In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

De betekenis van Luther voor deze tijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De betekenis van Luther voor deze tijd

14 minuten leestijd

Wij kennen Luther als de man, die ons de Bijbel heeft teruggegeven en ons het Evangelie weer heeft doen verstaan. Thans is de Bijbel in ieders handen en het Evangelie der genade is ieder bekend. Zó is de huidige protestantse situatie. De reformatorische ontdekking is algemeen bezit geworden. Beseffen wij het gevaar, dat daarin ligt?

Wat voor waarde heeft een ontdekking, als er geen zoeken aan is voorafgegaan? Wat voor waarde heeft een antwoord, als er niet eerst een vraag was? Wat voor waarde heeft een troost, als er niet eerst angst en droefheid was?

Er is dan een goddelijke gave zonder dankbaarheid. En wat daar de gevolgen van zijn, is ons bekend uit het derde deel van de Heidelberger Catechismus. Er zijn dan geen vruchten van het geloof, geen bekering, geen goede werken. Dat is het zorgwekkende van de huidige protestantse situatie. Er is brood zonder honger. Als wij het daarom willen hebben over de betekenis van Luther voor deze tijd, dan meen ik, dat de belangrijkste dienst die de reformator ons thans bewijzen kan, deze is, dat hij ons niet nog eens en met nóg groter nadruk vertelt wat het Evangelie der genade is, maar dat hij ons erover inlicht hoe hij dat Evangelie ontdekt heeft en hoe de weg van zijn zoeken, vragen, worstelen zich heeft afgetekend.

I

Klaarblijkelijk heeft Luther er rekening mee gehouden, dat latere geslachten die vraag zouden stellen, want herhaalde malen heeft hij het verhaal van zijn ontdekkingsweg op schrift gesteld, opdat, ook als hij niet meer zou leven, men zou weten wat zich ten aanzien van het Evangelie in zijn ziel had afgespeeld. Luther was er dus van overtuigd, dat het reformatorische geloof niet losgemaakt kan worden van de bange en moeizame worstelingen, die eraan waren voorafgegaan.

Het meest bekend is de weergave van Luther's bekering in zijn autobiografische terugblik*) in de inleiding bij de uitgave van zijn verzamelde Latijnse geschriften uit 1545, dus betrekkelijk kort voor zijn dood. Hij beschrijft die als volgt:

„Een waarlijk uitzonderlijk heet verlangen had mij aangegrepen om Paulus in zijn brief aan de Romeinen te begrijpen. Maar tot dusver was ik daar niet in geslaagd, en dat kwam waarlijk niet door gebrek aan ernstige belangstelling, maar één enkel woord zat mij daarbij in de weg, en wel uit het eerste hoofdstuk: „De gerechtigheid Gods wordt in het Evangelie geopenbaard .. " (Vers 17).

Dat woordje „gerechtigheid" kon ik niet verdragen, omdat ik het volgens de overlevering en de gewoonte van alle theologen nooit anders had leren opvatten, dan op de manier van de filosofen, volgens welke de rechtvaardige God zondaars en onrechtvaardigen straft.

Nu was het met mij zó gesteld, dat, al leefde ik als monnik onberispelijk, ik me toch bewust was, dat ik een zondaar was voor God en geen rust kon vinden voor mijn geweten. Ik durfde er niet op vertrouwen, dat ik door mijnwerken God zou kunnen verzoenen. Daarom had ik die rechtvaardige God, die zondaars straft, dan ook volstrekt niet lief, maar ik was, zoal niet met verborgen lastering, dan toch in leder geval met vreselijk gemor tegen zulk een God in opstand.

.. Alsof het niet genoeg is, dat wij door de Wet belast worden, komt God nu ook iog met het Evangelie onze ellende vermeerderen.

Zó raasde ik met wild bewogen geweten en ik bonkte onbeschaamd bij Paulus op ie deur, want ik dorstte en smachtte ernaar om te weten, wat er toch achter dat :ekstwoord zat. Dag en nacht tobde ik mij ermee af. Totdat ik door Gods genade legon te begrijpen, dat met „gerechtigheid" bedoeld wordt de gave Gods. Door iet Evangelie wordt Gods gerechtigheid geopenbaard als geschonken gerechtigieid. Toen was het mij, of ik geheel herboren was en of ik door open poorten het laradijs was binnengegaan".

