DE ANDEREN
MOETEN HET BEOORDELEN
Charles Finney, een Amerikaan die leefde van 1792-1875, kwam op 29-jarige leeftijd tot bekering. Men beweert dat ongeveer een half miljoen mensen door zijn prediking tot geloof zijn gekomen. Als dat waar is, dan is hij zeker een van de grootste evangelisten van alle tijden. Finney was presbyteriaan, aanhanger van de kinderdoop. Maar hij ontkende de erfzonde en de leer van de totale verdorvenheid van de mens. En daarin kan ik beslist niet met hem meegaan.
Van de andere kant beschrijft hij in zijn autobiografie zijn eigen schuldgevoel in de meest donkere kleuren. „Toen werd het me duidelijk dat de trots van mijn hart me in de weg stond (voor zijn bekering. HJH). Een verpletterend gevoel van mijn eigen verdorvenheid nam bezit van mij" (Charles G. Finney, „Autobiografie" p. 19. Kan gratis aangevraagd worden bij „De Stem in de Woestijn", postbus 3605, 6019 ZG WESSEM L.)
Maar op p. 41 schrijft hij over iemand: „Hij hing de oude leer van de erfzonde aan, dat de mens verdorven was. Hij was ook van mening dat de mens niet bekwaam was overeenkomstig de normen van het evangelie te leven, zijn schuld te belijden, te geloven of te doen wat God van hem vroeg". En dan vervolgt hij: „Deze leer kon ik niet aannemen".
Maar in de beschrijving van zijn eigen ervaring belijdt hij wél de verdorvenheid van zichzelf. Ik heb dan ook de indruk dat Finney in zijn leer te sterk gereageerd heeft tegenover mensen, die de verdorvenheid van de mens zó eenzijdig preken, dat het er inderdaad op lijkt alsof de mens niet meer verantwoordelijk is voor zijn eigen verderf en dat het de schuld van God is, wanneer hij verloren gaat. En dat is in strijd met de leer van de Bijbel en ook met de aard van de zonde. Zonde wil juist zeggen dat ik, ikzelf, schuldig ben. Vandaar ook dat verpletterende gevoel, wanneer je tot dat inzicht bent gebracht door Gods Woord en Geest. De Bijbel noemt dat de verbrokenheid van hart en de verslagenheid van Geest. Dan sta je helemaal tegenover jezelf alleen. Dan weet je: „Ik, fk, ik heb Gods gebod overtreden, mijn hele leven lang; ik heb alleen maar mezelf gezocht, hoewel ik dat vaak onder vrome woorden heb trachten te verbergen; en juist dat maakt het zo erg, dat ik door en door leugenachtig ben geweest tegenover God en de mensen". Hieronder laat ik dan een beschrijving van de bekering van Finney en zijn doop in de Heilige Geest volgen, zoals die te lezen is op p. 22-23 van zijn „Autobiografie".
Finney schrijft:
Ik begeleidde hem naar de deur en sloot die achter hem. Ik draaide me om en voelde mijn hart in mij opspringen. Al mijn gevoelens schenen uit mij weg te vloeien en mijn hart zei: „Ik wil mijn ziel voor God uitstorten". Mijn ziel was zo ontroerd dat ik de kamer achter de voorste kantoorkamer binnensnelde om te bidden.
Er brandde geen vuur in deze kamer en er was geen licht aan. Toch scheen het mij toe alsof het er volmaakt licht was. Toen ik daar binnenging en de deur achter mij sloot, dacht ik dat ik van aangezicht tot aangezicht met de Heere Jezus Christus kwam te staan. Het kwam niet in me op, ook nog een tijd daarna niet, dat dit uitsluitend een geestestoestand was. Integendeel, ik dacht Hem te zien zoals ik een willekeurig mens zou zien. Hij zei niets tegen mij, maar Hij keek mij aan op een wijze die me direct deed neerknielen. Sindsdien heb ik dit een zeer opmerkelijke gemoedstoestand gevonden. Ik onderging dit als een realiteit en ik dacht dat Hij voor mij stond en ik knielde neer en stortte mijn ziel voor hem uit. In huilde luid als een kind en ik beleed mijn zonden met een verstikte stem. Het scheen mij toe dat Zijn voeten met mijn tranen doordrenkt waren en toch had ik niet de indruk dat ik Hem aanraakte, naar ik mij herinner.
