestort, opdat jij Onze Naam zult grootmaken; dit is Mijn genade; zo overlaad Ik hen die Mij liefhebben en zich laten reinigen door het bloed van Mijn Zoon, met onvoorstelbare zegeningen".

En ik herinner me dan het woord van Jezus: „En wat vader onder u, van wie de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven? Of zo hij om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven? Indien dan gij die boos zijt, uw kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal uw hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die Hem bidden?" (Lk. 11 : 11-13).

En dan geef ik mij daaraan over. Dan laat ik die Geest mijn ziel onder stroom zetten. Dan komt alles in mij tot beweging. Dan ben ik in de Geest beweging geworden.

Dan laadt mijn ziel en mijn mond zich met wonderbare klanken, die zich rijgen tot woorden en zinnen.

Wat is de inhoud van die vreemde taal? Ik weet het zelf niet precies. Maar wel is het één grote lofzang tot God. En die woorden worden soms overgoten met hemelse muziek. Dan wordt alles tot een lied. Dan weet ik mij één met de koren, die voor Gods troon Zijn heerlijkheid bezingen en waarvan we de echo vernemen in het laatste Bijbelboek. Het refrein is altijd weer: „Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was en Die is en Die komen zal" (Openb. 4 : 8).

Dan merk ik inderdaad dat mijn lichaam een tempel is van de Heilige Geest: „Of weet gij niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, die in u is, Die gij van God hebt, en dat gij van uzelf niet zijt?" (1 Kor. 6 : 19). Dat weet ik dan niet alleen, maar ik ervaar het. Want alles in mij, zowel lichaam als ziel, zijn dan doorgloeid van die éne Geest, die mij wil opvoeren, vervoeren, naar de verheerlijking van Christus en van de hemelse Vader: „Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn" (vs. 20). Wanneer de Geest zo op je is gevallen, heb je een intens verlangen naar reiniging en levensheiliging. Paulus beschrijft dat aldus: „Niet dat ik het reeds gekregen heb of reeds volmaakt ben; maar ik jaag er naar of ik het ook begrijpen mocht, waartoe ik door Christus Jezus ook gegrepen ben" (Phil. 3 : 12).

In de greep van de Geest

Paulus weet zich dus een gegrepene van Christus en dus een gegrepene van de Geest. In 2 Kor. 3 : 17 roept hij uit, nadat hij de zoveel groter heerlijkheid van het Nieuwe Verbond tegenover het Oude heeft beschreven: „De Heere nu is de Geest". De Geest is het immers, die Christus in ons verheerlijkt. Door die Geest zien wij Hem als de Verheerlijkte. De gestalte van Christus in ons is ahw. overgoten met Geest. Het lijkt dan wel of de Heere en de Geest identiek zijn; vandaar die uitroep van Paulus: „De Heere nu is de Geest", terwijl van de andere kant ook Paulus duidelijk de Geest belijdt als een Persoon, onderscheiden zowel van de Vader als van de Zoon.

Je kunt zo maar ineens in de greep van die Geest komen. Ineens kan die Geest over en door je heen komen; terwijl je b.v. je sokken aan het aantrekken bent of koffie zit te drinken. Dan gebruikt Hij jouw ziel en lichaam als een instrument, waarop Hij Zijn lofliederen speelt. Laat je dan ook door Hem bespelen. Weersta Hem niet. Want een zuiverder aanbidding kan niet gebracht worden aan God. Er is immers een volmaakte harmonie tussen Vader, Zoon en Heilige Geest: „En Die de harten doorzoekt, weet welke de mening van de Geest is, omdat Hij naar God voor de heiligen bidt" (Rom. 8 : 27). NB.: In het Grieks staat: „huper hagioon"; dat kan vertaald worden: „ten gunste van, voor", maar volgens dr. H. Riesenfeld in Kittel's Th. W. betekent het oorspronkelijk: „boven iets uit". In die zin bezigen ook wij het nog, wanneer we van iemand zeggen dat hij hyper- nerveus, méér dan nerveus, is. We zouden dus hier ook kunnen vertalen: „…omdat Hij (de Geest) naar God boven de heiligen uit bidt". Dat betekent dan dat de Geest boven ons zwakke en onreine bidden uit bidt. In het voorafgaande vers had Paulus immers gezegd: „En evenzo komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor (hier staat weer het Griekse woord „huper") ons met onuitsprekelijke zuchtingen".

We zouden vanuit deze tekst de Heilige Geest kunnen voorstellen als een zanger die met Zijn krachtige en zuivere stem boven ons zwakke en gebrekkige zingen en bidden uit zingt en er boven uit bidt en ons daarbij meesleept, zodat ons bidden en zingen door en in Hem zuiver en krachtig wordt.

Ik vind dit woord „zuchtingen" (Grieks: stenagmoi - misschien komt daar ons woord „steunen" vandaan) zo mooi. De Geest zucht in ons als onder een last. Hij wil Zijn licht in ons uitgieten. Hij wil ons in gloed zetten, opdat wij Christus zouden verheerlijken en van Hem zouden getuigen in deze donkere wereld vol godslasteringen.

Wanneer wij „bidden in de Geest" (Ef. 6 : 18), dan geven wij ons over aan dat zuchten van de Geest in ons. Dan worden ook wij vervuld van verlangen naar de openbaring van ons zoonschap van God. Dan zuchten wij met de ganse schepping, die vanwege onze zonden kreunt in barensnood. Dat zuchten van de Geest in ons is dan ook een onderpand van onze eeuwige erfenis (Ef. 1 : 14). In dat zuchten verzekert de Geest ons dat wij kinderen van God zijn (Rom. 8 : 16).

De Geest werkt zoals Hij wil

Ik wil tot slot nog eens herhalen wat ik al vaak geschreven heb: Het bidden in tongen is niet een noodzakelijke voorwaarde om vervuld te zijn van de Heilige Geest. Of negatief: we mogen beslist niet zeggen dat iemand die nooit in tongen heeft gesproken, niet gedoopt zou zijn in de Geest.

Maar wel dit: iemand die niet de blijdschap kent als vrucht van de Geest, kan niet met Hem vervuld zijn. Immers Paulus schrijft: „De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap…" (Gal. 5 : 22).

Ik heb een broeder gekend die nooit in tongen heeft gebeden, maar hij werd op een goede morgen wakker met een overstelpende blijdschap in de Geest. De Geest werkt zoals Hij wil, niet zoals wij willen; en dat is maar goed ook.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

BIDDEN

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's