DE SCHRIFT ALLEEN?
We kunnen dit boek niet iedereen aanbevelen, daar het behoorlijke kennis van het Engels en Duits en zelfs enige kennis van het Latijn veronderstelt. Voor predikanten is het echter wel een waardevol boek, o.a. omdat je daarin een beknopte weergave vindt van enkele theologieën over het onderwerp: „De Schrift alleen".
De ondertitel van het boek luidt: „Een vergelijkend onderzoek naar de toetsing van theologische uitspraken volgens de openbaringstheologische visie van Torrance en de hermeneutisch-theologische opvattingen van Van Buren, Ebeling Moltmann en Pannenberg." In dit artikel eerst iets over Torrance.
Vroom rangschikt hem onder de „openbaringstheologen" dwz. aanhangers van een theologie, waarbij „de bijbel onomwonden als het enige criterium (= norm) geldt, waaraan men de waarheid van theologische uitspraken moet testen" (2).
Openbaring loodrecht van Boven
Torrance, een Schotse theoloog, heeft in zijn denken veel van Karl Barth overgenomen. Zo zegt ook Torrance dat Gods openbaring „loodrecht van Boven" naar beneden komt.
„De mens is als mens niet in staat kennis omtrent God te verwerven. God wordt niet gekend vanuit enig feit buiten de openbaring om, zodat mensen uitsluitend kennis omtrent God kunnen verkrijgen, doordat Hij Zich aan hen bekend maakt". De reden daarvoor: „Vanuit zijn eigen „wereld" kent de mens God niet; hij is, op zijn eigen plaats gezien, God-loos. In de tweede plaats is de mens een zondaar" (7). Van nature is de mens God-loos, door de zondeval is de mens bovendien goddeloos, aldus Torrance. Daaruit volgt dat God Zich alleen maar aan de mens kenbaar kan maken door af te dalen naar het niveau van de mens, hem aan te spreken in zijn eigen denkpatroon en gevoelsklimaat. God moet Zich dan verplaatsen in de ruimte en tijd-dimensie van ons, mensen.
ONS KOMMENTAAR:
In deze opvattingen spreekt mij erg aan, dat Gods soevereiniteit benadrukt wordt. In piëtistische kringen spreekt men soms veel te gemakkelijk over God alsof ze Hem door en door kennen. De vertrouwelijke omgang met God ontaardt dan tot een aanmatigende familiariteit. Datzelfde vinden we ook in de scholastiek Daar heeft men een overmoedig en daarom hoogmoedig vertrouwen in de kracht van de eigen menselijke rede.
Maar onjuist is de leer dat de mens reeds krachtens zijn schepping God-loos zou zijn. Paulus schrijft: „Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn" (Rom. 1:20).
Zeker, ook het feit dat wij God kunnen kennen uit Zijn schepping, is een geschenk, is een gunst, waar wij geen recht op hadden. Maar die mogelijkheid om God uit de schepping te kennen is met ons mens-zijn gegeven. God heeft ons zo gemaakt. Hij heeft die aanleg om uit de schepping op te stijgen naar de Schepper, Zelf in de mens gelegd. Hij had dat ook niet kunnen doen. Dat Hij het toch heeft gedaan, is dus een soevereine beslissing van God.
Wel moet ik er aan toevoegen dat ook ik bezwaren heb tegen allerlei vroegere zogenaamde Godsbewijzen van de scholastiek. Ik meen dat je nooit door redeneringen tot een soort konklusie kunt komen: „Dus bestaat God". In mijn boek „Mijn weg naar het Licht" (uitverkocht) heb ik beschreven, hoe ik juist door dit soort Gods-,.bewijzen" op den duur alle zekerheid omtrent het bestaan van God was kwijt geraakt.
Ik vind daarom de woorden van Paulus zo buitengewoon goed, als hij schrijft dat we God uit de schepping slechts kunnen „verstaan". We kunnen Zijn aanwezigheid „doorzien". Dat is heel wat anders dan: „door redeneringen aantonen dat God bestaat".
Met mijn verstand en hart strijk ik a.h.w. over de schepping en stijg dan omhoog naar Hem als door de opwaartse warmte die de wonderbare harmonie in Zijn schepping uitademt. Die schoonheid is de lucht, waarop ik heenvlieg naar Hem, telkens even opverend om altijd weer neer te dalen, in een voortdurend heen en weer van aanbidding, grijpend naar de Ongrijpbare.
