In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De betekenis van Luther voor deze tijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De betekenis van Luther voor deze tijd

10 minuten leestijd

In Luther's geestelijke worsteling ging het allereerst om de gerechtigheid van de Wet; dus om Gods eisende en straffende gerechtigheid.

Daarna ging het echter om de onderscheiding van Wet en Evangelie; om de onderscheiding van Gods eisende, straffende gerechtigheid en Zijn geschonken en schenkende gerechtigheid. Want dat was Luther's grote ontdekking, dat er niet één, maar dat er twee onderscheiden Woorden Gods zijn. Het is vooral zijn biechtvader Von Staupitz geweest, die hem in zijn bange worsteling daarop gewezen heeft; hij is er hem zijn leven lang dankbaar voor geweest. Herhaalde malen sprak Von Staupitz er met Luther over, dat er inde Bijbel niet alleen sprake is van Gods toorn en gericht, maar ook van Gods ontferming en vergeving. Er kwam daardoor een straal van licht in zijn zware aanvechtingen. Hij begon weer te hopen

Toch betekende die ontdekking voor Luther geenszins het einde van zijn worsteling. Haast kan men zeggen, dat zijn strijd erdoor in hevigheid toenam. Nu hij begon in te zien, dat God niet alleen eisende en straffende gerechtigheid, maar ook schenkende gerechtigheid is, werd voor hem de allesbeheersende vraag: Hoe krijg ik een genadige God? Hoe krijg ik deel aan die andere, die evangelische gerechtigheid? Hoe weet ik, dat ik daar staat op mag maken? En op die vragen moest Von Staupitz hem het antwoord schuldig blijven.

Waarom was het voor Luther zo moeilijk, zijn vertrouwen te zetten op de geschonken gerechtigheid van het Evangelie? Waarom bleven de aanvechtingen voortduren? Het hing samen met zijn geestelijk verstaan van de Wet. Het geestelijk verstaan van de Wet houdt immers in, dat de Wet indachtig gemaakt is door de Heilige Geest. Het betekent, dat de Wet daardoor innerlijk net zo verstaan wordt als bij haar afkondiging op de berg Sinai'. Zij staat voor de mens als Woord Gods in majesteit en heiligheid.

Wanneer nu de Wet zó gehoord en verstaan wordt, kan het dan mogelijk zijn, dat de mens door een leerstellige terechtwijzing, door een exegetische verheldering, onder het beslag van de Wet vandaan komt en haar terzijde schuift als niet meer ter zake doende? Kan uiterlijke en van buitenaf komende kennis de innerlijke gebondenheid aan de Wet, als sprake Gods, te niet doen? Zou daar niet iets anders noodzakelijk voor zijn dan een theologische verheldering? Welk mens, die de Wet geestelijk, innerlijk, persoonlijk als Woord Gods gehoord heeft, zou kunnen en durven zeggen: Ik heb met die Wet niets meer te maken; ik trek mij van die Wet niets meer aan? Dat zou haast gaan lijken op zonde tegen de Heilige Geest. In plaats van een innerlijke bevrijding bewerkt daarom de onderscheiding van Wet en Evangelie een verheviging van de zielenood. De aanvechtingen worden er niet minder, maar sterker door. Het hart wordt heen en weer geslingerd door vrees en hoop.

Levende onder de druk van de eisende en straffende gerechtigheid Gods komt de mededeling van Gods geschonken gerechtigheid en van Zijn ontferming en genade tot ons als uit een andere wereld, waartoe wij geen toegang hebben en die buiten ons bereik ligt. Leven onder het beslag van de Wet betekent: het Evangelie zien als een afgescheiden en ontoegankelijke wereld. Gods genade en vergeving zijn dan een „binnen", waar wij „buiten" staan. Zij zijn gesloten gebied, heilige grond; wel werkelijkheid, maar niet voor mij. Een engel met het heen en weer bewegende zwaard houdt de toegang gesloten.

Wat Luther geschreven heeft in zijn autobiografische terugblik, geeft van die verhevigde zieleworsteling duidelijk blijk. Hij spreekt immers van „een uitzonderlijk heet verlangen", van „een onbeschaamd bij Paulus op de deur bonken", van „een dorsten en smachten om te weten wat er achter die woorden stak", en van „een zich dag en nacht aftobben". Dit alles is uitdrukking van zijn strijd om een genadige God. Hoeveel protestanten in deze tijd zouden hiervan nog iets beseffen? jy

IV.