Ongetwijfeld is deze geschiedenis ons allen tot in de dramatische bijzonderheden bekend. Men is gewoon hier te spreken van het „Turmerlebnis" (torenbelevenis) van Luther, omdat het zich heeft afgespeeld in de torenkamer van het klooster, waar hij woonde.

Nu rijzen er voor ons enkele belangrijke vragen. Was de eigenlijke oorzaak van Luther's bange worsteling exegetische (uitlegkundige) onkunde, en zou dus bij grotere exegetische kennis deze worsteling niet hebben kunnen plaatsvinden? Preekte zich hier bij Luther de gebrekkige theologie van de Middeleeuwse Kerk? Vlet andere woorden: is de hele Hervorming in wezen terug te brengen tot een :heologische, exegetische, wetenschappelijke kwestie?

Het is noodzakelijk, deze vragen nadrukkelijk aan de orde te stellen. Langzamerhand is het immers gemeengoed geworden, de Reformatie zó te zien. Luther heeft Je Bijbel verkeerd gelezen en uitgelegd; hij was daarin het slachtoffer van de onkunde van de donkere Middeleeuwen.

Met onze huidige kennis en inzichten zou Luther's weg heel anders gelopen zijn. Ons overkomt daarom zoiets niet meer. Dankzij de toegenomen kennis lezen wij de Bijbel veel beter. In onze tijd is Luther's worsteling onnodig, ja ondenkbaar! Door Luther's ontdekking zó te zien wordt de Hervorming tot een wetenschappelijke, intellectuele, theologische zaak. En daarmee is de geestelijke letekenis van de Reformatie verloren gegaan. Luther's waarde voor ons is dan geworden die van een wetenschappelijke ontdekker; die van een voorloper van de moderne, verlichte tijd. Daarmee is de Reformatie als een geestelijke gebeurtenis ontkracht.

Hiertegenover staat nu de mening van anderen, die eraan vasthouden, dat er bij Luther méér aan de hand is geweest dan een exegetische moeilijkheid, die wetenschappelijk kon worden opgelost. Noch een betere talenkennis, noch een grondiger exegese, noch een zuiverder dogmatiek hadden hem die worsteling kunnen besparen. Daarom is het ook een kwalijk misverstand te menen, dat méér kennis en inzicht ons ervoor vrijwaren die worsteling nog te hoeven meemaken. In de Hervorming ging het om geestelijke vragen en om een geestelijk antwoord. Naar hun overtuiging is de reden dat wij in deze tijd niet meer in Luther's zielenood kunnen inkomen, geenszins ons groter intellectuele inzicht en onze uitgebreider kennis, maar het feit dat wij zoveel verder van onze ziel zijn komen af te staan en geestelijk zoveel armer zijn geworden. Het geestelijk zintuig om Luther's weg te verstaan, ontbreekt ons.

Het zal de lezer duidelijk zijn, dat wij hier onder „geestelijk" iets anders moeten verstaan dan „verstandelijk". Men kan een groot verstand hebben en intellectueel zeer ontwikkeld zijn, en toch ongeestelijk. Bij „geestelijk" moeten wij vooral denken aan het in-werk van de Heilige Geest.

Paulus spreekt erover in 1 Corinthiërs 2 vers 14: „Maar een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is".

Onze huidige geestelijke armoede zou zelfs wel eens kunnen samenhangen met het feit, dat wij verstandelijk, wetenschappelijk, theologisch zoveel knapper zijn geworden dan Luther was. Sterker nog: misschien was de primitieve bijbelbenadering van de Middeleeuwen wel een betere toegang tot het geestelijk verstaan van de Schrift dan onze hedendaagse puur-wetenschappelijke!

Luther's worsteling was dus een geestelijke zaak. Zij speelde zich af op een dieper, innerlijker niveau dan het verstand. Op het niveau, waarop Christus doelde, toen Hij de woorden sprak: „Ik dank U, Vader, Here des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderen geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is het een welbehagen voor U geweest" (Mattheüs 11: 25, 26).

Dat Luther het zelf ook zó gezien heeft, blijkt uit tal van uitspraken. Ik haal daartoe hier een karakteristiek woord van hem aan uit de zogenaamde tafelgesprekken: „Geen mens leeft er op aarde, die zou weten te onderscheiden tussen Wet en Evangelie. Wij beelden ons dat wel in als wij erover horen prediken, dat wij het verstaan; maar wij vergissen ons schromelijk. Slechts de Heilige Geest verstaat deze kunst. De mens Christus heeft het ook niet gekund op de Olijfberg, zodat een engel uit de hemel Hem moest troosten. En Hij was toch een doctor van de hemel. Ik zelf zou hebben kunnen denken, dat ik het kon, omdat ik zo lang en zo veel erover geschreven had; maar als het erop aankomt, zie ik wel in, dat het mij helemaal onmogelijk is. Daarom kan en moet God hierbij alleen onze heilige Leermeester zijn".