Ik moet er echter eveneens aan toevoegen dat de mens zolang hij niet door de Geest is wedergeboren, die kennis omtrent God die vanuit de schepping hem tegenwaait, alleen maar kan onderdrukken. Sinds de zondeval zijn wij goddeloos en kunnen de levende God uit onszelf nooit kennen, ook niet door de schepping heen, want wij zijn sinds Adam en Eva „als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden" (Rom. 1:18).
God is Objekt en Subjekt van de theologische kennis.
Torrance benadrukt het bijzondere van de theologische wetenschap in onderscheid met de andere wetenschappen, dat God niet slechts Voorwerp is van de theologische kennis, maar ook Onderwerp. „Dit Subjekt stelt de mens in staat Hem te kennen". „De theoloog die naar kennis van God zoekt, verkrijgt zijn kennis, doordat God Zich aan hem te kennen geeft". „God spréékt in Zijn Woord tot de theoloog" (11).
Maar „mensen kunnen God niet echt kennen zonder dat ze in Christus worden verzoend en vernieuwd". „De rechtvaardiging door genade betreft niet een deel van de mens, maar heel zijn bestaan met inbegrip van alles wat hij doet, zegt en denkt" (12).
Een ander belangrijk element in de theologie van Torrance is zijn (juiste) bewering dat de openbaring van God objektief is geworden. Ze heeft een bepaalde vastheid gekregen buiten de mens. Ze is niet een vloeiend iets in de mens zelf, dat telkens even oplaait om weer neer te zinken. Het is niet een telkens voorbijgaande innerlijke verlichting van de mens.
Hoe heeft die Zelfopenbaring van God vaste vorm aangenomen? Torrance antwoordt: in Jezus Christus, maar dat dan in twee betekenissen. Christus is de zichtbare verschijning van de Vader. Wie Hem gezien heeft, heeft de Vader gezien. Maar dat is niet genoeg, zegt T. Als het daarbij gebleven was, dan zouden wij God nog niet door Hem heen kunnen kennen. Als mens is Christus ook de kennis omtrent God. Alle gelovigen krijgen deel aan de godskennis van Christus, aan Zijn geloof als mens in God. „De bron en de norm en de enige objektieve standaard voor theologische beschouwingen wordt gevonden in Jezus, de Waarheid van God en tegelijk de waarheid over God" (15). „Alle menselijke kennis van God is z.i. participatie (= deelname) aan de godskennis van Christus" (15).
Woord van God in en achter de Schrift.
Tot nog toe kunnen we voor een groot gedeelte instemmen met wat T. schrijft. Maar wanneer hij deze leer nader gaat toepassen op de tekst van de Bijbel, dan scheiden onze wegen.
„De Heilige Schrift is volgens hem de norm van de theologie, omdat ze getuigt van de normatieve woorden en daden van Christus en omdat ze het instrument is, waardoor Christus zelf tot ons spreekt. In feite, zo kunnen we stellen, ligt de eigenlijke normativiteit volgens Torrance niet in de tekst van de Schrift als zodanig, maar daar achter, in het Woord dat God persoonlijk tot de mensen spreekt, of, daarmee verbonden, in de godskennis van Christus" (17). Torrance gebruikt het Griekse woord „lalia" voor de feitelijke woorden van de Bijbel en de term „logos" voor het Woord van God dat daarachter ligt. „Hoewel Torrance het Woord van God niet losmaakt van de tekst van de Bijbel, loopt er geen rechte weg van het begrijpen van de teksten naaf het verstaan van Gods Woord. De logos wordt de mens niet gegeven door middel van de uitleg van de Schrift als zodanig, maar zij wordt gehoord, wanneer en indien God zelf tot hem spreekt - en dat is volgens Torrance in de lalia van de Schrift niet zonder meer het geval". (18).
ONS KOMMENTAAR:
Ik meen dat de grondfout van Torrance (en Barth en ook Vroom zelf) bestaat in een gebrek aan zicht op het werk van de Heilige Geest.
Zeker, het is waar dat wij door de tekst zelfvan de Schrift nog niet het Woord van God kunnen beluisteren. Maar dat ligt niet aan die tekst zelf, maar aan ons zondige en beperkte hart. Wij hebben de Heilige Geest nodig om door de tekst van de Bijbel God Zelf te horen spreken. Maar die Geest heeft Zich gebonden aan de tekst zelf van de Schrift. De letter van de Schrift is uitgeademd door en doorademd van de Heilige Geest (theo-pneustos).
