In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

DE BEKERING VAN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE BEKERING VAN

10 minuten leestijd

(Vervolg)

„Het vlees is niet nut" (Joh. 6:63). Dat heeft Jezus gezegd. En zij die het begrepen hebben en het Koninkrijk Gods zijn binnengegaan, hebben daar geen spijt van. Maar de natuurlijke mens wil dat niet aanvaarden.

En wat een moeilijke taak is voor de Zoon van God om dat te doen begrijpen. Doordat Hij mens werd, stapelden de moeilijkheden om die gedachte over te brengen, zich op.

Wanneer Hij een engel was geworden, zou het aan de ene kant veel gemakkelijker geworden zijn om het aan de mensen duidelijk te maken. Maar waarschijnlijk toch ook weer té gemakkelijk. Alleen enkele filosofen zouden Hem dan hebben kunnen volgen. Maar Hij heeft vlees willen worden. Hij heeft Zich geheel willen vereenzelvigen met ons menselijke geslacht, neerdalen in menselijke gedaante en Hij wilde als volkomen mens onder ons, mensen, wonen, wandelen en werken. Hij wilde neerzinken in de deining van ons zondige bestaan. Degenen die Hem kenden, zeiden: „Is Deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Joses en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons?" (Mk. 6 : 3).

Maar wat dachten die broers en zussen en de moeder van Jezus daar zelf over? De broers en zussen waren hevig verontwaardigd en ze verborgen dat niet. Voor de moeder van Jezus lag dat heel anders. Voor haar was het een inmense tragedie. Heel wat moeders hebben die strijd gekend met God, wanneer God hun zegt, zoals aan Abraham: „Geef Mij uw zoon". Dan is er iets in de boezem van de vrouw, dat zich verzet, een schreeuw in haar tot God: „Nee, deze zoon behoort mij toe!" Haar vlees maakt aanspraak op haar kind, omdat er iets van haar vlees is terug te vinden in dit kind van haar schoot.

Die strijd duurt voort, totdat ook zij de stem van de Heere hoort: „Ook jij bent van Mij. Kom ook jij en ga het Koninkrijk binnen, waarin Ik ook hem voeren wil". Dan begrijpt ook zij dat geheim.

Uit zichzelf kan een mens, dus ook een vrouw en moeder, zulk een Koninkrijk waar geen ouders of kinderen, geen man of vrouw meer is, alleen maar in twijfel trekken. Zij vindt het onmenselijk dat haar kind haar daar eigenlijk niet meer moeder noemt, maar slechts zuster, zuster in het geloof. Gal. 3 : 26-28 doet vreemd aan voor de natuurlijke mens.

Het goddelijke snoeimes moet eraan te pas komen, want „vlees en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërven (1 Kor. 15 : 50).

In de brief aan de Hebreeën lezen we: „Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeling van de ziel en van de geest en van de samenvoegselen en van het merg en is een oordeler van de gedachten en van de overleggingen des harten" (4 : 12). Zo moest ook Jezus, het vleesgeworden Woord, dat snoeimes, dat zwaard hanteren tegenover Zijn eigen moeder om ook haar om te vormen tot een „nieuwe schepping", levend uit de Geest. Ook zij moest uitgezuiverd worden van de natuurlijke gevoelens van „vlees en bloed". Ook voor haar gold dat „vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet zullen beërven".

Maria heeft haar natuurlijke vreugde gekend om haar Kind - welk gelovig meisje van Israël zou daar nooit over gedroomd hebben dat ze moeder zou mogen worden van de beloofde Messias? - en toch werd ze al heel vroeg door de grijze Simeon profetisch gewaarschuwd: „En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan" (Lk. 2 : 35). En zou zij eraan hebben getwijfeld dat dit zwaard het Woord zou zijn van haar eigen Zoon?