Twee dingen laat deze uitspraak van Luther duidelijk zien. Allereerst dat het kernpunt van zijn worsteling niet is geweest een tekort aan theologischwetenschappelijk inzicht, maar het geestelijk vermogen om te kunnen onderscheiden tussen Wet en Evangelie, tussen Gods eisende en straffende gerechtigheid en Zijn geschonken en schenkende gerechtigheid. Daarna het feit, dat Luther zijn leven lang telkens opnieuw dat geestelijk onderscheidingsvermogen heeft gemist en dat hij het nooit als een wondersleutel in zijn bezit had. Het moest hem telkens opnieuw door de Heilige Geest geopenbaard worden. Zijn leven lang bleef dit een gevoelige zenuw in zijn geloofsleven.

II

Luther's worsteling was een geestelijke worsteling. Het ging om geestelijke dingen. En wel allereerst om de gerechtigheid van de Wet, dus om Gods eisende en straffende gerechtigheid.

Uit de aangehaalde autobiografische terugblik uit 1545 is gebleken, dat Paulus' Brief aan de Romeinen de direkte oorzaak ervan is geweest. Uit andere geschriften blijkt, dat ook de Psalmen aanleiding geweest zijn.

In zijn Brief aan de Romeinen spreekt de apostel Paulus veelvuldig en uitvoerig over de Wet. Ik noem enkele verzen: „Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen" ( 2 : 1 ) ; „Niet de hoorders van de Wet zijn rechtvaardig bij God, maar de daders (2 : 13); „Het werk der Wet is in hun harten geschreven, terwijl hun geweten meegetuigt" (2:15); „Weet gij niet, dat de Wet over de mens heerst, zolang hij leeft?" ( 7 : 1 ) ; „Het gebod, dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn" (7 : 10); „Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont" (7:18); „De Wet is geestelijk; ik echter ben vleselijk, verkocht onder de zonde" (7 :14); „Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?" (7 : 24).

Zoals Paulus over de Wet spreekt, komen wij het in het Oude Testament zelden tegen. Het is alleen in de Psalmen, dat wij soortgelijke klanken horen. En wel met name in de zeven boetepsalmen, die in Luther's leven zulk een grote rol hebben gespeeld. Het zijn de psalmen 6, 32, 38, 51, 102, 130 en 143.

Wat is het bijzondere van dit spreken over de Wet? Dit, dat de Wet geestelijk verstaan wordt. En geestelijk wil dus zeggen: gewerkt door de Heilige Geest, die indachtig maakt; die overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel; die het hart levend maakt. Het geestelijk verstaan van de Wet houdt daarom in, dat de Wet wordt tot een innerlijke, levende, persoonlijke sprake Gods.

Welnu, dat is bij Luther het geval geweest. Door de Heilige Geest is de Wet voor hem een innerlijke stem van God geworden. En dat is heel iets anders dan theologisch, wetenschappelijk, dogmatisch met de Wet bezig zijn. Waar de Wet geestelijk verstaan wordt, neemt zij weer het karakter aan van de afkondiging op de berg Sinai'. Zij wordt tot openbaring van Gods eisende, straffende gerechtigheid. Dat brengt de hele mens in beroering. Het wekt in zijn hart een mateloos heimwee, een mateloos verlangen, een mateloos schuldgevoel en een mateloos besef van onmacht en zwakte. De Wet, geestelijk verstaan, werkt een droefheid naar God. Wij lezen daarvan in de Psalmen en in Paulus' Brief aan de Romeinen. En ook Luther heeft daarvan in alle hevigheid geweten. Telkens legt hij er in zijn werken getuigenis van af. Ik geef er enkele voorbeelden van.

Een bijbelboek, dat Luther erg heeft aangegrepen, is het boek Jona. Het is voor hem de schildering van een mens in gewetensnood, door Gods eisende en straffende gerechtigheid achtervolgd. Niet slechts het schip, maar heel de wereld is Jona te eng geworden. Nergens zag hij meer enig lichtpunt; alleen maar dood, dood en nog eens dood! De zee is Jona's doodsbed geworden. Niemand had hij om hem te troosten. Het verblijf in de zee, in het ingewand van de vis, - het moeten voor de profeet de langste dagen en nachten geweest zijn.