Een stukje filosofie.
Vroom bekritiseert Torrance, omdat deze beweert dat alle kennis behoort overeen te stemmen met het voorwerp van die kennis of met de orde in dat voorwerp. Hij meent dat te kunnen bestrijden met het voorbeeld van een verkeerslicht. Waarom is iets een verkeerslicht. Is dat iets in die stangen, in de opeenvolging van de verschillende kleuren licht, of wordt iets een verkeerslicht mede door de plaats waar het gesteld is bv. op een kruising van wegen?
Wanneer Vroom iets meer de filosofie van Aristoteles had bestudeerd, dan zou hij, naar ik meen, deze bestrijding gestaakt hebben. Immers Aristoteles maakt onderscheid tussen tien soorten predicamenten = tien manieren, waarop je iets over de dingen kunt zeggen en die er ook in of aan aanwezig zijn. Eén daarvan is de relatie. De relatie is iets in de werkelijkheid, kan dat althans zijn. Wanneer de relatie die wij in onze gedachten of in onze fantasie leggen, niet in de werkelijkheid aanwezig is, dan begaan we een vergissing, dan zijn we onwaar.
Vervolgens vergeet Vroom ook dat het denken of kennen ook een werkelijkheid is. Hij betrekt dit feit althans niet in zijn poging tot systematiek.
Groei in kennis van God?
Een van de bezwaren die Vroom maakt tegen de openbaringstheologie van Torrance (nl. dat de theologie in overeenstemming moet zijn met de openbaring buiten de mens zoals die geobjektiveerd is in Jezus Christus), is dat je dan tot de konklusie zou moeten komen dat wij na twintig eeuwen theologische bezinning meer van God zouden moeten afweten dan in het begin van het christendom. Ik meen dat Vroom daarbij al te zeer uitgaat van een essentialistisch denken (= een denken dat zo goed als uitsluitend is opgebouwd uit het kennen van het wezen (de essentie) der dingen en dus een begrippenstelsel is). Het eigenlijke kennen van God voltrekt zich wel door het Woord (dus door middel van kennis inhouden), maar in de Geest. Het Woord is daarbij slechts middel en veilig richtsnoer. Maar het kennen van God zoals de Bijbel het bedoelt, het kennen dat het eeuwige leven is (Joh. 17:3), is iets van het hart. Dat kennen is „een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (1 Petr. 1:8). Dat kennen is het hemelse lied in ons hart. Dat kennen kan uitgroeien tot een brede symphonie naar mate je meer groeit in de kennis van Gods Woord. Maar ik zou dat niet willen noemen een inhoudelijk méér kennen van God. Het is een beter kennen van Hem door de vertrouwelijke omgang met Hem zoals je Hem steeds meer leert kennen vanuit Zijn Woord. Dat staat dan ook buiten de theologische kennis. Het zaligmakende kennen van God is een vrucht van de Heilige Geest.
Het „universale"
Vroom opponeert verder tegen Torrance, wanneer hij de vraag stelt: „Veronderstelt Torrance in zijn visie niet dat theologen de werkelijke inhoud van het Evangelie kennen en het in aangepaste vormen aan anderen verkondigen? Kent de theologie de inhoud van het geloof in God dan toch, vóórdat zij vormen vindt om het door te vertellen?„ (41).
Ik krijg de indruk dat Vroom de oplossing niet kent, die Aristoteles voor dit algemeen menselijke kenprobleem heeft gegeven, nl. in diens theorie over het „universale". Ik wil heus niet de filosofie van Aristoteles die ik vroeger zelf gedoceerd heb, zonder meer verdedigen, maar in diens filosofie zitten zeer waardevolle elementen, omdat ze via Socrates vaak een aansluiting is aan het denken van de man van de straat, het gezonde verstand.
Wat is een universale? Letterlijk betekent het een „unum versus alia" = één tegenover anderen. Dat lijkt geheimtaal. Ik wil het verklaren.
Socrates en later Aristoteles, observeerden het menselijke spreken en ontdekten dat wij allerlei konkrete wezens eenzelfde naam geven, onder eenzelfde noemer onderbrengen. We zeggen van een hond, een kat, een nachtegaal, een rups enz. allemaal dat het dieren zijn. Hoe kan dat nu terecht gebeuren, terwijl ze individueel- totaal verschillen?