Op een dag dat zij het niet verwachtte, begon dat Woord van Hem als een zwaard te werken. Jezus was toen twaalf jaar, de leeftijd dat Hij een mannelijk lid van het volk Israël zou worden. Jozef en Maria namen Hem mee naar Jeruzalem en daar raakten ze Hem kwijt. Hij zorgde er Zelf voor dat Hij vergeten in de tempel achter bleef. Toen ze Hem terugvonden, toonde de arme moeder haar volkomen onbegrip. Dat onbegrip was reeds duidelijk geworden dat zij drie dagen lang naar Hem had gezocht behalve daar, waar ze Hem in de eerste plaats had moeten zoeken nl. in de tempel, het huis van Zijn Vader. Jozef die tegenover de mensen gold als degene die het vaderlijk gezag over Jezus uitoefende, zweeg. Maar Maria, de moeder, zei: „Kind, waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht". Toen moest de Zoon van God het zwaard van het Woord brengen in de ziel van Zijn moeder naar het vlees: „Wat is het dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?" (Lk. 2 : 39-52).

Maria begreep het niet. Ze heeft dat later ook aan Lukas verteld, die het in zijn Evangelie getrouw heeft weergegeven, zoals hij het uit de mond van Maria gehoord had: „En zij verstonden het woord niet dat Hij tot hen sprak".

Men heeft dit verhaal volkomen vertekend tot een dramatische scène van een moeder, die op zoek was naar haar verloren kind. Maar het ging hier om iets veel diepers, om een goddelijk drama. Hier moest de Zoon van God het zwaard van het Woord laten gaan door de ziel van Zijn, nog sterk aards denkende, moeder. Wij mogen de Bijbel niet lezen met de vooropgezette bedoeling om er een door ons geliefd dogma in te lezen. En als wij de Evangeliën naslaan, dan is er maar één verhaal, waar Maria en Jezus niet tegenover elkaar staan en dat is het verhaal van haar staan onder het kruis. In alle andere situaties is er sprake van een konflikt tussen haar en haar Zoon. Telkens moetjezus dan, overeenkomstig de voorzegging van Simeon, het zwaard door haar ziel laten gaan.

Zeker, dat zwaard is ook door de zielen van andere discipelen gegaan. Petrus, Martha, al de discipelen hebben die uitzuivering moeten doormaken. Maar dat Hij dit uitzuiveringsproces op Zijn eigen moeder eveneens moest toepassen, zal Hem bijzonder pijn hebben gedaan.

Hij moest haar duidelijk maken dat er in die natuurlijke band tussen hen van moeder en zoon geen enkele geestelijke (te verstaan in de bijbelse zin) waarde zat. Zij moest gaan begrijpen dat haar moederschap haar op geen enkele wijze een gezag over Jezus schonk en op zichzelf ook geen enkel privilege verschafte voor het Koninkrijk Gods. Ook zij moest opnieuw geboren worden, wilde zij het Koninkrijk kunnen binnengaan. God moest niet uit haar geboren worden, maar zij moest „uit God geboren" (Joh. 1:13) worden. Daarom is de benaming „Moeder van God", vooral ook ten overstaan van het heidendom van die dagen en van alle tijden, volkomen onjuist, gezien in bijbels licht. Johannes beschrijft immers de kinderen van het Koninkrijk Gods aldus: die niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn" (Joh. 1 : 13).

We kunnen Maria heel goed begrijpen. Het moet voor haar, zoals voor elke moeder, heel moeilijk zijn geweest om haar zoon op te geven. Je kunt deze natuurlijke banden van de liefde niet zo maar doorknippen. Dat kost heel wat strijd. Het moet haar heel zwaar zijn gevallen om alle moederlijke aanspraken op Hem te brengen op het altaar van dat nieuwe Koninkrijk Gods en om Hem te zien als de Zoon van God, die mens werd (uit haar) om ons, dus ook haarzelf, te redden uit de eeuwige dood, die wij verdiend hadden.

Van de andere kant kunnen we ook Jezus begrijpen, wanneer Hij soms zich heel duidelijk opstelt tegenover Zijn moeder, wanneer zij toch de stem van het bloed laat spreken. Dat gebeurde al meteen bij Zijn eerste optreden nl. op de bruiloft van Kana. Toen zei Hij tegen haar: „Vrouw, wat heb Ik met u te doen?" (Joh. 2 : 4). Wij zouden geneigd zijn om ons hoofd te schudden: „Kon dat niet wat minder hard? Je zou hetzelfde toch ook wel wat vriendelijker hebben kunnen zeggen".

