In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

EEN NEDERLANDSE „PINKSTER"-BEWEGING?"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN NEDERLANDSE „PINKSTER"-BEWEGING?"

19 minuten leestijd

ZIJN Woord alleen

Maar dan is beslist nodig dat wij onvoorwaardelijk naar Zijn Woord luisteren. Hij wil door Zijn pure Woord in ons werken. Hij wil de eer helemaal voor Zichzelf bewaren en die niet delen met mensen, die hun eigen gedachten vermengen met het Woord Gods.

Alleen Zijn Woord is doorademd van Zijn Geest. Daarom heeft ook alleen Zijn Woord herscheppende kracht. Alleen Zijn Woord kan ons totaal hervormen. Mensengedachten kunnen ons alleen maar misvormen.

Dat Woord dringt zo diep tot ons door dat het alles voor ons open legt, wanneer wij daar echt naar willen luisteren. Dat Woord schift de overleggingen en gedachten des harten. Het laat ons zien, waar wij onszelf willen handhaven en waar we werkelijk open staan voor de werking van dat Woord. Zie Hebr. 4:12.

Maak Gods Woord niet krachteloos

En laten we onszelf op dit punt allereerst onderzoeken. Wanneer wij tóch onszelf, onze eigen gedachten en gewoonten, tegenover het Woord willen handhaven, dan hoeven, dan kunnen we maar weinig zegen van de overdenking van dat Woord verwachten. Dan kunnen we de Bijbel doorploegen van het begin tot het einde, tot we hem bijna van buiten kunnen opdreunen, maar dan helpt dat allemaal weinig, want in wezen willen we dan alleen maar naar onszelf luisteren. We willen in het Woord Gods dan eigenlijk alleen maar lezen, wat we zelf denken. De Bijbel moet dan dienen tot een bevestiging van onze eigen (theologische) menselijke ideeën.

Hoe vaak wordt het Woord Gods krachteloos gemaakt. Wanneer dat Woord iemand heel diep wil aanspreken, dan is men al gauw klaar met uitvluchten: , Ja, maar je moet alles toch niet al te letterlijk nemen. Je moet oppassen dat je geen biblicist, geen fundamentalist, geen letterknecht enz. wordt. We moeten toch ook ons nuchtere verstand gebruiken. Dat hebben we toch niet voor niets van God gekregen. En we hebben toch ook onze kerkelijke geijkte gewoonten. De Heilige Geest heeft toch ook gewerkt in al die voorbije eeuwen. En al die persoonlijke en kerkelijke gewoonten kunnen toch ook van Hem zijn. God is een God „van orde". En Hij wil toch zeker niet de rust in mijn eigen en in ons kerkelijke leven radikaal verstoren".

En zo zijn er nog eindeloos veel meer argumenten, die ons „arglistige hart weet te bedenken om ons aan de kracht van het levende Woord te onttrekken.

Ten diepste is dat de strijd tussen vlees en Geest, die zich ook in de wedergeborenen voortzet. Daarom schrijft Paulus tot de gelovige Korinthiërs: „Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet naar het vlees, om naar het vlees te leven. Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven". „Want die naar het vlees zijn, bedenken wat des vleses is; maar die naar de Geest zijn, bedenken wat des Geestes is" (Rom. 8: 12, 5).

Uit de brieven van Paulus blijkt dat volgens hem gelovigen meer of minder naar het vlees of naar de Geest kunnen leven. Want het vlees blijft in de mens aanwezig en zal altijd strijd voeren tegen de Geest in ons. De vraag is alleen: naar welk beginsel in ons willen we (vooral) luisteren: naar de stem van het vlees (de natuurlijke, zondige mens in ons) of naar de stem van de Heilige Geest, die door het Woord tot ons spreken wil.

Moet er in mij iets radikaal veranderen? Nee!