In diezelfde trant heeft Luther ook het Psalmboek gelezen. Hij getuigt ervan in zijn Voorrede op het Psalter: „Het menselijk hart is als een schip op de wilde zee, dat door de stormwinden van alle kanten voortgedreven wordt.Hier stoot tegen hem aan vrees en zorg, daar overvalt hem gramschap en treurigheid, hier bedreigt hem vermetele hoop, daar wordt hij meegesleurd door zekerheid en vreugde. Dergelijke stormwinden leren echter in ernst te spreken, het hart te openen en de grond bloot te leggen … En is het juist niet dat, wat in de Psalmen het belangrijkste is; zulk ernstig spreken in al zulke stormwinden? Waar vindt men heerlijker woorden van vreugde dan in de Psalmen, maar ook: waar vindt men dieper, klagelijker, jammerlijker woorden van treurigheid dan in de Psalmen? Gij ziet er alle heiligen als in de dood; ja, als in de hel. Hoe donker en duister is het daar vanwege de velerlei openbaring van Gods toorn!"

Maar ook in losse bijbelteksten hoorde Luther de geestelijke sprake van de Wet. Zó in Leviticus 26 vers 36. Wij lezen daar: „En Ik zal vrees brengen in de harten, zodat het geluid van een opgewaaid blad hen opjaagt; en zij zullen vluchten, zoals men vlucht voor het zwaard, en vallen, zonder dat er een vervolger is". Luther zag daarin een tekening van de mens onder de Wet. Hij leeft met een sluimerende gerichtsangst als Kaïn. Alles verschrikt hem. Alles is voor hem een bedreiging. Zelfs het ritselen van een dor blad jaagt hem op, als het geweten door het in-werk van de Wet is aangeraakt. En als een dor blad dat doet, wat moet voor die mens dan de ervaring zijn als de hoge majesteit van God Zelf nadert ten gerichte!

Dat wij thans Luthur's worsteling zo weinig meer kunnen navoelen en verstaan, het is omdat wij de Wet als orgaan van Gods eisende en straffende gerechtigheid niet meer geestelijk verstaan. Wij zijn daar als moderne mensen veelal te veruitelijkt, te oppervlakkig, te verwetenschappelijkt voor. Heel cru uitgedrukt: de Heilige Geest heeft geen vat meer op ons. Ons hart is voor Zijn sprake en inwerk te zeer afgestompt.

Enige tijd geleden heeft er in Arnhem een massale getuigenisdag plaatsgevonden. Het thema van die dag was: Tegen de wetteloosheid het Evangelie! Van vele kanten en niet in het minst van kerkelijke kant is er over die getuigenisdag spottend en honend geschreven. Men beweerde, dat hier sprake was van een farizees en moralistisch protest van conservatieve geesten tegen de hedendaagse normloosheid en zedeloosheid. Wat deze critici echter niet inzagen, was dat het op die dag ging om een geestelijke nood-situatie. Het ging erom, dat wij leven in een tijd waarin binnen en buiten de kerk de mensen zich van de Wet afmaken en die achteloos terzijde schuiven als was zij een door het voorgeslacht bedachte gedragscode. Alsof de Wet verstaan wordt, als zij moralistisch verstaan wordt! Zij is oneindig veel méér dan een menselijk gedragspatroon. In haar spreekt de heilige stem van Gods eisende en straffende gerechtigheid. Zij wordt daarom slechts verstaan, als zij innerlijk tot in hart en geweten verstaan wordt; als de Heilige Geest ons haar sprake indachtig maakt.

Waar in de kerken merkt men er nog iets van, dat de Wet de mens innerlijk in beroering brengt? Waar is bij de kerkelijke en theologische leiders iets waarneembaar van het door de Wet gewerkte heimwee, schuldbesef en bewustzijn van machteloosheid? Waar herkent men in de kerkelijke prediking nog een zweem van de doorwerking van de stormwinden, zoals dat zo duidelijk waarneembaar is bij de psalmdichters, bij Paulus en bij Luther? Het is meestal een lustig spelevaren over kabbelende golfjes bij mooi weer.

Vandaar dat er volop reden is om met Psalm 119 in te stemmen, als die zegt: „Here, open mijn ogen, opdat ik zie de wonderen van Uw Wet!"

*) terugblik op zijn eigen leven, waarvan hij een beschrijving geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

De betekenis van Luther voor deze tijd

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's