Maar wanneer de belangen van Gods Koninkrijk op het spel staan, dan wil Jezus volkomen duidelijk zijn. En aan die duidelijkheid offert Hij alles op, allereerst Zichzelf aan het kruis, maar dan ook Zijn moeder, hoe zwaar Hem dat ook zal zijn gevallen.

Hij zal nakomelingen zien

„Hij zal zaad zien" (Jes. 53 : 10)

Bij Maria is de afsluiting van het werk dat de Heere aan haar verrichtte, gekomen bij het kruis, zoals dat trouwens ook gebeurd is bij miljoenen anderen die het Koninkrijk Gods binnen gingen. In het kruis van Christus ligt onze enige hoop. Daar bij dat kruis vol vernedering, waar het er op leek dat haar Zoon nu definitief ten onder ging, daar bij dat kruis vol tegenspraak, waar alle menselijke verwachtingen leken stuk gebroken en alle illusies uit elkaar waren gespat, daar werd zij ten volle die „geestelijke" mens, zoals Jezus haar zo graag hebben wilde. Daar waar de priesters Hem hoonden met hun bittere sarcasme:" Als Hij de koning van Israël is, laat Hem dan van het kruis afkomen en we zullen in Hem geloven . „Anderen heeft Hij gered, maar Zichzelf redden kan Hij niet. Hij heeft op God vertrouwd; laat God Hem dan nu bevrijden, indien Die Hem liefheeft".

„De Koning van Israël" … en daarin had ze geloofd als jong meisje. Bij Elisabeth had ze dat geloof uitgezongen in haar sublieme lofzang, het Magnificat. En dat alles was nu uitgelopen op deze troon van de schande, op deze kroon van de bespotting, op dit ontzettende, wrede lijden.

De gekruisigde Zoon ziet aan de voet van het kruis deze overwonnen vrouw. Hij ziet hoe haar hart gebroken, maar ook hoe haar geest verbrijzeld is. Hij ziet het drama van de moeder en de gelovige. Hij ziet haar die Hem gebaard heeft voor het aardse leven, aangekomen op het punt dat zij uit Hem het geestelijke leven kan ontvangen.

En toen, vanuit Zijn soevereine gezag als Verlosser-Messias, nam Hij Maria weg uit haar eigen familie en plaatste haar over naar Zijn familie. Uit het aardse gezin bracht Hij haar over naar het hemelse huisgezin Gods, Zijn Koninkrijk.

Op een diep-menselijke wijze, waarbij alle tederheid en mede-lijden met Zijn moeder zich openbaarde, vertrouwde Hij haar toe aan Johannes, de leerling die Hij liefhad. En deze fijngevoelige apostel nam haar, zo lezen we in het Evangelie, vanaf dat moment bij zich.

„Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees", zo zegt Paulus in 2 Kor. 5:16.

Nu alles wat zij als menselijke moeder aan deze Zoon gegeven had, volkomen kapot was gescheurd en verbrijzeld aan het kruis, nu zou Maria voortaan in staat zijn om steeds dieper door te dringen in de geestelijke heerlijkheid van deze eeuwige Zoon van God, die niet aan haar toebehoorde, maar aan Wie zij toebehoorde.

Zelfs heeft Jezus het blijkbaar goed gevonden om als Verrezene niet afzonderlijk aan Zijn moeder te verschijnen. Wel heeft Hij Zich geopenbaard aan Jakobus, de oudste broer van Jezus. En Maria genoot de vreugde te zien, hoe velen zich voegden bij deze geestelijke familie van haar Zoon.

En op de pinksterdag heeft Jezus alle aanwezigen, waarbij ook Maria, zonder onderscheid gedoopt met Zijn Heilige Geest. Hij heeft hen ondergedompeld in Diens vuur, zodat al het vleselijke dat nog in hun denken en voelen mocht zijn overgebleven, daardoor zou worden weggebrand. Er waren daar 120 discipelen bij elkaar. Ja, Hij zal nakomelingen zien!

„Slechts één is uw Vader, Hij die in de hemelen is! Slechts één is uw Meester, de Christus! En gij zijt allen broeders".

Aldus en op geen andere wijze beschrijft Hij, „uit Wie en door Wie wij zijn", onze geestelijke familie.

„Ziet, hoe goed, hoe liefelijk is het dat broeders ook samenwonen" (ps. 133: 1)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

DE BEKERING VAN

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 september 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's