Laat ik iets konkreter zijn. Wanneer we bij de oprechte overdenking van het Woord bemerken of vermoeden, dat de Geest van Jezus wel eens een heel andere levenshouding, een heel andere manier van denken, van ons vraagt, wat doen we dan? (Ik bedoel niet dat die Geest van ons zou vragen dat we anders gaan denken dan onze belijdenis, want we weten dat die belijdenis, hoe menselijk ook geformuleerd, toch de grondlijnen van het bijbelse belijden zo prachtig weergeeft).

Op dat moment komt het erop aan. Daar valt de beslissing. We kunnen ons dan meteen afsluiten en zeggen: Ik wil niet in mijn rust gestoord worden. (O we zullen dat niet klaar bewust zeggen; daarvoor zijn we te „vroom". We willen voor onszelf en voor God het beeld van onszelf handhaven van mensen, die echt Schriftgetrouw zijn. Daarom verdringen we dergelijke afwijzingen van de werking van Gods Woord meteen. We weigeren onszelf onvoorwaardelijk aan de werking van het Woord over te geven, maar we stoppen die weigering tegelijk weg in de diepte van onze ziel, maar daar blijft die weigering wel zijn verwoestende werk voortzetten in het onderbewustzijn).

Vaak verschuilen we ons ook achter de kerk, waartoe we behoren. „Maar die kan het toch niet mis hebben. Het is toch niet mogelijk dat die kerk radikaal van levenshouding zou moeten veranderen".

Daarachter zit dat toch weer de zelfhandhaving. In onze kerk handhaven we dan eigenlijk onszelf. „Onze" (d.i. „mijn") kerk, zou die zich grondig moeten bekeren. Schande dat iemand dat zelfs maar durft te veronderstellen! „Onze" kerk met onze zuivere leer! Kom nou!

Weet u wie ook zo reageerde? Dat was Petrus, toen de Heere tegen hem had gezegd dat hij eerst nog een radikale bekering zou moeten doormaken. Toen was het antwoord van Petrus vol zelfvoldaanheid: „Heere, ik ben bereid met U ook in de gevangenis en in de dood te gaan" (Luk. 22 : 33).

Het is alsof hij wil zeggen: „Maar, Heere, kent U mij dan nog niet? Ik ben toch een man van karakter, op wie U rekenen kunt. U hebt mij toch niet voor niets Petrus, Rotsman, genoemd. U hebt toch gezegd dat U op mij, de Rotsman, Uw gemeente zoudt bouwen. En wilt U nu beweren dat er in mij iets radikaal moet veranderen? Dat kan toch immers niet".

Is dit misschien ook niet onbewust de houding van kerkelijke voormannen, die werkelijk veel hebben gepresteerd voor Gods Koninkrijk en de gemeente van Christus? Zij kunnen het zich eenvoudig niet voorstellen dat de Heere die hen echt gebruikt heeft (en dat is ook vaak zo; dat is geen waanvoorstelling bij hen), tot hen zou willen zeggen dat er desondanks bij hen iets radikaal zou moeten veranderen.

We kunnen onszelf dus afsluiten voor de werking van het Woord, maar we kunnen onze ziel ook wagenwijd openzetten vol honger en dorst en vol vertrouwen dat Gods Woord ons alleen maar tot zegen wil zijn.

De apostelen vóór en vanaf de pinksterdag

Het is een wat lange inleiding geworden, maar ik dacht dat het altijd weer goed is om elkaar te wijzen op de noodzaak van het onvoorwaardelijk luisteren naar Gods Woord alleen en op het gevaar dat wijzelf telkens weer belemmeringen aan de doorwerking van dat Woord in ons stellen.

Maar nu wordt het tijd dat we doorpraten over het eigenlijke onderwerp. En dan zou ik allereerst willen wijzen op het grote verschil van de apostelen vóói en vanaf de pinksterdag.