Wij moeten nu nog spreken over het derde en voornaamste aspect van Luthers geestelijke worsteling. Dat is de overgang van Wet naar Evangelie; de omslag van het leven met Gods eisende en straffende gerechtigheid naar het leven uit Gods schenkende gerechtigheid.

Hoe is die overgang, die omslag mogelijk geweest? Ook hier moeten wij weer beginnen met te wijzen op het geestelijk karakter ervan. En, zoals gezegd, geestelijk betekent: gewerkt door de Heilige Geest, die indachtig maakt en overtuigt.

De Wet werd pas een werkelijkheid voor Luther, toen hij haar geestelijk ging verstaan, dat wil zeggen: levend, innerlijk, persoonlijk. Zó werd nu ook het Evangelie pas werkelijkheid voor hem, toen de Heilige Geest het hem inwendig deed verstaan. Een geestelijke Wet is iets anders dan een uiterlijke, letterlijke Wet. En een geestelijk Evangelie is iets anders dan een uiterlijk, een in letters en woorden bestaand Evangelie.

Von Staupitz kon niet anders dan Luther het Evangelie brengen in woorden en teksten, dus theologisch, dogmatisch, exegetisch. Daarmee was het Evangelie voor Luther echter geen geestelijke werkelijkheid. Het was nog geen indachtig gemaakt, geen persoonlijk toegepast, geen innerlijk levend geworden Evangelie. Daar was dus het wachten op. Eerst dan was het mogelijk, de overgang te maken van Wet naar Evangelie.

Eerst dan kon de omslag plaastvinden van het leven onder de doem van de eisende en straffende gerechtigheid Gods naar het leven uit Gods schenkende gerechtigheid.

Dat gebeuren voltrok zich, toen de Heilige Geest Zelf Luther's leermeester werd en hem het onderscheid van Wet en Evangelie innerlijk duidelijk maakte. Van dat ogenblik spreekt Luther in zijn autobiografische terugblik als hij zegt: „Totdat ik door Gods genade begon te begrijpen, dat met „gerechtigheid" bedoeld wordt de gave Gods". Toen was het alsof hij herboren was en door open poorten het paradijs mocht binnengaan.

Wij kunnen in de bange zieleworsteling, die Luther heeft doorgemaakt en naderhand op schrift heeft gesteld, niet genoeg nadruk leggen op de aangehaalde woorden: „Toen begon ik door Gods genade te begrijpen…". Elk woordje hier is als het ware goud waard!

„Toen begon ik …". Het tijdstip van het uur der genade wordt niet door mensen bepaald; niet door Von Staupitz en niet door Luther zelf. Al hun inspanningen bij elkaar zijn niet in staat, het welaangename uur te doen aanbreken. Ondanks alle „heet verlangen", alle „onbeschaamd bij Paulus op de deur bonken", alle „dorsten, smachten en zich aftobben"; ondanks ook al het kundige en welgemeende onderwijs van de vrome biechtvader; - het heden der genade ligt niet in mensenhanden, maar wordt door de Heilige Geest bepaald. Hij alleen kent „de ure".

„Door Gods genade begon ik te begrijpen…". Omdat deze woorden van Luther goud waard zijn, moeten ze op een goudschaaltje gewogen worden. Er is hier namelijk een belangrijke ontdekking te doen. Dat is, dat Luther twee keer in verschillende zin over de genade spreekt. Hij heeft het over „de gerechtigheid als gave Gods"; dat is het Evangelie. En hij heeft het over „door Gods genade gaan begrijpen van het Evangelie". Er is dus volgens Luther tweeërlei genade: de genade van Jezus Christus als geschonken gerechtigheid èn de genade van de Heilige Geest als de goddelijke Leermeester, die indachtig maakt en overtuigt. Ik acht dat van kapitale betekenis voor het verstaan van de Hervorming. Immers daardoor wordt duidelijk, waar het in de Reformatie eigenlijk om gegaan is.

