Groeit bij Rome een andere leer over de kerk?
2. Een ander zicht op de wereld
Sedert het Concilie zijn wij getuigen van wat een veranderde houding van de Kerk met betrekking tot de „Wereld" schijnt te zijn. In het eerste hoofdstuk van de Heilige Schrift lezen wij dat God alles schiep en dat het goed was, zelfs heel goed. Hij schiep de mens naar Zijn eigen beeld en gelijkenis en wat kon Hij beter doen? Maar de zonde kwam, gevolgd door lijden en dood en een groeiende wanorde, godsdienstig en zedelijk, in de mensheid. De toestand werd zo ernstig, dat het Nieuwe Testament alleen spreekt over de „Wereld" in ongunstige zin. De H. Paulus: „Vormt u niet naar deze Wereld, maar hervormt u door vernieuwing van inzicht, opdat gij onderscheiden moogt, wat de wil is van God, wat goed is, welbehagelijk en volmaakt" (Rom. 12:2). De H. Johannes: „Hij was in de Wereld, en de Wereld was door Hem gemaakt, en de Wereld kende hem niet" (Joh. 1:10). Vele andere teksten zouden hier nog bijgevoegd kunnen worden en bijzondere opmerkzaamheid zou moeten gegeven worden aan het feit, dat in het Evangelie van de H.Johannes er een voortdurende tegenstelling is tussen de Wereld, die slecht is, en Christus, Zijn leerlingen, Zijn leer. De Wereld moet gered worden (Joh. 3:17), omdat zij redding nodig heeft: zij haat de leerlingen van Christus en Christus zelf (Joh. 15:18,19). Daarom kunnen echte volgelingen van Jezus noch de wereld, noch de dingen van deze wereld beminnen (1 Joh. 2:15). In deze teksten is het woord „Wereld" gelijkwaardig aan gevallen en zondige mensheid; zij is slecht en zij, die aan Christus behoren, moeten zich van haar afzonderen.
Het is duidelijk dat in het document (van het tweede Vaticaanse Concilie) het schriftuurlijk begrip van „Wereld" (= in zonde en onder de heerschappij van de Vorst van het kwaad liggende mensheid) niet bijzonder beklemtoond is, al is het niet geheel afwezig (vgl. Nr. 37, waar zelfs Rom. 12:2,3 wordt aangehaald; zie ook Nrs. 79-82 over oorlog en het voorkomen ervan). Maar als geheel straalt het document optimisme en groot vertrouwen in zuiver menselijke mogelijkheden en waarden uit, die men niet kan vinden in de H. Schrift of in de geschriften van de Vaders en de documenten van het Leergezag. Dit is niet bedoeld als kritiek, maar als vaststelling van een feit. Het document spreekt met bewondering en met veel woorden over de vooruitgang van de menselijke wetenschap en technologie, en legt de nadruk op de plicht van de Christenen om met anderen samen te werken in het bevorderen van zuiver menselijke cultuur. „Wij zijn getuigen van de geboorte van een nieuw humanisme, zegt het, waarin de mens vooral bepaald (definitur) wordt door zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn broeders en de geschiedenis" (Nr. 55). Het is niet duidelijk, wat de laatste woorden betekenen, maar het woord „humanisme" staat er en zij die het document ontwierpen wensten dat het zou worden uitgesproken: dit humanisme wordt omschreven als een christelijke houding.
Maar, zo poneert prof. v. d. Ploeg terecht:
Jezus Christus kwam om ons van onze zonden te verlossen, Hij kwam niet om de menselijke cultuur te bevorderen. Hij bevrijdde zelfs Zijn volk niet van de koloniale slavernij van de Romeinen.
Dat de Kerk als zodanig, als goddelijke instelling voor de Verlossing van de mensen, niet de zuiver menselijke bevordering van menselijke waarden als haar eigen doel kan nastreven.
Veel theologen van deze tijd denken er anders over. Zij stellen grotendeels of zelfs alleen belang in een Kerk, die het menselijk welzijn bevordert, bijzonder betere levensvoorwaarden voor alle mensen, sociale rechtvaardigheid en „vrede". De Zuid-Amerikaanse „theologie van de bevrijding"-theologen hebben alleen of op de eerste plaats belangstelling voor aardse „bevrijding": van angst, honger, armoede, kapitalisme, enz. Dat dit geheel in tegenspraak is met de leer van de Kerk, heeft geen toelichting nodig. Anderen schijnen een dubbel doel toe te kennen aan de Kerk en haar werkzaamheden, een mening die sommigen toeschrijven aan Paulus VI. In zijn toespraak bij de sluiting van het Tweede Vaticaanse Concilie legde hij de nadruk op het feit, dat de mens de aandacht van de Synode in beslag had genomen. Hij vroeg de moderne humanisten „ons nieuw humanisme" te erkennen:" ook wij hebben, meer dan iemand anders, de verering van de mens"!
3. Een andere wijze van kerkleiding.
Enkele jaren geleden verklaarde hij (Paulus VI) aan de Italiaanse Bisschoppenconferentie, dat er twee wijzen van besturen zijn. De ene wijze is het gebruik van de sterke hand: pesare sugli altri (anderen onder druk zetten), een andere is met hen te praten en te trachten hen te overtuigen hun plicht te doen. Hij was zich heel goed bewust van de nadelen van de tweede methode, voegde hij er bij, maar hij had bij zijn bestuur van de Kerk deze gekozen en hij vroeg de Italiaanse Bisschoppen, hetzelfde te doen. Het is volkomen duidelijk, dat in een organisatie als van de Katholieke Kerk zij die het gezag dragen op de eerste plaats moeten trachten hun onderdanen moreel te beïnvloeden om hun plicht te doen, maar het gezag kan er zich niet van onthouden te bevelen en zelfs te straffen, als de aard van de zaak en bijzonder het algemeen welzijn het vraagt.
Het is mogelijk, dat de politiek van praten, trachten te overtuigen en zelden of nooit krachtige maatregelen nemen, voor Paulus VI een gevolg was van een nieuwe ecclesiologie, maar dit is nog niet duidelijk. In Rome wordt het vaak toegeschreven aan wat men „zijn karakter" noemt, een woord dat verschillende betekenissen kan hebben. Sommige Pausen waren geboren bestuurders, anderen waren dit niet. Een opvallend voorbeeld van de laatste groep was de H. Celestinus V (Paus in 1294), die na een regering van nog geen vier maanden aftrad. Tot de eerste groep behoren Pausen als Bonifatius VIII, de H. Pius V, Sixtus V, Pius IX, om maar enkele te noemen. Ludwig von Pastor, Ranke aanhalend, noemde Clemens VII (1513-1524) „de rampspoedigste van alle Pausen" 8). Bij het graf van zijn voorganger, Adrianus VI (1522-1523) in de kerk van S. Maria dell' Anima in Rome kan men de woorden lezen (wij vertalen): „Ach, hoe belangrijk is het, in welke tijd zelfs de voortreffelijkste man kan werken"9); de betekenis van deze woorden is dat Adrianus, hoewel hij voortreffelijk was, het niet kon helpen, dat hij zo weinig tot stand bracht, omdat „de tijd"voor hem niet gunstig was. De omstandigheden, waaronder Paulus VI de Kerk heeft moeten besturen, waren voorzeker slecht genoeg en het Tweede Vaticaanse Concilie, dat de aanleiding was tot de uitbarsting van het modernisme, dat nog de Kerk ondermijnt, was niet door hem bijeengeroepen, maar door zijn voorganger.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