Vóór de pinksterdag, óók nadat ze de opgestane Heiland persoonlijk gezien en gesproken hadden. Acht dagen na de opstanding, toen Jezus hen verschenen was en over hen geblazen had en tot hen had gezegd: „Ontvangt de Heilige Geest", zaten ze nóg met gesloten deuren (Joh. 20 : 26), blijkbaar weer „om de vreze der Joden" (vs. 19).

Je zou toch verwachten dat, als je de opgestane Christus persoonlijk gezien en gesproken hebt, je dan totaal niet bang meer zoudt zijn. En bovendien: wat een slecht voorbeeld tegenover Thomas, die nog steeds niet kon geloven datjezus werkelijk uit de doden was opgestaan. Had Thomas niet alle recht hen te verwijten: „Als jullie beweren dat jullie Hem als Verheerlijkte gezien hebben, waarom dan die gesloten deuren uit vrees voor de Joden. Met zulk een Christus moet je toch alles aandurven?"

Maar God houdt nu eenmaal vast aan de door Hem gestelde heilsorde. De pinksterdag was immers door Hem bepaald als de dag, waarop Christus openbaar zou worden als de Doper in de Heilige Geest. In die heilsordelijke zin zei Jezus ook tot Zijn apostelen: „Het is u nut dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden" Goh. 16:7).

Veel kerkmensen zonder kracht

Lijken veel kerkmensen, die overigens oprecht gelovig zijn, niet veel op de apostelen vóór de pinksterdag?

Want we moeten toch wel duidelijk vaststellen, dat de apostelen reeds voor de pinksterdag echte, zij het zeer zwakke, gelovigen waren. Immers Jezus had, na dat Judas vertrokken was, tot hen gezegd: „Gij zijt nu rein om het woord dat Ik tot u gesproken heb" (Joh. 15 : 3). „Ik heb u vrienden genoemd, want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekendgemaakt" (Joh- 15:15).

Veel kerkmensen lijken op de angstige apostelen vóór de pinksterdag. Ze zien de kerken steeds meer afbrokkelen als eilandjes die steeds verder afkalven. Ze zien de geweldige macht van de anti-christelijke geesten in deze wereld. Ze geloven nog wel oprecht in Christus, maar ze durven zo weinig meer van Hem te verwachten.

Twee soorten christenen?

Sommigen komen dan meteen met oude argumenten aan2etten: Maar wilt u dan beweren dat er twee soorten christenen zijn?

Dan is mijn antwoord: De mogelijkheid van twee soorten christenen is in de Bijbel, getekend. Nogmaals, denk maar aan de apostelen vóór en vanaf de pinksterdag. Er is duidelijk een diep verschil tussen deze christenen in die verschillende tijden. Diezelfde gelovigen zijn vanaf de pinksterdag radikaal veranderd. Het lijken nauwelijks nog dezelfde gelovigen te zijn.

En in de tweede plaats: in de praktijk aanvaarden wij niet twee, maar vele soorten christenen. We zien toch immers voor ogen, hoe de ene kerkmens, terwijl hij wellicht toch een gelovige is, nauwelijks meeleeft, terwijl anderen zich helemaal inzetten voor de Heere en Zijn gemeente. En daartussen in ligt er nog heel wat gradatie.

Zeker, als gelovige- en dat is je in de Doop op heilige wijze verzekerd en verzegeldheb je in Christus alle recht op de zegeningen, die Christus voor ons verdiend heeft. Maar… dat is een grondwet van de Bijbel: Je ontvangt slechts naar mate van je geloof. Wie weinig in geloof van de Heere verwacht, ontvangt ook weinig; wie veel verwacht van de Heere op grond van Zijn belofte, zal ook veel ontvangen.

Wat is nu de belofte voor ons ?

Dat ook wij, christenen uit de heidenen, evenzeer vervuld zullen worden met de Heilige Geest als gebeurd is met de apostelen en overige discipelen op de pinksterdag. Dat is het juist waarmee Petrus zijn bezoek aan de heiden Cornelius en diens gezin verdedigt in Hand. 11 : 17.