Het ging erom, dat de geschonken gerechtigheid van het Evangelie een geestelijk goed is, dat alleen de Heilige Geest ons deelachtig kan maken. Het is nu die tweeërlei werkzaamheid der genade, die in het Protestantisme bij de verbreiding van het nieuw ontdekte Evangelie hoe langer hoe meer op de achtergrond is geraakt en vergeten. Alle nadruk kwam te liggen op de genade als „geschonken gerechtigheid". Van de genade, die de in Christus geschonken gerechtigheid levend, persoonlijk, innerlijk indachtig maakt, sprak bijna niemand meer. Daardoor vatte het fatale misverstand post, dat de toeëigening van het Evangelie een louter menselijke aangelegenheid was: een zaak dus van verstandelijk ter kennis nemen, toestemmen en aanvaarden. En zó is dan die afschuwelijke protestantse situatie kunnen ontstaan, waar wij in het begin van dit artikel over gesproken hebben en die wij aanduidden als: brood zonder honger, troost zonder droefheid, antwoord zonder vraag.

Luthers ontdekking was dus, dat het Evangelie van de geschonken gerechtigheid een geestelijk goed is, dat alleen de Heilige Geest ons kan indachtig en deelachtig maken. Zonder dat de Heilige Geest onze Leermeester is geweest en ons het onderscheid tussen Wet en Evangelie heeft doen verstaan, is er voor ons nog geen Evangelie! Het Evangelie is dan nog slechts een begerenswaardige, heilige werkelijkheid, waar wij buiten staan, en die voor ons persoonlijk haar poorten nog niet ontsloten heeft. Wij vernemen wel de stem van Von Staupitz of wie anders ook, die spreekt van de genadige, vergevende God; onze reactie erop is echter geen andere dan: „Hoe krijg ik een genadige God?"

„Toen begon ik door Gods genade te begrijpen…", schrijft Luther. Dat was het ogenblik, dat de Heilige Geest hem het Evangelie indachtig maakte. Op dat moment nam het Evangelie het karakter aan van de levende stem van Christus en werd (om zo te zeggen) Luther discipel en tijdgenoot van Christus. Het Rijk der genade was toen geen toegesloten werkelijkheid meer, maar een geopende werkelijkheid: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij" (Openbaring 3:20). En zó lezen wij dan ook in Luther's autobiografische terugblik: „Het was mij toen, of ik geheel herboren was en door open poorten het paradijs was binnengegaan".

V

Wij wilden het in dit artikel hebben over de betekenis van Luther voor deze tijd. In de protestantse situatie waarin wij leven, is de belangrijkste dienst die de reformator ons kan bewijzen, deze, dat hij ons erover inlicht hoe hij het Evangelie ontdekt heeft en hoe de weg van zijn zoeken, vragen en worstelen zich in zijn leven heeft afgetekend.

Wij hebben uitgaande van Luther's eigen woorden, gepoogd een beeld te geven van de weg, die de reformator is gegaan. Hoofdzaak daarbij was: het Evangelie van de geschonken gerechtigheid is een geestelijk goed, waarover alleen de Heilige Geest de beschikking heeft en dat daarom alleen de Heilige Geest ons kan indachtig en deelachtig maken.

Ik meen, dat daarbij de zwaarste nadruk niet moet vallen op het „hoe" van dat werk van de Heilige, maar op het feit dat Hij werkt, en dat wij van dat werk volstrekt afhankelijk zijn. Wie te veel nadruk gaat leggen op het „hoe van dat werk in Luther's leven, loopt het gevaar, dat hij Luther's worsteling tot een nieuwtestamentische wet gaat maken. Dat zou betekenen een ongeoorloofde inperking van Gods mogelijkheden.

Wezenlijk voor het werk van de Heilige Geest is, dat Hij het menselijk hart als een schip op de wilde zee brengt, waar het van alle kanten door de golven en de winden voortgedreven wordt; ja, waar het leert in ernst te spreken en de gronden bloot te leggen. Wezenlijk voor het werk van de Heilige Geest is, dat Hij ons onze ellende bewust maakt en ons overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel. Wezenlijk voor het werk van de Heilige Geest is, dat Hij ons maakt tot zielen, die dorsten en smachten naar de troost van het Evangelie. En gemeenlijk is daartoe de Wet het meest geëigende instrument.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De betekenis van Luther voor deze tijd

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 juli 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's