Ik moet tamelijk lang in deze toestand verkeerd hebben. Ik was zo door de situatie in beslag genomen dat ik me niet herinner wat ik gezegd heb. Maar ik weer dat toen ik genoeg gekalmeerd was en ik het gesprek kon onderbreken, ik naar de voorste kantoorkamer ging. Het vuur dat ik daar gemaakt had van grote houtblokken was bijna uitgebrand. Toen ik mij afwendde en bij het vuur wilde gaan zitten, ontving ik de machtige doop van de Heilige Geest. Zonder dat ik dat ooit verwacht had, zonder dat het ooit in mij opgekomen was dat zoiets voor mij bestond, zonder dat ik me herinnerde dat iemand ooit hierover gesproken had, daalde de Heilige Geest op mij neer en scheen lichaam en ziel te doordringen. Zijn liefde kwam in golven en overspoelde mij. Op een andere wijze kan ik het niet uitdrukken. Het leek Gods eigen adem. Het spreidde zich over mij uit gelijk geweldige vleugels, ik herinner het mij duidelijk.
Geen woorden kunnen de wonderbaarlijke liefde uitdrukken die mijn hart doorstroomde. Ik huilde van liefde en blijdschap en ik weet dat ik alleen maar kan zeggen, dat ik de diepste gevoelens van mijn hart letterlijk uitbrulde. Deze golven overspoelden mij, de een na de ander, totdat ik, naar ik me herinner, uitriep: „Ik zal sterven als deze golven over mij heen blijven komen". Ik zei: „Heer ik kan het niet langer verdragen". Toch was ik niet bang voor de dood.
Hoe lang deze doop mij overspoelde en door mij heenging, weet ik niet.
Tot zover Finney.
Lydia
Het tweede voorbeeld is Lydia, over wie ik in dit nummer schreef. Zij komt - in tegenstelling met Finney - tot de konklusie dat ze zich opnieuw moet laten dopen.
Nu moet ik zeggen dat ik haar reden om zich opnieuw te laten dopen beter kan begrijpen dan de reden van de meeste volwassendopers. Zij zag in haar doop een vervulling van de belofte dat, wie tot geloof in Christus komt, ook met Hem gestorven is aan de zonde, met Hem begraven is in de dood aan de zonde en met Hem is opgestaan tot het nieuwe leven. Dit vind ik overeenkomstig Rom. 6 : 2-4 ook één van de aspekten van de Doop.
Het verwonderde mij echter te lezen dat zij zich desondanks liet dopen, niet op grond van de belofte, maar aldus: „Op de belijdenis van uw geloof doop ik u…" (p. 54). Is dat in haar gedachtengang niet inkonsekwent?
Ik kan dus dat verlangen van Lydia om bewust te beleven wat de Doop belooft, wél begrijpen. Wat mijzelf betreft: als ik zou verlangen om de inhoud van mijn Doop opnieuw bewust te beleven, dan zou ik die Doop juist zo graag beleven als besprenkeling met het bloed van Christus, als uitdrukking en bezegeling van het Nieuwe Verbond in Zijn bloed.
Ik vind de beschrijving van de Verbondssluiting bij de Sinaï zo indrukwekkend: „Toen nam Mozes dat bloed en sprengde het op het volk; en hij zeide: Ziet, dit is het bloed des verbonds, dat de Heere met u gemaakt heeft over al die woorden" (Ex. 24 : 8). En als ik dan lees: „De uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader… tot besprenging met het bloed van Jezus Christus" (1 Petr. 1 : 2), dan vind ik het zo machtig dat die genadige God mij Zijn vertrouwelijke omgang in Zijn genadeverbond voor altijd verzegeld heeft in de besprenging met het bloed van Zijn Zoon, uitgebeeld in de besprenging met water.