Natuurlijk is daar niet mee bedoeld dat dat op dezelfde wijze zou gebeuren als op de pinksterdag. Bij Cornelius gebeurde dat ook heel anders en tóch zegt Petrus: „En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin" (Hand. 11:15). Ook al ging bij Cornelius en de zijnen de vervulling met de Heilige Geest niet gepaard met de hevige windvlaag en met de tongen als van vuur zoals op de pinksterdag, toch zegt Petrus dat de Geest op hen viel, „gelijk ook op ons in het begin".

De Doop in de Geest is de voltooiing van het werk van Christus

Meteen bij het openbare optreden van Christus wijst Johannes Hem al aan als degene, die zal dopen in (in de SV en het NBG staat „met", maar in het Grieks staat „in") de Heilige Geest, terwijl hij slechts doopt in water tot bekering en vergeving der zonden. Zie o.a. Joh. 1 : 33.

En vlak voor de hemelvaart wijst Jezus Zelf daar opnieuw op: „Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen" (Hand. 1-: 5).

En op de pinksterdag toont Petrus eerst aan datjezus uit de doden is opgewekt, zoals in het O.T. voorzegd was en vervolgt dan: „Deze Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn". En dan voegt hij eraan toe: „Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Geestes ontvangen hebbende van de Vader, heeft dit uitgestort dat gij nu ziet en hoort" (Hand. 2 : 33).

Opnieuw wijst dus ook Petrus op het feit dat Christus inderdaad bewezen is de Doper in de Heilige Geest te zijn. Jezus had gezegd dat Hij de Geest van de Vader zou zenden. Dat was de belofte des Vaders. En op de pinksterdag blijkt nu dat de Vader die belofte vervuld heeft En zo is op nieuwe wijze, nog veel meer dan door de vele wonderen, openbaar geworden dat Christus inderdaad de lang voorspelde Messias is.

En als Petrus zijn Doop van Cornelius en de zijnen, zonder dat zij eerst door besnijdenis waren ingelijfd in Israël, tegenover de christenen uit de Joden verdedigt, dan wijst ook hij weer terug op die voorzegging datjezus zou dopen met de Geest in tegenstelling met Johannes: „En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gij zult gedoopt worden met de Heilige Geest" (Hand. 11 : 16).

Christus de grond van het Nieuwe Verbond

Waarom was dat toch zo belangrijk dat Christus openbaar zou worden als degene die dopen zou in de Geest?

Omdat daarmee de profetie van het O.T. in vervulling ging dat de Messias de grondlegger van het Nieuwe Verbond zou zijn. God zou in en met Hem het Nieuwe Verbond sluiten.

En wat was een van de meest wezenlijke kenmerken van dat Nieuwe Verbond? De uitstorting van de Heilige Geest door de Messias. Daarom wijst Petrus meteen ook in zijn pinksterrede op de profetie van Joël: „Dit is het wat gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God), Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren en uw jongelingen zullen gezichten zien en uw ouden zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienstknechten en op Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren" (Hand. 2 : 16-18).

In de brief aan de Hebreeën wordt twee maal over het Nieuwe Verbond gesproken zoals dat in Jer. 31 : 31-34 werd voorspeld. „Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israëls en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dat Mijn verbond niet gebleven en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere. Want dit is het verbond dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet leren een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van de kleine onder hen tot de grote onder hen. Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden en hun overtredingen geenszins meer gedenken" (Hebr. 8 : 8-12).

„En zij zullen niet leren een ieder zijn naaste…". Op dat typische van het Nieuwe Verbond wijst ook Johannes, als hij schrijft. „En de zalving die gij van Hem ontvangen hebt, blijft in u en gij hebt niet van node dat iemand u lere; maar gelijk Zijn zalving u leert van alle dingen…" (1 Joh. 2 : 27). (Waarom Christus dan tóch leraars aan de gemeente schenkt - zie o.a. 1 Kor. 12 : 28 -, is een vraag waar we hier niet op in kunnen gaan; dan zou dit artikel veel te lang worden).