De „nominalisten" zeggen: Aan die algemene benaming „dier" beantwoordt niets in de werkelijkheid. Die' namen zijn alleen maar hulpmiddelen voor ons denken en spreken, meer niet.
Nee, zeggen de „realisten" met Aristoteles, wanneer ik zeg dat Wampie een hond en nog algemener een dier is en dat Piet een mens is, dan heb ik echt iets over Wampie en over Piet gezegd dat overeen komt met iets werkelijks in hen.
Ik ben het met deze laatste opvatting eens. De grote moeilijkheid is dan: Wat betekent dan dat „werkelijke" wat ik in zulk een geval over Wampie en Piet zeg, terwijl alles in hen toch ook weer anders is? Onze nieuwe hond „Sjefke" is ook een hond, maar toch ook weer helemaal anders dan onze vroegere Wampie, die verongelukt is. En Piet is heel anders dan Klaas of Marie, terwijl ze alle drie mensen zijn.
Dat moet je „zien". Dat is het eigenaardige van ons denken. Ons denken is gericht op de werkelijkheid, maar kan die werkelijkheid nooit helemaal omvatten. Dat is onze beperking. Wij werken met analyse en met synthese, wij leggen uiteen en verbinden weer dat uiteengelegde. Wij redeneren en wij schouwen. Wij werken met begrippen, waardoor wij onderscheidingen kunnen aanbrengen, én met de intuïtie, waardoor wij een kijk op het geheel, op het éne in het andere (universale), krijgen.
Dat is het grote verschil met het kennen en denken van God. God omvat alles tegelijk in de eenheid en de verscheidenheid. Alles ligt tegelijk voor Hem open. Hij ziet er op neer en Hij is er in. Hij doorgrondt alle dingen.
Wanneer wij zeggen: „Piet, Klaas en Marie zijn mensen", dan zeggen we iets werkelijks over hen, dat in de konkrete werkelijkheid toch ook weer helemaal anders is. (Dat is het éne in al de anderen, het universale).
Daardoor is ook de mogelijkheid gegeven van de preek. Het is niet zo - als Vroom blijkbaar veronderstelt - dat uit de openbaringstheologie zou volgen dat de theologen de inhoud van de openbaring zouden kénnen en die in aangepaste vorm aan anderen verkondigen. Veel beter is het om dan het woord „toepassing" te gebruiken. De toepassing is juist de konkretisering van het universale.
Wanneer een predikant zegt: „Alle mensen zijn zondaars", dan zegt hij iets werkelijks, ook over de mensen die onder zijn gehoor zijn. Maar als hij het daarbij zou laten, dan is het een bloedloos begrip, waar niemand door bewogen wordt. Helaas zijn er nog al wat preken die als een skelet rammelen van de algemeenheden. Daarom meen ik dat een preek altijd iets „bevindelijks" moet hebben, wil ze doordringen tot de harten. Het algemene moet „verbijzonderd" worden en dat kan alleen, wanneer de predikant dat algemene ook persoonlijk doorleeft.
Tot zover dan het gedeelte uit het boek van Vroom, waarin hij de openbaringstheologie van Torrance beschrijft en beoordeelt. Wij hopen in een volgend nummer het boek van Vroom verder te bespreken. Immers het onderwerp: „De Schrift alleen?" is van uitermate groot belang in het getuigende gesprek met Rome. Het Sola Scriptura was en is de basis van de Reformatie.
P.S.
Om het „universale" nog wat duidelijker te maken: Vermoedelijk kunnen we de goddelijke natuur niet een universale noemen in dezelfde betekenis, waarin we de menselijke natuur een universale noemen. We kunnen vermoedelijk niet zeggen dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest wel eenzelfde goddelijke natuur bezitten, maar toch ook weer op een heel eigen manier elk afzonderlijk God zijn, zoals wij allen mensen zijn, maar toch ieder weer op een afzonderlijke manier mens zijn. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn op precies dezelfde wijze God ondanks het feit dat zij drie afzonderlijke Personen zijn.
Ik zei „vermoedelijk", want wanneer wij spreken over het intertrinitaire leven van God, dan kunnen we ons alleen maar heel voorzichtig en met grote eerbied uitdrukken, meer bij wijze van vraag: „Zou het zó kunnen-zijn?" dan als stellige verzekering: „Zo is het!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1979
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
