In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

ERFSCHULD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ERFSCHULD

4 minuten leestijd

P.N.K. wees mij naar aanleiding van het artikel „Mijn genade is u genoeg" op Jak. 1 : 12-16. Nu is dat inderdaad een heel belangrijk Schriftgedeelte. Immers daarin laat Jakobus zien, dat de begeerte op zichzelf nog geen persoonlijke zonde is. Dat wordt ze pas, wanneer wij daar bewust aan gaan toegeven: „Daarna de begeerte, ontvangen hebbende, baart zonde".

Ik heb daar al eens meer over geschreven. Bij de rooms-katholieken speelde dat onderscheid een belangrijke rol. Het bewust toegeven aan een verkeerde begeerte moest men biechten, maar zolang men er tegen streed, werd het je niet als schuld aangerekend. Ik meen dat in het protestantisme wel eens wat te weinig met dat onderscheid rekening wordt gehouden. Daardoor zijn ook oprechte gelovigen wel eens in de war, wanneer ze soms heel slechte gedachteR en verlangens in zich zien opkomen. Ik zou hen dan ook willen wijzen op Rom. 7 : 17, waar ook Paulus onderscheid maakt tussen zijn bewuste „ik" en de zondige neiging in hem.

En tóch kan ik die zondige neiging in mij niet naast mij neerleggen, als zou ik daar op geen enkele wijze mee aan schuldig zijn, zoals Rome leert. Ik beleef daarin iets van een kollektieve schuld van het hele mensdom. Wij hebben allen gezondigd in Adam, zo leert Rom. 5 : 12.

Hoe diep moet God niet teleurgesteld zijn geweest, toen Adam, de mens, die geschapen was naar Zijn beeld, tegen Hem opstond en de partij koos van de duivel, de vijand van God! Sindsdien moet God wel het hele menselijke ras vervloeken.

Daarom weet ik mij op grond van de Schrift solidair in die oerschuld, in de zonde die Adam, onze stamvader, bedreef. Ik kan mij daar niet van los maken. En als ik de gevolgen, de straf, van die zonde in mij en rondom mij heen zie, dan heb ik er behoefte aan om mij daarover voor God te verootmoedigen, want ik ben een exemplaar van dat door God vervloekte mensengeslacht, waaraan de Heere zoveel teleurstelling heeft beleefd.

Zeker, dat schuldbesef is anders dan de verbrokenheid om bewust gepleegde zonden. Dan moet ik voor de Heere met David belijden: „Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd".

En tóch gaat dat besef van de erfschuld niet helemaal buiten mijn persoon om. Ik, ik ben een nakomeling van de door God vervloekte Adam. In Adam heb ik gezondigd en in hem heb ik de nasleep van die zonde verdiend. En daar hoort ook de begeerlijkheid onder, die mij veel verdriet doet, maar waarvan ik mij nooit helemaal kan bevrijden.

Maar daar staat dan evenzeer tegenover de vreugde - en een predikant wees mij daar op in een telefoongesprek - over de gerechtigheid, die ik evenzeer in Christus heb en die mij door het geloof wordt toegerekend. Die gerechtigheid heb ik zelf niet verricht evenmin als ik de zonde van Adam persoonlijk heb gedaan. Maar zoals ik mij schuldig weet in de aan mij vreemde zonde van de eerste Adam, zo weet ik mij onschuldig in de aan mij vreemde gerechtigheid van de tweede Adam. Ik mag mij verlustigen in die gerechtigheid van Christus, want ze wordt mij van buiten af toegerekend, zoals ik verdriet heb om de zonde van Adam die mij evenzeer van buiten af wordt toegerekend.

Dat is die wonderbare spanning, die alleen in het geloof begrepen kan worden. Daardoor kun je erover juichen dat je in Christus volmaakt bent, terwijl je toch in jezelf steeds weer de zondige roerselen gadeslaat en je onvolkomenheid beseft. Kijk je naar de eerste Adam, dan zie je hoezeer je in hem Gods vervloeking verdient; kijk je naar de tweede Adam, dan weet je dat de Vader in de hemel met eenzelfde welgevallen op jou neerziet zoals Hij behagen heeft in Christus, de Rechtvaardige.

Maar… in Christus hebben wij niet alleen de vergeving der zonden, maar in Zijn kracht kunnen wij groeien in levensheiliging. En dat betekent de oorlog aan elke bewuste zonde. Daarom is dat onderscheid tussen de begeerlijkheid die tegen onze wil in ons opkomt, én het bewust daaraan toegeven, heel belangrijk. Nooit mogen wij de bewuste zonde in ons toelaten op grond van een opmerking als deze: „We zijn immers allemaal zondaars en we bereiken de volmaaktheid toch niet". Dan bedroeven we de Heilige Geest en blussen Hem uit. Dan verschralen we geestelijk steeds meer. Dan worden we lauwe christenen, die de naam van Christus schande aandoen.

Onverminderd blijft het woord van Christus van kracht: „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader die in de hemelen is, verheerlijken". „Weest dan gij volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is" (Mat. 5 : 16,48).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

ERFSCHULD

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1979

In de Rechte Straat | 32 Pagina's