De basis van Gods nieuwe volk

Die basis is niet de vervulling met de Geest, maar de vergeving der zonden: „Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn en hun zonden en hun overtredingen geenszins meer gedenken". Daarom: „Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn". Dat herinnert aan de profetie over het nieuwe volk Gods dat Hij Zich zal werven tot bruid, waarover Hosea schrijft in hoofdstuk 2. Dan zal dat nieuwe volk niet meer worden genoemd Lo-Ruchama: „Want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen", maar Ruchama, Ontferming. En Lo-Ammi (=Niet-Mijn Volk) zal dan genoemd worden Ammi-Mijn Volk.

Dat is ook de juichkreet van Petrus: „Gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden".

En de grond van die vergeving der zonden is Christus. Ook al predikte Johannes de Doop in water tot bekering en vergeving der zonden, toch wees hij op Christus als „het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt" (Joh- 1 : 29).

En zo kunnen we dan ook verstaan dat Petrus tot de verslagenen van hart op de pinksterdag op hun vraag: „Wat zullen wij doen, mannen broeders?", antwoordde: „Bekeert u en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Geestes ontvangen" (Hand. 2 : 38).

Maar let erop dat hier duidelijk van twee afzonderlijke beloften wordt gesproken: 1. de vergeving der zonden; 2. het ontvangen van de Heilige Geest. Dat sluit ook helemaal aan bij de hoofdlijn van het Evangelie waarin nl. steeds het onderscheid wordt gemaakt tussen de Doop van Johannes tot vergeving der zonden én de Doop van Jezus in de Geest.

Vanaf de pinksterdag kunnen beide beloften tegelijk in vervulling gaan. Van te voren niet. Toen kon men wel tot geloof in Christus komen en in Hem de vergeving der zonden ontvangen, maar een gelovige kon toen nog niet vervuld worden met de Heilige Geest. Dat staat heel duidelijk in Joh. 7 : 37-39

Hoe worden we vervuld met de Heilige Geest?

Een opmerking vooraf. De Bijbel maakt nauwelijks onderscheid tussen de termen „doop in de Geest" en „vervulling met de Geest". Immers op de pinksterdag, wanneer Jezus openbaar wordt als de Doper in de Geest, zoals voorzegd was, dan staat er heel eenvoudig: „En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand. 2 :4).

Het N.T. laat ons zien dat de vervulling met de Heilige Geest op verschillende manieren kan gebeuren. Dat kan door handoplegging. Zie Hand. 8 : 17 en 19 : 6. Maar het kan ook eenvoudig gebeuren onder de prediking van het Woord. Zie Hand. 10 :44.

Dat is geheel in overeenstemming met wat Paulus schrijft over de vrijmacht van de Geest, die aan eenieder Zijn gave uitdeelt, „gelijkerwijs Hij wil" (1 Kor. 12 : 11).

Dus niet: „gelijkerwijs wij willen". Helaas zijn er altijd weer mensen, die menen met hun redeneringen te kunnen uitmaken, hoe de Heilige Geest moet werken. Zo beweren heel wat Amerikaanse en Nederlandse pinkstermensen dat de vervulling met (de doop in) de Heilige Geest steeds plotseling moet gebeuren. En zo jagen ze veel christenen op tot een bijna nerveus uitzien naar dat plotselinge dat over hen moet komen.

Maar nergens in de Bijbel staat die wet dat de vervulling met de Geest steeds op deze wijze zich moet voltrekken. Laten we dan toch a.u.b. ermee ophouden elkaar die wetten op te leggen.

„Moet" het plotseling?

Zelf ben ik de vervulling met de Geest niet deelachtig geworden door handoplegging, maar door te luisteren naar het W-oord; en niet op een plotselinge manier, maar geleidelijk aan.