Maar niet wat Lydia verlangt of wat ik verlang, is beslissend, maar wat de Bijbel zegt. En daarover diskussiëren wij niet in ons blad wat de Doop betreft. Wij respekteren daarin ten volle ieders overtuiging.
Buiten-bijbelse profetie is niet onfeilbaar
Nu komen we echter terug tot de vraag, die ik aan het begin stelde: Hoe kunnen we dit verschil verklaren b.v. tussen Finney die de kinderdoop aanhing en Lydia die zich liet overdopen, terwijl beiden heel duidelijk de doop in de Geest hebben ervaren?
Ik meen dat we het antwoord kunnen lezen in 1 Kor. 14 : 29: „En dat twee of drie profeten spreken en dat de anderen oordelen". Paulus erkent de profetie als een gave van de Heilige Geest. Maar het is blijkbaar mogelijk dat iemand de drang van de Geest, die hem tot die bepaalde profetie bracht, niet goed begrijpt en de bedoeling van de Geest verkeerd weergeeft.
Dat zegt Paulus ook met zoveel woorden: „En de geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen" (1 Kor. 14 : 32). Daaruit blijkt dat ook de menselijke faktor een rol speelt bij de profetie. Als de profetie immers uitsluitend een werk van de Heilige Geest zou zijn, dan zou Paulus niet mogen voorschrijven dat slechts twee of drie profeten het woord mogen voeren en evenmin dat anderen die profetie moeten beoordelen. (NB. Het gaat hier over de Nieuw-Testamentische profetie, niet over de profetieën die in de Bijbel staan opgetekend. Die mogen niet door ons beoordeeld worden, maar moeten zonder meer door ons worden aanvaard).
Daarom is het dus mogelijk dat b.v. Finney als mens zich heeft afgezet tegen christenen, die een opwekking door de Geest in de weg staan door hun onbijbelse leer, waarbij de schuld van de onbekeerde staat van de mens wordt overgedragen op God. Daardoor is het ook mogelijk dat of Lydia of Finney de Doop niet juist ziet.
De Heilige Geest is geen theologie-professor
Wij moeten ons de Heilige Geest niet voorstellen als iemand, die college geeft in de theologie. Hij is door de Vader en de Zoon gezonden tot een andere taak. In het kort komt het hierop neer: De Heilige Geest wil Christus grootmaken. Hij doet dat door ons te overtuigen van onze zonde, zodat we gaan zien dat we Christus als Zaligmaker nodig hebben. Hij doet dat vervolgens op vele andere wijzen. Steeds weer laat Hij de gestalte van Christus stralend in ons oplichten, zodat we daardoor tot overgave aan en tot lofprijzing van Christus komen.
De Heilige Geest gaat dus geen onderricht geven over een theologisch systeem b.v. van een Doop op grond van Gods belofte of een Doop op grond van ons persoonlijk geloof. Natuurlijk moeten we toch over dergelijke vragen blijven nadenken. Maar we mogen de resultaten van ons theologisch denken niet voorstellen als een: „Het heeft de Heilige Geest en mij goed gedacht de volgende verklaring van de Schrift te geven…", Vgl. Hand. 15 : 28. Als we deze bijbelse bescheidenheid in acht nemen, dan zullen allerlei tegenstellingen niet meer als scheidsmuren fungeren tussen broeders en zusters en zullen we met elkaar één kunnen worden in de eenheid, waarvoor Christus gebeden heeft.
GEEF ALTHANS HET RIJKE WOORD AAN DE ZEER ARME KINDEREN VAN DE ESTADO DO ESPIRITO SANTO (STAAT VAN DE HEILIGE GEEST) IN BRAZILIË.
ELK NIEUWE TESTAMENT KOST ƒ 2,63. ER ZIJN ER 200.000 NODIG. GIRO 901.000 t.n.v. 1RS TE VELP. MET VERMELDING: NTEsp.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