Toen mij eenmaal die aanduiding in het Evangelie was opgevallen van Christus als de Doper in de Geest, ben ik steeds meer de uitingen van de Heilige Geest gaan zien in het N.T. Het trof mij dat iemand een keer terecht heeft geschreven: „De Handelingen van de Apostelen zijn eigenlijk de Handelingen van de Heilige Geest. Daarmee zou je dat Bijbelboek veel juister typeren". (U weet zeker dat het woord „Handelingen van de Apostelen" niet tot de tekst van de Bijbel behoort, maar dat men later aan dat boek die naam heeft gegeven).

Overal zag ik toen de Geest werkzaam. Hij is het die door Zijn werk de basis legt voor het nieuwe volk Gods. Hij overtuigt van zonde en oordeel (Joh. 16:8). Hij is het ook die op grond van het verzoenende werk van Christus in ons getuigt dat wij de vergeving der zonden hebben ontvangen en kinderen Gods zijn (Rom. 8 : 16). Hij is het die de plaats van Christus hier op aarde heeft ingenomen (Joh. 14 : 16). Jezus is heen gegaan om te zitten aan de rechterhand des Vaders om daar voor ons te pleiten (Hebr. 7 : 25). Maar Hij heeft ons niet als wezen achtergelaten (Joh. 14 : 18). Hij heeft Iemand anders, de „andere Trooster" gezonden: „Hij blijft bij u en zal in u zijn" (Joh. 14 : 17).

Die Geest woont in de gemeente als in een tempel (1 Kor. 3 : l6-17;Ef.2 : 21).Hij werkt daarin om de gemeente te heiligen door het Woord.

Zo zag ik overal die Geest bezig. Ik zag Hem op de achtergrond, altijd weer wijzend op Christus die Hij verheerlijken wil en in Hem de hemelse Vader. Ik leerde Hem vanuit Gods Woord steeds meer persoonlijk kennen.

De Adem Gods over ons

En heel vaak las ik het verhaal van de uitstorting van de Geest op de pinksterdag. Daar hoorde ik dan Petrus zeggen dat die belofte van Joel vanaf die dag voor iedereen geldt. Zo groeide in mij dat verlangen om aan die volheid van de Geest deel te krijgen.

En de Geest heeft mij dat geschonken „gelijkerwijs Hij wil". Christus heeft mij steeds meer gedoopt, ondergedompeld in Zijn Heilige Geest, zoals Hij dat beloofd had. „Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien. En dit zeide Hij van de Geest, dewelke ontvangen zouden wie in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was" (Joh. 7 : 38-39).

Deze ervaring van de Heilige Geest van Jezus in je is naast de ervaring van de vergeving der zonde de grootste verrukking van een gelovige. Het is een onbeschrijfelijke zaligheid.

Dan gaat de Schrift ook steeds meer voor je open. Niet dat je dan een knap theoloog wordt, maar het leven van het Woord springt dan steeds meer voor je open. Je proeft, je smaakt dan steeds meer de Geest in dat Word. De Adem (Pneuma) Gods die over dat Woord is heen gegaan, die dat Woord heeft uitgeademd, „theopneustos" (2 Tim. 3 : 16), de Heilige Geest komt dan steeds meer als een blijde warmte, als een kracht Gods over je, waait je uit dat Woord tegen, legt zich op je neer en roept heel je wezen op tot aanbidding van God, tot verkondiging van Zijn grote daden (Hand. 2 : 11, 10 : 46, 1 Petr. 2 : 9).

Ik moet eindigen, anders wordt dit artikel veel te lang. Aan het slot echter opnieuw aan u de vraag: Moeten we dit alles niet eens opnieuw samen vanuit de Schrift doordenken? „Samen met alle heiligen" (Ef. 3:18) zullen we immers pas de volle rijkdom van de liefde van Christus kunnen kennen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

EEN NEDERLANDSE „PINKSTER"-BEWEGING?"

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's